Onderwijs

‘Hoogleraren komen te weinig aan begeleiding toe’

Promovendi zijn lang niet altijd solisten, stelt de nieuwe Promood-voorzitter Frederik de Wit. "Veel problemen die ik tegenkom zijn te ingewikkeld om in mijn eentje op te lossen.

In 2001 won je met een nieuwe, tegendraadse partij net geen zetel in de studentenraad. Je vond AAG en Oras te braaf. Als Promood-voorzitter lig je niet op een ramkoers met het college van bestuur. Milder geworden?

“Nee. Ik vond en vind dat de studentenraad zich te veel bezig hield met trivialiteiten, en te afhankelijk was van de TU Delft om veel invloed uit te kunnen oefenen. Promood staat sterker, ook al worden we door de TU Delft ‘gesponsord’. We vertegenwoordigen werknemers en die hebben meer harde, in een contract vastgelegde rechten dan studenten. Binnen het huidige Promood-bestuur vullen we elkaar goed aan. Ik weet dat ik ongenuanceerd uit de hoek kan komen. In mijn enthousiasme ren ik soms aan details voorbij. De anderen zijn bedachtzamer.”

Je promotieonderzoek bij het Netherlands Institute for Metals Research (NIMR) ligt in het verlengde van je afstudeeronderzoek bij de sectie corrosietechnologie en elektrochemie (Technische Natuurwetenschappen). Waar houd je je precies mee bezig?

“De manier waarop . op moleculair niveau . coatings zich hechten aan bijvoorbeeld aluminium. Mijn voorganger op het NIMR, die inmiddels bij Fuji werkt, had oorspronkelijk een heel toepassingsgericht onderzoek in gedachten, maar naarmate hij vorderde kwam het accent meer op fundamenteel onderzoek te liggen.”

Je had na je afstuderen kunnen kiezen voor het bedrijfsleven. Wat trok je zo aan in promoveren?

“De vrijheid om je nieuwsgierigheid te volgen. Na mijn afstuderen merkte ik dat er nog genoeg zaken waren die ik wilde uitzoeken.”

Omdat het NIMR nauw samenwerkt met industriële partners als Stork en Corus moet jij ieder kwartaal rapportage uitbrengen over je onderzoek, vaker dan de gemiddelde promovendus. Hoe bevalt dat?

“Het dwingt je om elke drie maanden te evalueren wat je de afgelopen maanden heb gedaan en bereikt. Dat is nuttig.”

Voel je de druk van industriële partners om met bruikbare onderzoeksresultaten te komen?

“Natuurlijk bestaan er verwachtingen, maar iedereen beseft dat dit onderzoek van de langere adem is. Er zijn nog zoveel vragen. We verven aluminium, maar we snappen niet hoe dat proces van hechting precies werkt. Een beter begrip zou uiteindelijk moeten leiden tot betere producten.”

Heb je overwogen om in het buitenland te promoveren?

“Ik had kunnen promoveren bij het Max Planck Institut fúr Eisenforschung in Dússeldorf, waar ik vier maanden stage heb gelopen. Maar in Duitsland is de verhouding tussen hoogleraar en promovendus hiërarchischer: je wordt gezien als een soort ‘student in verlengingstijd’. In Duitsland kan de hoogleraar altijd een beroep op je doen, ook als je druk bezig bent met je proefschrift. Bovendien is in Duitsland het salaris van een promovendus lager. En je moet binnen drie jaar promoveren.”

Zou je als onderzoeker na je promotie in Delft willen blijven werken?

