Onderwijs

‘Ik deed het werk van de secretaresse er gewoon bij’

Minder vrouwen dan mannen halen de top van de wetenschappelijke wereld. Biologie-professor Nancy Hopkins van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) onderzoekt al jaren waarom dat zo is.

Deze week sprak ze op de eerste conferentie van het Delftse vrouwennetwerk Dewis. “Lang dacht ik dat ik me gewoon anders moest gedragen.”

Is er volgens u verschil tussen vrouwelijke en mannelijke wetenschappers?

“Niet in hoe ze wetenschap bedrijven. Wel zijn er verschillen in hun problemen en zorgen.”

Wat zijn typische mannelijke of vrouwelijke zorgen?

“Mannen maken zich zorgen over hoe ze hun carrière vooruit kunnen helpen. Jonge vrouwen zijn meer bezorgd over hoe ze werken op hoog niveau kunnen combineren met een gezin. Ook zie ik verschil in zelfvertrouwen. Vrouwen denken soms dat ze niet te agressief moeten zijn, omdat dit slecht zou zijn voor hun carrière. Maar om succesvol te zijn moet je wel agressief zijn.”

U ziet er niet agressief uit. Heeft u dat wel moeten zijn om te komen waar u nu bent?

“Ik denk dat de vrouwen van mijn generatie een uitzonderlijk uithoudingsvermogen hebben. Ik heb het even over de hele groep, maar ze hebben een enorme liefde voor de wetenschap. Ze wilden hun gedrag ver aanpassen om wetenschap te kunnen bedrijven. Daar valt ook het controleren van hun agressie onder. Het werd niet geaccepteerd als een vrouw even competitief was als een man.”

Als u niet agressief was, wat moest u wel zijn om professor te worden?

“Vrouwen moesten niet proberen bazig te zijn tegen anderen, zeker niet tegen andere vrouwen. Je moest vriendelijk en elegant zijn, aardig tegen iedereen.”

Kwam u tegemoet aan die verwachting?

“Ja, want ik wist dat het moest. Het resultaat was dat ik harder moest werken. Als de secretaresse naar huis was, typte ik mijn eigen artikelen, terwijl zij dat hoorde te doen. Ik deelde de secretaresse met een mannelijke professor. Ze deed altijd zijn werk eerst, pas als er tijd over was deed ze iets voor mij. Op een dag zei ze: ‘Je verdient beter. Maar dit is hoe de wereld in elkaar zit. Natuurlijk doe ik werk voor een man voordat ik iets voor jou doe’.”

Wat zei u tegen haar?

“Dat ik het begreep.”

Dit lijkt niet op de vrouw die in 2005 wegliep toen de directeur van Harvard, Lawrence Summers, zei dat vrouwen minder geschikt waren om wetenschap te bedrijven. Bent u zo veranderd?

“Ik ben veranderd en de wereld ook. Ik heb het over 35 jaar geleden, toen ik begon. Mensen waren niet gewend om vrouwen als leiders te zien. Ik begreep die secretaresse en deed haar werk er gewoon bij. Maar na jaren besef je dat je behoorlijk moe wordt van dat harde werken. Toen ben ik het probleem gaan bestuderen.”

En toen zag u dat mannen en vrouwen op MIT echt een andere behandeling krijgen?

“Lang dacht ik dat het misschien alleen mij overkwam, dat ik me gewoon anders moest gedragen. Maar in al die jaren heb ik heel goed gekeken naar wat met andere vrouwen gebeurde en ik zag dat mannen en vrouwen niet gelijk behandeld worden. Het duurde twintig jaar voor ik zeker wist dat er een ongelijkheid was. Een lange tijd. Daarom denk ik ook dat het probleem niet snel opgelost kan worden. Veel jonge mensen zien het probleem niet.”

Maar dat is er wel?

“Ja. Vrouwen zien het als ze veertig of vijfenveertig zijn en al een positie hebben als professor bijvoorbeeld. Dan zien ze dat ze er minder goed voor staan dan mannen die tegelijk met hen binnenkwamen.”

Noem eens een voorbeeld van ongelijke behandeling.

