Schrijver-bioloog en kunstliefhebber Tijs Goldschmidt maakt deze maand zijn entree aan de TU Delft, als gastschrijver. "Ik ben er op tegen dat sommige technologen zeggen: die snelle bevolkingsgroei lossen we wel op, we vinden wel een manier om iedereen te voeden en te laten overleven."
‘Een loopbaan in de wetenschap, Niko Tinbergen achterna’, zo benoemde u uw ambitie destijds in uw boek ‘Darwins Hofvijver’. Wat deed u van gedachten veranderen?
“Ik ben een groot bewonderaar van het werk van Tinbergen, maar ik ontdekte dat schrijven veel beter bij me past. Als onderzoeker kun je nooit iets persoonlijks zeggen, of iets grappigs opschrijven. Het gaat eigenlijk alleen over de inhoud, en niet over de manier waarop iets wordt gezegd. Misschien ben ik ook wel gaan schrijven om alleen te kunnen zijn, om niet een radertje te zijn in een onderzoeksorganisatie, te verzuipen in een maalstroom van verplichtingen en vergaderingen en bestuurswerk. Als je ouder wordt als onderzoeker, doe je steeds meer oneigenlijk werk. Wat doet iemand van boven de veertig nu nog aan onderzoek? Een uur per dag, misschien. Ik ben blij dat ik de stap heb genomen om te proberen persoonlijk te schrijven.”
Wat schiet u te binnen als ik zeg: TU Delft?
“Dan denk ik aan vliegtuigbouwers en civiel-ingenieurs. Aan technische mensen die door zich sterk te richten op een ogenschijnlijk vrij klein onderwerp toch heel belangrijke problemen kunnen oplossen. Knutselaars, eigenlijk. Veel beton en weinig poëzie vermoed ik, maar misschien zijn dat vooroordelen.”
Je zou zeggen: techniek, dat is de natuurlijke vijand van de schrijver-bioloog Tijs Goldschmidt. De techniek heeft de natuur immers danig ontwricht.
“Nou… De oogkleppen van technologen, da’t zijn de vijanden van Tijs Goldschmidt. Ik ben niet antitechniek, ik ben niet zo iemand die vindt dat we nog als jagers en verzamelaars hadden moeten leven. Ik heb bij de Papoea’s gezien wat voor ellende dat is. Ik ben er op tegen dat de wereldbevolking zo hard groeit. En ik ben er ook op tegen dat sommige technologen dan zeggen: dat lossen we wel op, we vinden wel een manier om iedereen te voeden en te laten overleven. Dat vind ik een heel vervelende benadering. Ik zou eerder zeggen: doe eens iets aan geboortebeperking. Volgens mij worden de problemen die er zijn daardoor veroorzaakt. Bekeer de bisschoppen en de imams, zou ik zeggen.”
Maar die bevolkingsexplosie komt ook door de techniek.
“Dat is zo. Maar je kunt niet… Het is gewoon onzin om daarom maar tegen techniek te zijn. Ik zou zeggen: probeer met techniek de problemen die er zijn zo goed mogelijk aan te pakken. Zoals met anticonceptie.”
Dus de techniek zal ons de komende jaren verder helpen?
“Dat denk ik wel, ja.”
Of verder de verdoemenis in?
Lacht: “Dat ook, ja. Er zullen ook vreselijke rampen gebeuren.”
In Tanzania was u er getuige van hoe het Victoriameer door menselijk ingrijpen verschraalde van een rijk ecosysteem tot een productiemeer met alleen maar nijlbaarzen erin voor de consumptie. Vooruitgang, of een ramp?
“Nou, ik zit altijd wel aan de natuurbeschermerskant, in die zin ben ik conservatief. Die honderden vissoorten die we daar aanvankelijk vonden zitten stuk voor stuk vol evolutionaire aanpassingen die duiden op een ervaring met de wereld die de menselijke soort gewoonweg niet heeft. Ik vind dat je daarop zuinig moet zijn. Maar als je het aan een Afrikaan vraagt, zegt ‘ie: de introductie van de nijlbaars was fantastisch. We hebben eraan verdiend, de export ervan is even belangrijk geworden als de export van koffie. Dat daarvoor een paar honderd vissoorten zijn verdwenen, nou, dat is dan jammer.”
