Elektrotechniek. Dat studeerde je vanwege het fascinerende, ja geheimzinnige karakter van elektriciteit. De opleiding bestaat precies honderd jaar.
Elektriciteit zag, hoorde of rook je niet, en toch kon je er de wonderbaarlijkste dingen mee uithalen. Kracht, warmte, licht, wat kon je er niet mee opwekken? Je kon er signalen mee overdragen, draadloos! Was het geen enorme vooruitgang voor de menselijke beschaving om aan de ene kant van de aardbol in een microfoon te spreken en, praktisch op hetzelfde moment, aan de andere kant gehoord te worden? Hallo Bandoeng!
Als er ergens sprake was van ‘wonderen der techniek’, dan was het wel tussen de elektronen. Voor gewone stervelingen was elektriciteit iets volmaakt onbegrijpelijks. Alleen door een van de zwaarste studies te doen, kon je toetreden tot de rangen van ingewijden die het ongrijpbare natuurverschijnsel doorgrondden. Daarin lag de motivatie van de jonge mensen die zich inschreven voor de studie elektrotechniek. Zo was het, en zo zal het nog wel zijn.
Wie zich in de beginjaren in een dergelijke opgetogen stemming aanmeldde als eerstejaarsstudent elektrotechniek in Delft moest wel door een zure appel heen bijten. Op de allereerste dag kreeg je een welkomstwoord van een echte professor, maar daarna was het afmarcheren geblazen naar houten noodbarakken. Daar moest je eerst maar eens de partiële differentiaalvergelijkingen onder de knie krijgen.
In het eerste jaar werd nauwelijks over elektrotechniek gerept. Het was wiskunde, wiskunde, nog meer wiskunde, natuurkunde en mechanica wat de klok sloeg. In het tweede studiejaar ging het niet anders. Pas na het zware propedeuse-examen aan het einde daarvan was de student rijp om kennis te maken met waarvoor hij gekomen was. Eindelijk mocht hij het elektrogebouw betreden en kon hij zijn eerste vonken gaan trekken.
Vereeniging
Een eeuw geleden, in 1905, kreeg de Polytechnische School in Delft een belangrijke opsteker. De instelling werd voortaan tot het hoger onderwijs gerekend en werd Technische Hogeschool Delft. Alle leraren werden professor en afgestudeerden kregen een echte, wettelijk beschermde academische graad. Bij die gelegenheid trakteerde de TH zichzelf ook op een cadeautje: een vijfde studierichting, die voor elektrotechnisch ingenieur. Een fonkelnieuw gebouw aan de Kanaalweg was daarvoor al opgetrokken. Het nieuwste van het nieuwste zat erin: een hoogspanningslokaal en een ijzervrij laboratorium voor magneetproeven.
Meteen in het academisch jaar 1905/1906 ging de nieuwe opleiding van start. De huidige faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica viert en gedenkt dat dit hele jaar door. Deze week staat de Electrotechnische Vereeniging (met een c, en twee e’s) centraal, die aanstaande zaterdag precies honderd jaar bestaat. De studievereniging werd op 26 maart 1906 opgericht door de eerste lichting studenten.
Delft was er overigens niet bijster vroeg bij. Het toen al befaamde Massachusetts Institute of Technology (MIT) in de Verenigde Staten had al sinds 1882 een studierichting elektrotechniek, en in Duitsland begon de Technische Hochschule in Darmstadt er een jaar later mee. Ook in het Belgische Luik en Leuven bestonden al vijf jaar elektrotechnische richtingen.
In de begintijd was elektrotechniek een subafdeling van de afdeling werktuigbouwkunde, scheepsbouwkunde en elektrotechniek (de Technische Hogeschool had geen faculteiten, maar afdelingen). Nu lijkt het vreemd dat elektrotechniek is uitgebroed in het nest van werktuigbouwkunde, maar honderd jaar geleden was dat vanzelfsprekend. Immers, elektrotechniek in de kinderschoenen kwam neer op energietechniek. Wat tegenwoordig veruit het belangrijkste bestanddeel is, informatietechniek, bestond nog nauwelijks. Er waren vonkzenders en er was telegraafverkeer, maar de rest moest allemaal nog worden uitgevonden. Hoe elektriciteit op te wekken, te distribueren en om te zetten in aandrijfkracht, dat was waar het vooral om draaide. En aan dynamo’s en elektromotoren zitten nu eenmaal heel wat werktuigbouwkundige kanten.