“Toen ik vijftig was, veranderde ik de richting van mijn onderzoek. Dat was laat voor zo’n radicale verandering. Ik had een microscoop en een kamer nodig, maar die kreeg ik niet. Toen ik alle labs ging meten, zag ik dat ik minder ruimte had dan mannen van mijn leeftijd. Tegelijk had ik geld nodig. In de krant las ik dat een bedrijf veel geld had gegeven aan de universiteit. Professoren konden een aanvraag doen. Dus ik vroeg aan de coördinator van dat programma hoe dat moest. ‘O, dat weet ik niet, daar ben ik nog niet aan begonnen’, zei hij. Maar een mannelijke collega vertelde me dat diezelfde man hem juist had overgehaald mee te doen.”

Weet u zeker dat dat was omdat u een vrouw bent?

“Het heeft me twintig jaar gekost om dat te weten, maar het antwoord is: ja. Als ik mijn werk vergelijk met de man die aangespoord werd, dan doe ik minstens even goed werk. Ik stuurde mijn voorstel, waarin ik vroeg om dertigduizend dollar, toch in. Het bedrijf was zo geïnteresseerd in wat ik wilde doen, dat ze me tien miljoen dollar wilden geven. Dat maakte mijn werk veel makkelijker.”

Vorig jaar werkten aan de TU Delft zes procent vrouwelijke hoogleraren en UHD’s. Hoe is dat op uw instituut?

“Op MIT is gemiddeld twintig procent van de hoogleraren vrouw. Voor de technische afdelingen veertien procent. Toen we tien jaar geleden aan dit probleem gingen werken was het bij ons ongeveer zoals bij de TU.”

Komt de vooruitgang door uw werk?

“Absoluut, van mij en andere vrouwen. In 1999 schreef ik een samenvatting van wat wij dachten dat het probleem was. Dat werd gepubliceerd in de New York Times en onze directeur kreeg enorm veel reacties van vrouwelijke wetenschappers uit het hele land. Hij wilde iets doen om de situatie op MIT te verbeteren en richtte een commissie op om er iets aan te doen.”

U zit in die commissie. Wat veranderde op MIT zodat er meer vrouwelijke professoren kwamen?

“Dat is moeilijk precies te zeggen, maar de decaan speelde een grote rol. Hij gebruikte niet-standaard procedures om meer vrouwen te werven. Als je een voetbalelftal hebt, wacht je niet tot iemand aan je deur komt kloppen en vertelt dat hij wil voetballen. Ook wij zoeken naar talent. Maar de recrutering zoals die voor mannen werkt, werkt niet voor vrouwen. De decaan dacht dat het probleem van ongelijkheid alleen op te lossen was door meer vrouwen in te huren. Dus hij vroeg iedereen naar de slimste vrouwen in zijn onderzoeksveld, pakte het vliegtuig en vroeg haar te komen. Als ze niet wilde verhuizen vanwege haar gezin, dan vroeg hij wat er nodig was om haar man ook te verhuizen.”

Dewis wil de positie van vrouwen in de academische gemeenschap verbeteren vanuit hun eigen, aparte, vrouwennetwerk. Wat vindt u van die strategie?

“Natuurlijk wil je als vrouw gewoon die wereld in stappen. Dat wilde mijn generatie ook. Maar het systeem waar we in wilden passen, liet ons niet zomaar binnen. Toen de eerste vrouwelijke studenten naar MIT kwamen, moesten mensen worden aangewezen om seksuele intimidatie te voorkomen. Dat probleem bestond niet voor er vrouwen het systeem binnenkwamen.”

Maar is het een goede strategie een aparte groep op te richten?

“We hebben op MIT een soort parallelbestuur opgezet met vrouwen. Zij weten wat vrouwen nodig hebben zodat het systeem ook voor hen goed werkt. Bijvoorbeeld tijd om voor hun familie te zorgen en kinderopvang op de campus. Samen met het ‘oude’ bestuur lossen ze de problemen op en daarna kan het parallelle bestuur weer opstappen. Het is als de wieltjes die je op een fiets zet om het te leren. Zodra je kunt fietsen haal je die er weer af. Dat duurt alleen nog wel zeker dertig jaar.”

