Wetenschappers op de TU Delft lopen niet warm voor de ambitieuze doelstellingen voor 2008. Met ‘zeepkistbijeenkomsten’ wil het college daar verandering in brengen.
Een verhoging van het studierendement van de masteropleidingen met 90 procent, 25 procent meer octrooien, 20 procent meer promovendi. Het is een bescheiden greep uit de doelstellingen van de TU Delft voor de periode 2005-2008, zoals die zijn geformuleerd in het op verzoek van het ministerie van onderwijs opgestelde instellingsplan. Maar afgezien van de managementteams op de faculteiten kennen wetenschappers die doelstellingen nauwelijks. Die conclusie staat in het recent verschenen rapport over het allocatiemodel van de TU Delft. De opstellers van het rapport baseren hun conclusie op gesprekken met decanen en hoogleraren.
Voor zover wetenschappers wel bekend zijn met de doelstellingen, beschouwen ze die als ‘onrealistisch’ en ‘door managers bedacht’. De doelen zouden niets met wetenschappelijke kwaliteit te maken hebben. “Wetenschappers redeneren vanuit eigen onderwijs en onderzoek, niet vanuit de plannen”, aldus het rapport.
Collegevoorzitter Hans van Luijk constateert dat er bij het wetenschappelijk personeel ‘een gebrek aan betrokkenheid’ bestaat waar het de doelstellingen betreft. “Er is een informatiekloof. Daarom gaan we als college van bestuur vanaf half april de faculteiten in om met de wetenschappers over de plannen te praten.”
Tijdens een vergadering van college, studentenraad (sr) en ondernemingsraad (or) over het rapport was er veel aandacht voor een doelstelling die de TU Delft ondanks een offensief op onderwijsgebied niet lijkt te gaan halen: het fors opschroeven van het aantal studenten dat zonder studievertraging een diploma haalt. Uit het rapport blijkt dat voor het gros van de Delftse studenten het aantal per jaar behaalde studiepunten in de periode 2000-2004 vrijwel gelijk is gebleven. Bij zo’n studietempo zal de gemiddelde studie meer dan acht jaar duren, berekenen de opstellers. En dat terwijl het nog in te voeren systeem van leerrechten langer studeren financieel onaantrekkelijker maakt.
“Die horizontale grafiek over behaalde studiepunten heeft ons de ogen geopend”, zei prof.dr.ir. Peter Wieringa (3mE), voorzitter van het team dat het rapport heeft opgesteld. “De onderwijstak van de TU Delft krijgt nu geld voor de prestaties van de studenten. Misschien zou ook gekeken moeten worden naar de kwaliteit van de docenten.”
Van Luijk bleek het eens met de opmerking van or-lid Linda Roos dat er met het model om geld onder het onderwijs te verdelen ‘nog veel mis gaat’. Van Luijk: “We hebben de laatste jaren de druk opgevoerd, maar het onderbouwgebouw is taai, complex en lastig te moderniseren.”
Meer geld is volgens Van Luijk niet de manier om de kwaliteit of het rendement van het onderwijs te verhogen. “Je ziet nu al dat men moeite heeft om al het geld te besteden.”
Oras-fractievoorzitter Suze Ann Bakker wilde weten wat de afweging was om kleinere masteropleidingen wel of niet te financieren. Zowel or als sr constateren wildgroei. Bakker: “Bij TBM zie je veel masters die sterk op elkaar lijken.” Twintig studenten is de kritieke grens, vertelde Van Luijk. “Lukt dat niet, dan gaan we met de decanen praten over een variant of een samenvoeging met andere masters.”
Een verhoging van het studierendement van de masteropleidingen met 90 procent, 25 procent meer octrooien, 20 procent meer promovendi. Het is een bescheiden greep uit de doelstellingen van de TU Delft voor de periode 2005-2008, zoals die zijn geformuleerd in het op verzoek van het ministerie van onderwijs opgestelde instellingsplan. Maar afgezien van de managementteams op de faculteiten kennen wetenschappers die doelstellingen nauwelijks. Die conclusie staat in het recent verschenen rapport over het allocatiemodel van de TU Delft. De opstellers van het rapport baseren hun conclusie op gesprekken met decanen en hoogleraren.
Voor zover wetenschappers wel bekend zijn met de doelstellingen, beschouwen ze die als ‘onrealistisch’ en ‘door managers bedacht’. De doelen zouden niets met wetenschappelijke kwaliteit te maken hebben. “Wetenschappers redeneren vanuit eigen onderwijs en onderzoek, niet vanuit de plannen”, aldus het rapport.
Collegevoorzitter Hans van Luijk constateert dat er bij het wetenschappelijk personeel ‘een gebrek aan betrokkenheid’ bestaat waar het de doelstellingen betreft. “Er is een informatiekloof. Daarom gaan we als college van bestuur vanaf half april de faculteiten in om met de wetenschappers over de plannen te praten.”
Tijdens een vergadering van college, studentenraad (sr) en ondernemingsraad (or) over het rapport was er veel aandacht voor een doelstelling die de TU Delft ondanks een offensief op onderwijsgebied niet lijkt te gaan halen: het fors opschroeven van het aantal studenten dat zonder studievertraging een diploma haalt. Uit het rapport blijkt dat voor het gros van de Delftse studenten het aantal per jaar behaalde studiepunten in de periode 2000-2004 vrijwel gelijk is gebleven. Bij zo’n studietempo zal de gemiddelde studie meer dan acht jaar duren, berekenen de opstellers. En dat terwijl het nog in te voeren systeem van leerrechten langer studeren financieel onaantrekkelijker maakt.
“Die horizontale grafiek over behaalde studiepunten heeft ons de ogen geopend”, zei prof.dr.ir. Peter Wieringa (3mE), voorzitter van het team dat het rapport heeft opgesteld. “De onderwijstak van de TU Delft krijgt nu geld voor de prestaties van de studenten. Misschien zou ook gekeken moeten worden naar de kwaliteit van de docenten.”
Van Luijk bleek het eens met de opmerking van or-lid Linda Roos dat er met het model om geld onder het onderwijs te verdelen ‘nog veel mis gaat’. Van Luijk: “We hebben de laatste jaren de druk opgevoerd, maar het onderbouwgebouw is taai, complex en lastig te moderniseren.”
Meer geld is volgens Van Luijk niet de manier om de kwaliteit of het rendement van het onderwijs te verhogen. “Je ziet nu al dat men moeite heeft om al het geld te besteden.”
Oras-fractievoorzitter Suze Ann Bakker wilde weten wat de afweging was om kleinere masteropleidingen wel of niet te financieren. Zowel or als sr constateren wildgroei. Bakker: “Bij TBM zie je veel masters die sterk op elkaar lijken.” Twintig studenten is de kritieke grens, vertelde Van Luijk. “Lukt dat niet, dan gaan we met de decanen praten over een variant of een samenvoeging met andere masters.”
Comments are closed.