De ‘harde knip’ tussen bachelor en master moet niet te star zijn. Een CDA/VVD-motie van die strekking werd dinsdag door de Tweede Kamer aangenomen. Toch gaan studenten daar weinig van merken.
Hogescholen en universiteiten moeten de harde knip uiterlijk september 2013 hebben ingevoerd, zei staatssecretaris Zijlstra vorige week in de Tweede Kamer tijdens de behandeling van de Wet ruim baan voor talent.
Maar bachelorstudenten die nog maar een paar studiepunten nodig hebben, moeten eigenlijk alvast aan hun master kunnen beginnen, vond CDA-kamerlid Sander de Rouwe.
Hij vroeg de staatssecretaris om een ‘minder harde’ knip: “Wordt het voldoende geborgd dat bachelorstudenten die misschien nog één of twee onderdelen moeten doen, alvast aan hun vervolgopleiding kunnen beginnen?”
De Rouwe diende een motie in waarin hij vroeg de wet niet ’te star’ uit te voeren voor zulke studenten, en ook te zorgen dat ze op meer momenten in het jaar tentamens kunnen herkansen en aan een master kunnen beginnen. VVD-kamerlid Anne-Wil Lucas zette haar naam er ook onder.
Zijlstra vroeg daarop aan Lucas of zij bedoelde dat instellingen hun zaken goed voor elkaar moeten hebben voor ze de harde knip invoeren, zodat studenten niet de dupe worden van gebrekkige organisatie. Dat beaamde ze. Ze wil – anders dan De Rouwe – beslist geen zachtere knip: “Het gaat mij erom dat het mogelijk moet zijn om op tijd te studeren. Die randvoorwaarde vind ik heel erg belangrijk. Wij weten dat nog niet alle instellingen er nu aan toe zijn.”
Studentenbond LSVb – verklaard tegenstander van de harde knip – kiest de interpretatie van De Rouwe. Voorzitter Sander Breur twitterde na de stemming enthousiast: “Motie over het verzachten van de Harde Knip aangenomen! Dank aan CDA en VVD.”
Maar gezien het standpunt van de VVD en de staatssecretaris is het onwaarschijnlijk dat de harde knip een aaibaar randje krijgt. In Zijlstra’s lezing hoeven instellingen alleen – waar mogelijk – te zorgen voor extra herkansingsmogelijkheden en instroommomenten. Is daaraan voldaan, dan moeten ze studenten zonder bachelordiploma de toegang tot de master weigeren.
Samen met de Stichting Proefdiervrij heeft de universiteit als eerste een speciaal huisdierdonorcodicil ingevoerd. Daarmee kunnen huisdiereigenaren hun overleden dier afstaan aan de universiteit. Die gebruikt het stoffelijke overschot voor practica bij de opleidingen diergeneeskunde, tandheelkunde en biomedische wetenschappen.
“Om vakbekwame dierenartsen op te leiden, is oefenen met dieren tijdens de opleiding essentieel”, zegt Anton Pijpers, decaan van de faculteit diergeneeskunde. “Daarbij willen we het aantal proefdieren dat speciaal voor onderwijsdoeleinden moet worden gedood zoveel mogelijk beperken.”
De Stichting Proefdiervrij verwacht met het huisdierdonorcodicil jaarlijks driehonderd proefdierlevens te kunnen redden. Dat moeten er in de toekomst meer worden. In eerste instantie werken tien Utrechtse dierenartsen mee aan het project. Later moeten ook andere universiteiten aanhaken bij het project.
De universiteit belooft dat docenten erop zullen toezien dat op een waardige manier wordt omgegaan met de dode huisdieren. “De nazorg voor het overleden huisdier zal hetzelfde zijn als bij een dierenarts.”
Comments are closed.