Pas in 1919 was de nieuweling voldoende gerijpt om op eigen benen te staan en werd elektrotechniek een afzonderlijke afdeling. Dat betekende evenwel niet dat de studierichting bevrijd was van het ouderlijke juk. Zeker in de eerste twee studiejaren was het verschil met een studie werktuigbouwkunde minimaal. De studenten elektrotechniek moesten zich uitvoerig verdiepen in theoretische en toegepaste mechanica. De constructie en werking van hefwerktuigen, verbrandingsmotoren, pompen en stoommachines werden tot in de finesses behandeld. Het werd nodig geacht om het diploma elektrotechnisch ingenieur voldoende inhoud en gewicht te geven. Misschien ook was er eenvoudigweg nog te weinig te vertellen over elektrotechniek om er een hele studie mee te vullen.
Pas in het derde en vierde jaar kregen de studenten iets over hun eigenlijke vak te horen. Wiskunde zat niet meer in het programma, uurtjes ‘architectuur’ en ‘kennis van bouwstoffen’ merkwaardig genoeg wel. Pas het vijfde en laatste jaar stond helemaal in het teken van de elektrotechniek. Het zwaartepunt lag bij een afstudeeropdracht.
Van de honderd jaar die ze bestaat, is elektrotechniek minstens de helft bezig geweest zich te ontdoen van de werktuigbouwkundige ballast. Pas in 1923 kwamen er mondjesmaat elektrotechnische vakken in het tweede jaar. Nog in 1952 stond ‘stooktechniek’ op het nogal karige lijstje met keuzevakken voor het derde jaar. Het zou maar liefst tot 1982 duren voordat het laatste uurtje werktuigbouwkunde uit het eerstejaarscurriculum werd geschrapt.
Vrouw
De negentien avontuurlijke jongemannen die in september 1905 begonnen aan een studie voor elektrotechnisch ingenieur (op 1176 studenten voor de gehele TH) kregen te maken met vier hoogleraren, één in de theoretische elektriciteitsleer en wisselstroomtechniek, één in de zwakstroomtechniek, en twee in de sterkstroomtechniek. De laatste twee behandelden onderwerpen zoals elektrische machines, verlichting, elektrische tractie (locomotieven, liften) en krachtoverbrenging. Zwakstroomonderwerpen waren telegrafie, telefonie en ‘het signaalwezen’. Drie van de hoogleraren waren leraar geweest aan de Polytechnische School, de vierde was de enige gepromoveerde academicus en aangetrokken van de technische hogeschool in Darmstadt.
Het aantal studenten schommelde nogal, maar vertoonde wel een gestage groei. In 1909 zat onder de 24 eerstejaars voor het eerst een vrouw. Gedurende de hele eeuw van haar bestaan zou het aandeel vrouwelijke studenten overigens nauwelijks de 10 procent overschrijden. Elektrotechniek was en is misschien wel de meest uitgesproken jongensstudierichting van allemaal.
Een ander kenmerk van elektrotechniek bleef ook honderd jaar onveranderd: het was een uitzonderlijk zware studie, de uitval was groot, en nog niet eens een kwart van de studenten slaagde erin binnen de ervoor staande tijdsduur af te studeren.
‘Studeerbaarheid’ was er in de beginjaren nog niet bij. Boeken en dictaten bestonden nauwelijks en iedereen zat tijdens de eindeloze hoorcolleges ingewikkelde kringintegralen en andere formules van het bord over te pennen. Er waren goede docenten, maar ook bar slechte. Minstens driekwart van de studenten riep de hulp in van een repetitor, een particuliere bijschoolleraar.
In de propedeuse zaten vervelende practica waarbij je bijvoorbeeld ‘de contractieverhouding door uitrekking van caoutchouc’ moest bepalen . ’s ochtends tussen zeven en half negen, omdat daarna de werktuigbouwers weer aan de beurt waren. Bij een ander practicum leerde je lassen en smeden. Ook kreeg je een uitgebreide en nogal ouderwetse cursus handtekenen, rechtstreeks overgenomen uit het curriculum van werktuigbouwkunde. Studenten mochten niet zomaar de bibliotheek in, en koffie en thee waren nog een luxe die voorbehouden was aan de staf. Wie het waagde in de middagpauze een boterham te eten op de tekenzaal werd zonder mankeren naar buiten gestuurd.