Over evolutie gesproken: ik had verwacht dat u bij de naam ‘TU Delft’ ook direct aan intelligent design zou denken, de gedachte dat de evolutie van hogerhand wordt bijgestuurd. Die theorie zorgde vorig jaar voor veel ophef, nadat onderzoekers uit onder meer Delft haar in Nederland introduceerden.
“Ik zie er helemaal niets in. Eerlijk gezegd heb ik mij afgevraagd: moet ik hierop reageren met een stuk in NRC Handelsblad? Maar ik vind het eigenlijk vervelend om zoiets serieus te nemen. Het is een herhaling van zetten die al zó lang gaande is: dat complexe structuren volgens het mechanisme van Darwin niet kunnen ontstaan. Terwijl het in talloze gevallen is aangetoond dat dat wel degelijk kan. Vaak begrijpen deze mensen gewoon de evolutietheorie niet. Nou ja, Cees Dekker mogelijk wel, maar ik vermoed toch dat hij vooral moeite heeft zich los te maken van een strengchristelijke opvoeding. Hij heeft nog altijd de behoefte om te zoeken naar iets hogers.” Nijdig: “En dan zo’n minister van onderwijs die meent dat hierover in de biologieles moet worden gedebatteerd! Schrijf maar op dat ik het schandelijk vind.”
Toch is de onderliggende kritiek oprecht. Biologen als Richard Dawkins zouden de wetenschap misbruiken om een atheïstisch standpunt uit te dragen, van een kille, amorele natuur.
“Ik vind dat Dawkins wel ver gaat in zijn afkeer van godsdienst. Als mensen steun hebben aan een geloof en er anderen niet mee lastigvallen, laat ik ze graag in hun waarde.”
Dat klinkt denigrerend. Zo van: gun die gelovigen hun verzetje. Maar volgt er echt een kil en amoreel standpunt uit de biologie?
“Dawkins ziet in de kille, grotendeels amorele natuur geen rechtvaardiging voor de mens om in dezelfde geest te handelen. Integendeel! Bovendien heeft onder anderen Frans de Waal overtuigend laten zien dat de oorsprong van moreel denken al aanwezig is bij allerlei primaten en andere beesten, die zich heel anders gedragen dan ze op grond van een sociobiologisch schema zouden horen te doen. Dus niet kil, keihard en zonder gevoel voor anderen . maar echt empathisch, en zonder dat ze er, voor zover bekend, zelf enig voordeel van hebben. Je denkt: de natuur is wreed, een aap die zonder ledematen wordt geboren of die gewond raakt, gaat dood. Maar toch zie je dat zulke dieren door hun soortgenoten worden geholpen. Je ziet altruïsme. Je zou bijna zeggen: dit zijn christelijke apen, dit is naastenliefde. Die beesten verplaatsen zich in anderen, hebben mededogen met de zwakkeren, zijn verdraagzaam, laten elkaar niet stikken. Dat vind ik heel bemoedigend.”
Het leven is dus meer dan schroefjes en boutjes?
“Schroefjes en boutjes sluiten het evolutionair ontstaan van empathie, verdraagzaamheid en troost in elk geval niet uit. En voor mijzelf geldt dat een reductionistische benadering schoonheidsbeleving niet uitsluit.”
Over schoonheid gesproken. Het thema van uw gastschrijverschap is het Duitse openluchtmuseum Eiland Hombroich. Wat is daar te zien?
“Het is een bijzondere plek. Je bent een dag van de wereld en je ziet allemaal schitterende dingen. Het museum bestaat uit een parkachtig landschap met allemaal bijzondere paviljoens, waarin de kunst is tentoongesteld. Er zijn op veel plekken geen deuren in de gebouwen. Dat is dus heel raar: dat je zo van buiten naar binnen loopt. Bewakers zijn er niet. Soms zit je een halfuur in je eentje in zo’n zaal met kunst, zonder iemand te zien. Ik geloof dat er ook geen elektrisch licht is. Op een gegeven moment wordt het te donker, dan gaat het museum dicht. En er staan echt de mooiste dingen. Je vindt er niet alleen maar de moderne kunst van Kurt Schwitters en Hans Arp, maar ook prehistorische idolen, Chinees keramiek en Khmerbeelden uit de dertiende eeuw.”
Waarom dit thema voor deze universiteit?