Moeten vrouwen zelf ook veranderen?

“Als het systeem ontworpen is om goed te functioneren voor iedereen, dan passen de vrouwen er gewoon in. Je moet iets doen om hun talent niet te verliezen.”

Heeft u veel op moeten geven voor uw carrière?

“Ja, ik heb veel opgegeven. Toen ik jong was had ik veel vrienden, ik speelde piano, ik deed van alles. Toen werd ik verliefd op de wetenschap. Ik trouwde jong en toen ik dertig was scheidde ik weer. Toen maakte ik de keuze om me helemaal op de wetenschap te richten. Het was moeilijk om andere dingen op te geven, maar ik kon me wel helemaal verdrinken in wat ik wilde doen.”

Wat zou u zijn geweest als u geen wetenschapper was geworden?

“Ik denk dat ik getrouwd was, kinderen had en een parttime baan. Dat was ook een goed leven geweest, maar wetenschap is erg belangrijk voor me en mijn leven was prachtig als wetenschapster. Daarom doe ik dit werk. Ik wil dat vrouwen wetenschapper worden en dat het voor hen iets makkelijker is dan voor mijn generatie.”
Wie is Nancy Hopkins?

Het netwerk voor vrouwelijke wetenschappers aan de TU Delft, Dewis, hield deze week haar eerste symposium. Op de lijst van sprekers prijkte onder anderen Nancy Hopkins (64). De professor in de biologie van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) doet baanbrekend genetisch onderzoek. Ze werd beroemd om haar onderzoek naar zebravissen. Maar bij het grote publiek werd ze nog bekender toen ze in 2005 wegliep bij een praatje van de directeur van Harvard, Lawrence Summers. Hij beweerde dat vrouwen minder aangeboren talent hebben voor de wetenschap. “Dat vooroordeel maakte me fysiek ziek.” Naast haar genenonderzoek besteedt ze haar tijd al meer dan twintig jaar aan het bevorderen van de gelijkheid van mannen en vrouwen in de academische wereld, met name op MIT. En sinds kort ook aan de man met wie ze deze zomer trouwde, Dinny Adams.

Is er volgens u verschil tussen vrouwelijke en mannelijke wetenschappers?

“Niet in hoe ze wetenschap bedrijven. Wel zijn er verschillen in hun problemen en zorgen.”

Wat zijn typische mannelijke of vrouwelijke zorgen?

“Mannen maken zich zorgen over hoe ze hun carrière vooruit kunnen helpen. Jonge vrouwen zijn meer bezorgd over hoe ze werken op hoog niveau kunnen combineren met een gezin. Ook zie ik verschil in zelfvertrouwen. Vrouwen denken soms dat ze niet te agressief moeten zijn, omdat dit slecht zou zijn voor hun carrière. Maar om succesvol te zijn moet je wel agressief zijn.”

U ziet er niet agressief uit. Heeft u dat wel moeten zijn om te komen waar u nu bent?

“Ik denk dat de vrouwen van mijn generatie een uitzonderlijk uithoudingsvermogen hebben. Ik heb het even over de hele groep, maar ze hebben een enorme liefde voor de wetenschap. Ze wilden hun gedrag ver aanpassen om wetenschap te kunnen bedrijven. Daar valt ook het controleren van hun agressie onder. Het werd niet geaccepteerd als een vrouw even competitief was als een man.”

Als u niet agressief was, wat moest u wel zijn om professor te worden?

“Vrouwen moesten niet proberen bazig te zijn tegen anderen, zeker niet tegen andere vrouwen. Je moest vriendelijk en elegant zijn, aardig tegen iedereen.”

Kwam u tegemoet aan die verwachting?

“Ja, want ik wist dat het moest. Het resultaat was dat ik harder moest werken. Als de secretaresse naar huis was, typte ik mijn eigen artikelen, terwijl zij dat hoorde te doen. Ik deelde de secretaresse met een mannelijke professor. Ze deed altijd zijn werk eerst, pas als er tijd over was deed ze iets voor mij. Op een dag zei ze: ‘Je verdient beter. Maar dit is hoe de wereld in elkaar zit. Natuurlijk doe ik werk voor een man voordat ik iets voor jou doe’.”