“Nee. Dat geldt voor het leeuwendeel van de promovendi: ze weten dat het niet goed is voor je loopbaan om op dezelfde universiteit te blijven. Misschien ben ik over drie jaar de academische wereld wel helemaal zat. Wie weet stuit ik tijdens mijn onderzoek op een idee dat als basis kan dienen voor een bedrijf. Promovendi met een eigen bedrijf kunnen een interessante partner zijn voor de industrie, omdat ze door hun kennis geavanceerd onderzoek kunnen doen waar een bedrijf zelf geen tijd voor heeft. En als wetenschapper heb je je al enigszins bewezen, dus je zit toch zelfverzekerder tegenover een hoofd van een afdeling research & development. Ik ken voorbeelden: een scheikundige technoloog in mijn vakgroep heeft een eigen fulltime bedrijf. Hij maakt gebruik van de faciliteiten hier, en praat natuurlijk met ons over zijn projecten. De kennis stroomt twee kanten op, zou je kunnen zeggen. En de vakgroep kan afstudeerders bij zijn bedrijf kwijt.

Het is lastig om te voorspellen wat ik over ruim drie jaar ga doen. Onderzoek spreekt me aan, maar onderwijs ook. Ik gaf op de middelbare school al bijles. Het is leuk om studenten bij practica te ondersteunen. En ik begeleid een afstudeerder, die een paar jaar ouder is dan ik en zijn studie in Delft combineert met een baan bij de marine. Juist omdat hij al veel werkervaring heeft, moest hij de rust vinden om te bepalen hoe zijn onderzoek ging aanpakken. Dan kun je als begeleider een nuttige rol spelen. Zo’n afstudeerder is natuurlijk gemotiveerd. Werken met ongeïnteresseerde studenten zou me zwaar vallen, denk ik.”

Kom je uit een onderwijsfamilie?

“Ja, dat gaat een paar generaties terug. Mijn moeder geeft cursussen Duits aan Nederlandse bedrijven. Mijn vader is hoogleraar van de vakgroep corrosietechnologie en elektrochemie. Hij was ook mijn afstudeerhoogleraar.”

Is dat lastig, werken onder je vader?

“We zien elkaar niet elke dag, daarvoor heeft hij het te druk. In mijn studietijd hadden we de afspraak dat als ik bijvoorbeeld een 7,5 haalde, hij daar een zeven van zou maken en nooit een acht. Omdat hij mijn vader is, snapt hij toch vaak sneller wat ik bedoel. Dat scheelt tijd. En hij wil mij op conferenties natuurlijk graag voorstellen aan collega’s, dus je komt net iets meer mensen tegen.”

Je hoort tegenwoordig veel negatieve geluiden over promoveren. Veel bedrijven zouden geen promovendi aannemen, onder meer uit angst dat die niet passen in een op projecten gerichte bedrijfscultuur. En over de onzekerheid van het postdocbestaan is ook al veel geklaagd.

“Het beeld van de promovendus als eeuwige solist is een karikatuur. Veel problemen die ik tijdens mijn onderzoek tegenkom zijn te ingewikkeld om in mijn eentje op te lossen. Anders zou ik het ook geen vier jaar kunnen volhouden. Maar goed, niet al het onderzoek is geschikt voor uitvoering door projectteams, dat is waar. Ik ben niet zo pessimistisch. Bij een researchafdeling van een groot bedrijf is een promotie vaak een groot pluspunt, soms zelf een vereiste. En het aanbod aan postdocplaatsen komt in Delft aardig overeen met de vraag. Op een technische universiteit is de situatie gunstiger dan op, zeg, een letterenfaculteit, waar studenten moeten vechten om een promotieplaats en daarna maar moeten hopen dat ze een aanstelling krijgen.”

Uit een recente enquête van Promood blijkt dat veel niet uit de Europese Unie afkomstige promovendi vinden dat ze te weinig contact hebben met hun begeleider.

“Vaak heeft dat met cultuurverschillen te maken. Veel Chinese promovendi zijn bijvoorbeeld te bescheiden om uitdrukkelijk om begeleiding te vragen. Men is bang om door de arrogante Nederlander te worden afgeblaft. Soms is die angst terecht, maar vaak niet. Daarnaast komen hoogleraren te weinig aan begeleiding van hun promovendi toe, dat merk je hier op het NIMR ook. Je zou de begeleiding moeten uitsplitsen in drie rollen: de promotor, de dagelijkse begeleider en de mentor. Die mentor hoeft helemaal niet iemand uit je eigen vakgebied te zijn. Als je maar bij hem of haar kunt binnenlopen en ‘uithuilen’ als het tegenzit.”