“Een overweging was: TU-studenten zijn meestal harde bèta’s. Die leren denken volgens een ijzeren logica, en ze zijn daar ook de hele dag mee bezig. Het gastschrijverschap is toch bedoeld om mensen wat los te weken uit hun dagelijkse routine. Bij het kijken naar kunst komen heel andere aspecten aan de orde.” Hij schiet in de lach: “Het leek mij nuttig voor ze om vaag te leren denken.”
Waarom eigenlijk?
“Ik heb veel aan mijzelf gehad als voorbeeld, ik dacht vroeger ook als een bèta. En ik heb ontdekt hoe opwindend het kan zijn om ook eens een andere benadering te volgen. Als je naar kunst kijkt, hoef je niks te bewijzen. Een kunstwerk hoeft niet logisch in elkaar te zitten. Je moet het vooral ondergaan, in plaats van analyseren. Als je nog niet veel ervaring hebt met het kijken naar kunst, is het mooi om juist op Hombroich terecht te komen. Ik had het zelf graag als onderwijs gehad.”
WIE IS TIJS GOLDSCHMIDT?
Tijs Goldschmidt (1953) reisde in de jaren tachtig naar Tanzania om er voor zijn promotie in de biologie vissoorten te bestuderen. Dat pakte anders uit: voor zijn ogen verdwenen de bijzondere vissen. Opgegeten en verdreven door de door de mens geïntroduceerde consumptievis de nijlbaars. In 1994 zou hij er de bestseller ‘Darwins Hofvijver’ over schrijven, een boek dat in talloze talen werd vertaald en onder meer werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Goldschmidt besloot zijn leven aan de pen te wijden. Hij werd essayist voor NRC Handelsblad, bracht de essaybundel ‘Oversprongen’ uit en het boekje ‘De andere linkerkant’. Daarnaast stelde hij onder meer de fototentoonstelling ‘Wegkijken’ samen, was hij een van VPRO’s Zomergasten en hield hij tal van lezingen. Goldschmidts handelskenmerk is zijn bijzondere stijl: humoristisch, literair, sociaal betrokken, populair-wetenschappelijk en doordacht. De afgelopen maanden was Goldschmidt writer-in-residence aan het Netherlands Institute for Advanced Studies (Nias) in Wassenaar. In alle rust werkte hij daar aan zijn nieuwe boek, over een inheems volk van Papua Nieuw Guinea, de Asmat.
(Foto’s: Sake Elzinga)
‘Een loopbaan in de wetenschap, Niko Tinbergen achterna’, zo benoemde u uw ambitie destijds in uw boek ‘Darwins Hofvijver’. Wat deed u van gedachten veranderen?
“Ik ben een groot bewonderaar van het werk van Tinbergen, maar ik ontdekte dat schrijven veel beter bij me past. Als onderzoeker kun je nooit iets persoonlijks zeggen, of iets grappigs opschrijven. Het gaat eigenlijk alleen over de inhoud, en niet over de manier waarop iets wordt gezegd. Misschien ben ik ook wel gaan schrijven om alleen te kunnen zijn, om niet een radertje te zijn in een onderzoeksorganisatie, te verzuipen in een maalstroom van verplichtingen en vergaderingen en bestuurswerk. Als je ouder wordt als onderzoeker, doe je steeds meer oneigenlijk werk. Wat doet iemand van boven de veertig nu nog aan onderzoek? Een uur per dag, misschien. Ik ben blij dat ik de stap heb genomen om te proberen persoonlijk te schrijven.”
Wat schiet u te binnen als ik zeg: TU Delft?
“Dan denk ik aan vliegtuigbouwers en civiel-ingenieurs. Aan technische mensen die door zich sterk te richten op een ogenschijnlijk vrij klein onderwerp toch heel belangrijke problemen kunnen oplossen. Knutselaars, eigenlijk. Veel beton en weinig poëzie vermoed ik, maar misschien zijn dat vooroordelen.”
Je zou zeggen: techniek, dat is de natuurlijke vijand van de schrijver-bioloog Tijs Goldschmidt. De techniek heeft de natuur immers danig ontwricht.