Wat zei u tegen haar?

“Dat ik het begreep.”

Dit lijkt niet op de vrouw die in 2005 wegliep toen de directeur van Harvard, Lawrence Summers, zei dat vrouwen minder geschikt waren om wetenschap te bedrijven. Bent u zo veranderd?

“Ik ben veranderd en de wereld ook. Ik heb het over 35 jaar geleden, toen ik begon. Mensen waren niet gewend om vrouwen als leiders te zien. Ik begreep die secretaresse en deed haar werk er gewoon bij. Maar na jaren besef je dat je behoorlijk moe wordt van dat harde werken. Toen ben ik het probleem gaan bestuderen.”

En toen zag u dat mannen en vrouwen op MIT echt een andere behandeling krijgen?

“Lang dacht ik dat het misschien alleen mij overkwam, dat ik me gewoon anders moest gedragen. Maar in al die jaren heb ik heel goed gekeken naar wat met andere vrouwen gebeurde en ik zag dat mannen en vrouwen niet gelijk behandeld worden. Het duurde twintig jaar voor ik zeker wist dat er een ongelijkheid was. Een lange tijd. Daarom denk ik ook dat het probleem niet snel opgelost kan worden. Veel jonge mensen zien het probleem niet.”

Maar dat is er wel?

“Ja. Vrouwen zien het als ze veertig of vijfenveertig zijn en al een positie hebben als professor bijvoorbeeld. Dan zien ze dat ze er minder goed voor staan dan mannen die tegelijk met hen binnenkwamen.”

Noem eens een voorbeeld van ongelijke behandeling.

“Toen ik vijftig was, veranderde ik de richting van mijn onderzoek. Dat was laat voor zo’n radicale verandering. Ik had een microscoop en een kamer nodig, maar die kreeg ik niet. Toen ik alle labs ging meten, zag ik dat ik minder ruimte had dan mannen van mijn leeftijd. Tegelijk had ik geld nodig. In de krant las ik dat een bedrijf veel geld had gegeven aan de universiteit. Professoren konden een aanvraag doen. Dus ik vroeg aan de coördinator van dat programma hoe dat moest. ‘O, dat weet ik niet, daar ben ik nog niet aan begonnen’, zei hij. Maar een mannelijke collega vertelde me dat diezelfde man hem juist had overgehaald mee te doen.”

Weet u zeker dat dat was omdat u een vrouw bent?

“Het heeft me twintig jaar gekost om dat te weten, maar het antwoord is: ja. Als ik mijn werk vergelijk met de man die aangespoord werd, dan doe ik minstens even goed werk. Ik stuurde mijn voorstel, waarin ik vroeg om dertigduizend dollar, toch in. Het bedrijf was zo geïnteresseerd in wat ik wilde doen, dat ze me tien miljoen dollar wilden geven. Dat maakte mijn werk veel makkelijker.”

Vorig jaar werkten aan de TU Delft zes procent vrouwelijke hoogleraren en UHD’s. Hoe is dat op uw instituut?

“Op MIT is gemiddeld twintig procent van de hoogleraren vrouw. Voor de technische afdelingen veertien procent. Toen we tien jaar geleden aan dit probleem gingen werken was het bij ons ongeveer zoals bij de TU.”

Komt de vooruitgang door uw werk?

“Absoluut, van mij en andere vrouwen. In 1999 schreef ik een samenvatting van wat wij dachten dat het probleem was. Dat werd gepubliceerd in de New York Times en onze directeur kreeg enorm veel reacties van vrouwelijke wetenschappers uit het hele land. Hij wilde iets doen om de situatie op MIT te verbeteren en richtte een commissie op om er iets aan te doen.”

U zit in die commissie. Wat veranderde op MIT zodat er meer vrouwelijke professoren kwamen?