Biedt Promood op dit moment genoeg activiteiten voor de buitenlandse promovendi?

“We willen buitenlandse promovendi meer met elkaar in contact brengen. Nederlandse promovendi zijn gewend aan activiteiten als borrels, commissiewerk en discussieavonden, maar dat spreekt buitenlandse promovendi niet altijd aan. Daarom gaan we ons in de toekomst naast het serieuze werk meer richten op sociale activiteiten, zoals excursies, etentjes, een sporttoernooi.”

Het aangescherpte toelatingsbeleid van Nederland blijkt buitenlandse promovendi en postdocs af te schrikken.

“Ik heb een Pakistaanse collega die achthonderd euro moest betalen om zijn pasgeboren kind in Nederland te houden. En het had hem al vreselijk veel moeite gekost om zijn vrouw in Nederland te krijgen. Dat soort toestanden vind ik schrijnend. Mensen voelen zich onwelkom, en zo lopen we veel academisch talent mis.”
WIE IS FREDERIK DE WIT?

TNW-promovendus Frederik de Wit (1979) is sinds februari voorzitter van het Promood-bestuur. Dat bevalt hem uitstekend. “Natuurlijk zijn we het binnen het bestuur niet over alles eens, dat zou saai zijn. Maar het is een prettige samenwerking. Die ‘klik’ met andere mensen is belangrijk voor me, of ik nu in een bandje speel . daar ben ik wegens tijdgebrek trouwens mee opgehouden . of vergader met Promood.”

Ook als dichter staat De Wit even op non-actief, maar zijn passie voor Nederlandse en Duitse literatuur is gebleven. “Ik ben nooit iemand geweest die alleen maar met techniek bezig is.”

(Foto’s: Sam Rentmeester/FMAX)

In 2001 won je met een nieuwe, tegendraadse partij net geen zetel in de studentenraad. Je vond AAG en Oras te braaf. Als Promood-voorzitter lig je niet op een ramkoers met het college van bestuur. Milder geworden?

“Nee. Ik vond en vind dat de studentenraad zich te veel bezig hield met trivialiteiten, en te afhankelijk was van de TU Delft om veel invloed uit te kunnen oefenen. Promood staat sterker, ook al worden we door de TU Delft ‘gesponsord’. We vertegenwoordigen werknemers en die hebben meer harde, in een contract vastgelegde rechten dan studenten. Binnen het huidige Promood-bestuur vullen we elkaar goed aan. Ik weet dat ik ongenuanceerd uit de hoek kan komen. In mijn enthousiasme ren ik soms aan details voorbij. De anderen zijn bedachtzamer.”

Je promotieonderzoek bij het Netherlands Institute for Metals Research (NIMR) ligt in het verlengde van je afstudeeronderzoek bij de sectie corrosietechnologie en elektrochemie (Technische Natuurwetenschappen). Waar houd je je precies mee bezig?

“De manier waarop . op moleculair niveau . coatings zich hechten aan bijvoorbeeld aluminium. Mijn voorganger op het NIMR, die inmiddels bij Fuji werkt, had oorspronkelijk een heel toepassingsgericht onderzoek in gedachten, maar naarmate hij vorderde kwam het accent meer op fundamenteel onderzoek te liggen.”

Je had na je afstuderen kunnen kiezen voor het bedrijfsleven. Wat trok je zo aan in promoveren?

“De vrijheid om je nieuwsgierigheid te volgen. Na mijn afstuderen merkte ik dat er nog genoeg zaken waren die ik wilde uitzoeken.”