“Nou… De oogkleppen van technologen, da’t zijn de vijanden van Tijs Goldschmidt. Ik ben niet antitechniek, ik ben niet zo iemand die vindt dat we nog als jagers en verzamelaars hadden moeten leven. Ik heb bij de Papoea’s gezien wat voor ellende dat is. Ik ben er op tegen dat de wereldbevolking zo hard groeit. En ik ben er ook op tegen dat sommige technologen dan zeggen: dat lossen we wel op, we vinden wel een manier om iedereen te voeden en te laten overleven. Dat vind ik een heel vervelende benadering. Ik zou eerder zeggen: doe eens iets aan geboortebeperking. Volgens mij worden de problemen die er zijn daardoor veroorzaakt. Bekeer de bisschoppen en de imams, zou ik zeggen.”
Maar die bevolkingsexplosie komt ook door de techniek.
“Dat is zo. Maar je kunt niet… Het is gewoon onzin om daarom maar tegen techniek te zijn. Ik zou zeggen: probeer met techniek de problemen die er zijn zo goed mogelijk aan te pakken. Zoals met anticonceptie.”
Dus de techniek zal ons de komende jaren verder helpen?
“Dat denk ik wel, ja.”
Of verder de verdoemenis in?
Lacht: “Dat ook, ja. Er zullen ook vreselijke rampen gebeuren.”
In Tanzania was u er getuige van hoe het Victoriameer door menselijk ingrijpen verschraalde van een rijk ecosysteem tot een productiemeer met alleen maar nijlbaarzen erin voor de consumptie. Vooruitgang, of een ramp?
“Nou, ik zit altijd wel aan de natuurbeschermerskant, in die zin ben ik conservatief. Die honderden vissoorten die we daar aanvankelijk vonden zitten stuk voor stuk vol evolutionaire aanpassingen die duiden op een ervaring met de wereld die de menselijke soort gewoonweg niet heeft. Ik vind dat je daarop zuinig moet zijn. Maar als je het aan een Afrikaan vraagt, zegt ‘ie: de introductie van de nijlbaars was fantastisch. We hebben eraan verdiend, de export ervan is even belangrijk geworden als de export van koffie. Dat daarvoor een paar honderd vissoorten zijn verdwenen, nou, dat is dan jammer.”
Over evolutie gesproken: ik had verwacht dat u bij de naam ‘TU Delft’ ook direct aan intelligent design zou denken, de gedachte dat de evolutie van hogerhand wordt bijgestuurd. Die theorie zorgde vorig jaar voor veel ophef, nadat onderzoekers uit onder meer Delft haar in Nederland introduceerden.
“Ik zie er helemaal niets in. Eerlijk gezegd heb ik mij afgevraagd: moet ik hierop reageren met een stuk in NRC Handelsblad? Maar ik vind het eigenlijk vervelend om zoiets serieus te nemen. Het is een herhaling van zetten die al zó lang gaande is: dat complexe structuren volgens het mechanisme van Darwin niet kunnen ontstaan. Terwijl het in talloze gevallen is aangetoond dat dat wel degelijk kan. Vaak begrijpen deze mensen gewoon de evolutietheorie niet. Nou ja, Cees Dekker mogelijk wel, maar ik vermoed toch dat hij vooral moeite heeft zich los te maken van een strengchristelijke opvoeding. Hij heeft nog altijd de behoefte om te zoeken naar iets hogers.” Nijdig: “En dan zo’n minister van onderwijs die meent dat hierover in de biologieles moet worden gedebatteerd! Schrijf maar op dat ik het schandelijk vind.”
Toch is de onderliggende kritiek oprecht. Biologen als Richard Dawkins zouden de wetenschap misbruiken om een atheïstisch standpunt uit te dragen, van een kille, amorele natuur.
“Ik vind dat Dawkins wel ver gaat in zijn afkeer van godsdienst. Als mensen steun hebben aan een geloof en er anderen niet mee lastigvallen, laat ik ze graag in hun waarde.”
Dat klinkt denigrerend. Zo van: gun die gelovigen hun verzetje. Maar volgt er echt een kil en amoreel standpunt uit de biologie?
“Dawkins ziet in de kille, grotendeels amorele natuur geen rechtvaardiging voor de mens om in dezelfde geest te handelen. Integendeel! Bovendien heeft onder anderen Frans de Waal overtuigend laten zien dat de oorsprong van moreel denken al aanwezig is bij allerlei primaten en andere beesten, die zich heel anders gedragen dan ze op grond van een sociobiologisch schema zouden horen te doen. Dus niet kil, keihard en zonder gevoel voor anderen . maar echt empathisch, en zonder dat ze er, voor zover bekend, zelf enig voordeel van hebben. Je denkt: de natuur is wreed, een aap die zonder ledematen wordt geboren of die gewond raakt, gaat dood. Maar toch zie je dat zulke dieren door hun soortgenoten worden geholpen. Je ziet altruïsme. Je zou bijna zeggen: dit zijn christelijke apen, dit is naastenliefde. Die beesten verplaatsen zich in anderen, hebben mededogen met de zwakkeren, zijn verdraagzaam, laten elkaar niet stikken. Dat vind ik heel bemoedigend.”