“Dat is moeilijk precies te zeggen, maar de decaan speelde een grote rol. Hij gebruikte niet-standaard procedures om meer vrouwen te werven. Als je een voetbalelftal hebt, wacht je niet tot iemand aan je deur komt kloppen en vertelt dat hij wil voetballen. Ook wij zoeken naar talent. Maar de recrutering zoals die voor mannen werkt, werkt niet voor vrouwen. De decaan dacht dat het probleem van ongelijkheid alleen op te lossen was door meer vrouwen in te huren. Dus hij vroeg iedereen naar de slimste vrouwen in zijn onderzoeksveld, pakte het vliegtuig en vroeg haar te komen. Als ze niet wilde verhuizen vanwege haar gezin, dan vroeg hij wat er nodig was om haar man ook te verhuizen.”

Dewis wil de positie van vrouwen in de academische gemeenschap verbeteren vanuit hun eigen, aparte, vrouwennetwerk. Wat vindt u van die strategie?

“Natuurlijk wil je als vrouw gewoon die wereld in stappen. Dat wilde mijn generatie ook. Maar het systeem waar we in wilden passen, liet ons niet zomaar binnen. Toen de eerste vrouwelijke studenten naar MIT kwamen, moesten mensen worden aangewezen om seksuele intimidatie te voorkomen. Dat probleem bestond niet voor er vrouwen het systeem binnenkwamen.”

Maar is het een goede strategie een aparte groep op te richten?

“We hebben op MIT een soort parallelbestuur opgezet met vrouwen. Zij weten wat vrouwen nodig hebben zodat het systeem ook voor hen goed werkt. Bijvoorbeeld tijd om voor hun familie te zorgen en kinderopvang op de campus. Samen met het ‘oude’ bestuur lossen ze de problemen op en daarna kan het parallelle bestuur weer opstappen. Het is als de wieltjes die je op een fiets zet om het te leren. Zodra je kunt fietsen haal je die er weer af. Dat duurt alleen nog wel zeker dertig jaar.”

Moeten vrouwen zelf ook veranderen?

“Als het systeem ontworpen is om goed te functioneren voor iedereen, dan passen de vrouwen er gewoon in. Je moet iets doen om hun talent niet te verliezen.”

Heeft u veel op moeten geven voor uw carrière?

“Ja, ik heb veel opgegeven. Toen ik jong was had ik veel vrienden, ik speelde piano, ik deed van alles. Toen werd ik verliefd op de wetenschap. Ik trouwde jong en toen ik dertig was scheidde ik weer. Toen maakte ik de keuze om me helemaal op de wetenschap te richten. Het was moeilijk om andere dingen op te geven, maar ik kon me wel helemaal verdrinken in wat ik wilde doen.”

Wat zou u zijn geweest als u geen wetenschapper was geworden?

“Ik denk dat ik getrouwd was, kinderen had en een parttime baan. Dat was ook een goed leven geweest, maar wetenschap is erg belangrijk voor me en mijn leven was prachtig als wetenschapster. Daarom doe ik dit werk. Ik wil dat vrouwen wetenschapper worden en dat het voor hen iets makkelijker is dan voor mijn generatie.”
Wie is Nancy Hopkins?

Het netwerk voor vrouwelijke wetenschappers aan de TU Delft, Dewis, hield deze week haar eerste symposium. Op de lijst van sprekers prijkte onder anderen Nancy Hopkins (64). De professor in de biologie van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) doet baanbrekend genetisch onderzoek. Ze werd beroemd om haar onderzoek naar zebravissen. Maar bij het grote publiek werd ze nog bekender toen ze in 2005 wegliep bij een praatje van de directeur van Harvard, Lawrence Summers. Hij beweerde dat vrouwen minder aangeboren talent hebben voor de wetenschap. “Dat vooroordeel maakte me fysiek ziek.” Naast haar genenonderzoek besteedt ze haar tijd al meer dan twintig jaar aan het bevorderen van de gelijkheid van mannen en vrouwen in de academische wereld, met name op MIT. En sinds kort ook aan de man met wie ze deze zomer trouwde, Dinny Adams.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.