Omdat het NIMR nauw samenwerkt met industriële partners als Stork en Corus moet jij ieder kwartaal rapportage uitbrengen over je onderzoek, vaker dan de gemiddelde promovendus. Hoe bevalt dat?

“Het dwingt je om elke drie maanden te evalueren wat je de afgelopen maanden heb gedaan en bereikt. Dat is nuttig.”

Voel je de druk van industriële partners om met bruikbare onderzoeksresultaten te komen?

“Natuurlijk bestaan er verwachtingen, maar iedereen beseft dat dit onderzoek van de langere adem is. Er zijn nog zoveel vragen. We verven aluminium, maar we snappen niet hoe dat proces van hechting precies werkt. Een beter begrip zou uiteindelijk moeten leiden tot betere producten.”

Heb je overwogen om in het buitenland te promoveren?

“Ik had kunnen promoveren bij het Max Planck Institut fúr Eisenforschung in Dússeldorf, waar ik vier maanden stage heb gelopen. Maar in Duitsland is de verhouding tussen hoogleraar en promovendus hiërarchischer: je wordt gezien als een soort ‘student in verlengingstijd’. In Duitsland kan de hoogleraar altijd een beroep op je doen, ook als je druk bezig bent met je proefschrift. Bovendien is in Duitsland het salaris van een promovendus lager. En je moet binnen drie jaar promoveren.”

Zou je als onderzoeker na je promotie in Delft willen blijven werken?

“Nee. Dat geldt voor het leeuwendeel van de promovendi: ze weten dat het niet goed is voor je loopbaan om op dezelfde universiteit te blijven. Misschien ben ik over drie jaar de academische wereld wel helemaal zat. Wie weet stuit ik tijdens mijn onderzoek op een idee dat als basis kan dienen voor een bedrijf. Promovendi met een eigen bedrijf kunnen een interessante partner zijn voor de industrie, omdat ze door hun kennis geavanceerd onderzoek kunnen doen waar een bedrijf zelf geen tijd voor heeft. En als wetenschapper heb je je al enigszins bewezen, dus je zit toch zelfverzekerder tegenover een hoofd van een afdeling research & development. Ik ken voorbeelden: een scheikundige technoloog in mijn vakgroep heeft een eigen fulltime bedrijf. Hij maakt gebruik van de faciliteiten hier, en praat natuurlijk met ons over zijn projecten. De kennis stroomt twee kanten op, zou je kunnen zeggen. En de vakgroep kan afstudeerders bij zijn bedrijf kwijt.

Het is lastig om te voorspellen wat ik over ruim drie jaar ga doen. Onderzoek spreekt me aan, maar onderwijs ook. Ik gaf op de middelbare school al bijles. Het is leuk om studenten bij practica te ondersteunen. En ik begeleid een afstudeerder, die een paar jaar ouder is dan ik en zijn studie in Delft combineert met een baan bij de marine. Juist omdat hij al veel werkervaring heeft, moest hij de rust vinden om te bepalen hoe zijn onderzoek ging aanpakken. Dan kun je als begeleider een nuttige rol spelen. Zo’n afstudeerder is natuurlijk gemotiveerd. Werken met ongeïnteresseerde studenten zou me zwaar vallen, denk ik.”

Kom je uit een onderwijsfamilie?

“Ja, dat gaat een paar generaties terug. Mijn moeder geeft cursussen Duits aan Nederlandse bedrijven. Mijn vader is hoogleraar van de vakgroep corrosietechnologie en elektrochemie. Hij was ook mijn afstudeerhoogleraar.”

Is dat lastig, werken onder je vader?

“We zien elkaar niet elke dag, daarvoor heeft hij het te druk. In mijn studietijd hadden we de afspraak dat als ik bijvoorbeeld een 7,5 haalde, hij daar een zeven van zou maken en nooit een acht. Omdat hij mijn vader is, snapt hij toch vaak sneller wat ik bedoel. Dat scheelt tijd. En hij wil mij op conferenties natuurlijk graag voorstellen aan collega’s, dus je komt net iets meer mensen tegen.”