Het leven is dus meer dan schroefjes en boutjes?
“Schroefjes en boutjes sluiten het evolutionair ontstaan van empathie, verdraagzaamheid en troost in elk geval niet uit. En voor mijzelf geldt dat een reductionistische benadering schoonheidsbeleving niet uitsluit.”
Over schoonheid gesproken. Het thema van uw gastschrijverschap is het Duitse openluchtmuseum Eiland Hombroich. Wat is daar te zien?
“Het is een bijzondere plek. Je bent een dag van de wereld en je ziet allemaal schitterende dingen. Het museum bestaat uit een parkachtig landschap met allemaal bijzondere paviljoens, waarin de kunst is tentoongesteld. Er zijn op veel plekken geen deuren in de gebouwen. Dat is dus heel raar: dat je zo van buiten naar binnen loopt. Bewakers zijn er niet. Soms zit je een halfuur in je eentje in zo’n zaal met kunst, zonder iemand te zien. Ik geloof dat er ook geen elektrisch licht is. Op een gegeven moment wordt het te donker, dan gaat het museum dicht. En er staan echt de mooiste dingen. Je vindt er niet alleen maar de moderne kunst van Kurt Schwitters en Hans Arp, maar ook prehistorische idolen, Chinees keramiek en Khmerbeelden uit de dertiende eeuw.”
Waarom dit thema voor deze universiteit?
“Een overweging was: TU-studenten zijn meestal harde bèta’s. Die leren denken volgens een ijzeren logica, en ze zijn daar ook de hele dag mee bezig. Het gastschrijverschap is toch bedoeld om mensen wat los te weken uit hun dagelijkse routine. Bij het kijken naar kunst komen heel andere aspecten aan de orde.” Hij schiet in de lach: “Het leek mij nuttig voor ze om vaag te leren denken.”
Waarom eigenlijk?
“Ik heb veel aan mijzelf gehad als voorbeeld, ik dacht vroeger ook als een bèta. En ik heb ontdekt hoe opwindend het kan zijn om ook eens een andere benadering te volgen. Als je naar kunst kijkt, hoef je niks te bewijzen. Een kunstwerk hoeft niet logisch in elkaar te zitten. Je moet het vooral ondergaan, in plaats van analyseren. Als je nog niet veel ervaring hebt met het kijken naar kunst, is het mooi om juist op Hombroich terecht te komen. Ik had het zelf graag als onderwijs gehad.”
WIE IS TIJS GOLDSCHMIDT?
Tijs Goldschmidt (1953) reisde in de jaren tachtig naar Tanzania om er voor zijn promotie in de biologie vissoorten te bestuderen. Dat pakte anders uit: voor zijn ogen verdwenen de bijzondere vissen. Opgegeten en verdreven door de door de mens geïntroduceerde consumptievis de nijlbaars. In 1994 zou hij er de bestseller ‘Darwins Hofvijver’ over schrijven, een boek dat in talloze talen werd vertaald en onder meer werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Goldschmidt besloot zijn leven aan de pen te wijden. Hij werd essayist voor NRC Handelsblad, bracht de essaybundel ‘Oversprongen’ uit en het boekje ‘De andere linkerkant’. Daarnaast stelde hij onder meer de fototentoonstelling ‘Wegkijken’ samen, was hij een van VPRO’s Zomergasten en hield hij tal van lezingen. Goldschmidts handelskenmerk is zijn bijzondere stijl: humoristisch, literair, sociaal betrokken, populair-wetenschappelijk en doordacht. De afgelopen maanden was Goldschmidt writer-in-residence aan het Netherlands Institute for Advanced Studies (Nias) in Wassenaar. In alle rust werkte hij daar aan zijn nieuwe boek, over een inheems volk van Papua Nieuw Guinea, de Asmat.
(Foto’s: Sake Elzinga)

Comments are closed.