Een nieuw meetinstrument om oliestromen in onderzeese olievelden te bepalen bestaat tot nu toe niet. Een groepje TU-studenten maakt in opdracht van Shell een hydro-akoestische flowmeter.
“Hydro-akoestisch: dat is dus iets onder water dat geluid maakt”, aldus projectmanager en TU-student Remko van Luik. Op de zeebodem liggen pijpleidingen die olie uit verschillende olievelden naar boven pompen. Onbekend is hoeveel olie er uit de verschillende olievelden komt. Er bestaat nog geen systeem dat onder water de stroomsnelheid in buizen kan meten. De studenten maken gebruik van het mechanisme van een scheidsrechtersfluitje. Met behulp van een hydrofoon – een onderwatermicrofoon – zou je aan de frequentie van de flowmeter de stroomsnelheid in een pijpleiding kunnen afleiden. De studenten hebben in tien weken hun idee uitgewerkt tot een prototype. Shell bouwt dit prototype in Rijswijk.
Met een buisopstelling, meetapparatuur en stromende vloeistoffen zullen de studenten eind januari testen of hun idee in de praktijk functioneert. Julie Fleischer, derdejaarsstudente Industrieel Ontwerpen en lid van de projectgroep: “Zelfs als het werkt, weten we nog niets. Want de ruwe olie die uit de aarde komt, is niet zo vloeibaar als de vloeistoffen in de testopstelling. Daar zitten ook wel eens harde klompen in. We hebben geen idee hoe ons ontwerp daarop reageert”.
In de kerstvakantie hebben ze met PVC-buizen en een tuinslang hun ontwerp alvast uitgeprobeerd. “Het mechanisme deed wat verwacht werd, dus er zit zeker iets in. Maar we hebben geen goede metingen aan ons knutselprojectje overgehouden.” Zodra de testgegevens beschikbaar zijn, zullen de studenten weten of hun hydro-akoestische flowmeter verder ontwikkeld kan worden.
Het project is uitgevoerd in het kader van Challent, een programma voor bachelor-studenten die bovengemiddeld presteren. Deze projectgroep bestaat uit studenten van de faculteiten Industrieel Ontwerpen en Civiele Techniek en Geowetenschappen.
In universiteiten gaat bijna 5,5 miljard euro om. Hogescholen moeten rondkomen met 3,1 miljard. Alles bij elkaar houden de hogescholen 39,1 miljoen euro over. Voor universiteiten is dat 139,8 miljoen euro.
Verreweg het meeste geld gaat naar personeelskosten. In het hbo gaat daar 71,7 procent van al het geld naartoe, terwijl dat voor universiteiten 62,0 procent is.
Volgens de cijfers investeren de hogescholen per saldo 266 miljoen euro aan gebouwen en terreinen. De universiteiten besteden daar meer aan: 426 miljoen euro. De eigenlijke investeringen zijn hoger, maar de instellingen krijgen ook geld binnen van gebouwen die ze hebben verkocht.
De cijfers kunnen nog worden bijgesteld. Bovendien is een vergelijking met vorige jaren moeilijk, doordat de boekhoudregels zijn veranderd. Eind dit jaar worden de oude tabellen omgerekend naar de nieuwe regels, zodat de trend met het verleden weer zichtbaar wordt.
Het CBS geeft op zijn website wel een trend weer, maar kon niet vertellen in hoeverre de oude cijfers van de nieuwe zullen afwijken.
Comments are closed.