Je hoort tegenwoordig veel negatieve geluiden over promoveren. Veel bedrijven zouden geen promovendi aannemen, onder meer uit angst dat die niet passen in een op projecten gerichte bedrijfscultuur. En over de onzekerheid van het postdocbestaan is ook al veel geklaagd.

“Het beeld van de promovendus als eeuwige solist is een karikatuur. Veel problemen die ik tijdens mijn onderzoek tegenkom zijn te ingewikkeld om in mijn eentje op te lossen. Anders zou ik het ook geen vier jaar kunnen volhouden. Maar goed, niet al het onderzoek is geschikt voor uitvoering door projectteams, dat is waar. Ik ben niet zo pessimistisch. Bij een researchafdeling van een groot bedrijf is een promotie vaak een groot pluspunt, soms zelf een vereiste. En het aanbod aan postdocplaatsen komt in Delft aardig overeen met de vraag. Op een technische universiteit is de situatie gunstiger dan op, zeg, een letterenfaculteit, waar studenten moeten vechten om een promotieplaats en daarna maar moeten hopen dat ze een aanstelling krijgen.”

Uit een recente enquête van Promood blijkt dat veel niet uit de Europese Unie afkomstige promovendi vinden dat ze te weinig contact hebben met hun begeleider.

“Vaak heeft dat met cultuurverschillen te maken. Veel Chinese promovendi zijn bijvoorbeeld te bescheiden om uitdrukkelijk om begeleiding te vragen. Men is bang om door de arrogante Nederlander te worden afgeblaft. Soms is die angst terecht, maar vaak niet. Daarnaast komen hoogleraren te weinig aan begeleiding van hun promovendi toe, dat merk je hier op het NIMR ook. Je zou de begeleiding moeten uitsplitsen in drie rollen: de promotor, de dagelijkse begeleider en de mentor. Die mentor hoeft helemaal niet iemand uit je eigen vakgebied te zijn. Als je maar bij hem of haar kunt binnenlopen en ‘uithuilen’ als het tegenzit.”

Biedt Promood op dit moment genoeg activiteiten voor de buitenlandse promovendi?

“We willen buitenlandse promovendi meer met elkaar in contact brengen. Nederlandse promovendi zijn gewend aan activiteiten als borrels, commissiewerk en discussieavonden, maar dat spreekt buitenlandse promovendi niet altijd aan. Daarom gaan we ons in de toekomst naast het serieuze werk meer richten op sociale activiteiten, zoals excursies, etentjes, een sporttoernooi.”

Het aangescherpte toelatingsbeleid van Nederland blijkt buitenlandse promovendi en postdocs af te schrikken.

“Ik heb een Pakistaanse collega die achthonderd euro moest betalen om zijn pasgeboren kind in Nederland te houden. En het had hem al vreselijk veel moeite gekost om zijn vrouw in Nederland te krijgen. Dat soort toestanden vind ik schrijnend. Mensen voelen zich onwelkom, en zo lopen we veel academisch talent mis.”
WIE IS FREDERIK DE WIT?

TNW-promovendus Frederik de Wit (1979) is sinds februari voorzitter van het Promood-bestuur. Dat bevalt hem uitstekend. “Natuurlijk zijn we het binnen het bestuur niet over alles eens, dat zou saai zijn. Maar het is een prettige samenwerking. Die ‘klik’ met andere mensen is belangrijk voor me, of ik nu in een bandje speel . daar ben ik wegens tijdgebrek trouwens mee opgehouden . of vergader met Promood.”

Ook als dichter staat De Wit even op non-actief, maar zijn passie voor Nederlandse en Duitse literatuur is gebleven. “Ik ben nooit iemand geweest die alleen maar met techniek bezig is.”

(Foto’s: Sam Rentmeester/FMAX)

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.