Hoogleraren waren halve godheden. Er waren erbij die verwachtten dat je na een onderhoud hun werkkamer, ‘kabinet’ geheten, eerbiedig achterwaarts schrijdend verliet. Examen doen was een hel. In de examentijd hadden de inwonende conciërge, zijn vrouw en de werklieden van de instrumentmakerij er een bijbaan aan om de van angst sidderende studenten een beetje op hun gemak te stellen. Er stond tegenover dat er ook een professor was die je voor een mondeling examen thuis uitnodigde en daar een glaasje jenever schonk.
Dresseren
Achteraf gezien was 1905/1906 een gelukkig moment om met elektrotechniek te beginnen. In hetzelfde jaar namelijk vond de Amerikaan Lee de Forest de vacuúmtriode uit, de eerste radiobuis. Dat moment wordt alom gezien als het begin van de elektronica, de kunst van het ‘dresseren van vrije elektronen’, zoals de geschiedschrijver (en oud-decaan) Jan Davidse van elektrotechniek het zo fraai zegt. Je kunt dus zeggen dat Delft er gedurende het hele elektronicatijdperk bij is geweest.
Het duurde overigens tot 1920 voordat de triode echt tot Delft doordrong . mede doordat de vondst lange tijd als militair geheim gold. In dat jaar werd de basis gelegd voor het ‘radiolaboratorium’. Nog tien jaar moest het duren voordat er afzonderlijke afstudeerrichtingen in de sterkstroom- en zwakstroomtechniek kwamen. Omdat, bijvoorbeeld bij zenders, er ook heel sterke stromen in de zwakstroomtechniek kunnen voorkomen, raakten later de termen energietechniek en informatietechniek in zwang. Overigens is in de hele geschiedenis herhaaldelijk overwogen om informatietechniek verder te splitsen, in richtingen voor de overdracht en voor de verwerking van informatie. In 1969 zou dat gebeuren. Tegenwoordig zijn er vijf afstudeerrichtingen.
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog waren er zo’n 350 studenten elektrotechniek in Delft en schreef zich ieder jaar een zestigtal eerstejaars in. De oorlogsjaren zijn om twee redenen belangrijk. In de eerste plaats vanwege de dubieuze houding van de staf. Van alle faculteiten en afdelingen in Nederland had elektrotechniek in Delft misschien wel het de slapste knieën. Maar liefst vier van de zes hoogleraren werden na de oorlog (mild) gestraft. Wat de hoogleraren tijdens de oorlog met elkaar besproken hebben zal niet veel fraais geweest zijn, want de verslagen van hun vergaderingen zijn op mysterieuze wijze verdwenen, zoals geschiedschrijver Davidse ondervond.
In de tweede plaats betekende de Tweede Wereldoorlog een enorme sprong voorwaarts voor het vakgebied. Vooral de ontwikkeling van de radar opende, zowel letterlijk als figuurlijk, vele nieuwe vergezichten. In 1945 stonden er dan ook plotseling 363 eerstejaars te trappelen om elektrotechniek te studeren. Voor de andere studierichtingen in Delft was het beeld trouwens niet veel anders. Hoewel de belangstelling in het volgende jaar alweer wat terugzakte, begon het ministerie van onderwijs serieus na te denken over een tweede technische hogeschool. Uiteindelijk zou de TH Eindhoven in 1956 opengaan. Omdat herrijzend Nederland schreeuwde om hoger opgeleiden, werd ook overwogen de studieduur te verkorten van vijf naar vier jaar. Elektrotechniek was de enige in het land die een tijdje experimenteerde met een studieduur van vierenhalf jaar, maar kwam daar al snel van terug.
Het viel niet mee om al die belangstellenden onderwijs te geven, vooral omdat er nog overal schaarste was. Veel materiaal was geroofd door de bezetter, en af en toe moest de hele TH dicht, gewoon omdat er niet genoeg kolen waren om de collegezalen te verwarmen. In een hoog tempo werden er meer hoogleraren aangetrokken, vooral buitengewone, omdat het toen al lastig was tegen de gangbare salarissen mensen weg te kopen bij de industrie. Philips, dat in 1914 zijn Natuurkundig Laboratorium oprichtte en de PTT met zijn Neher-laboratorium, waren veel aantrekkelijker voor wie aan de voorhoede wilde werken. Het onderzoek aan de TH stelde eerlijk gezegd niet veel voor. In de elektrotechniek was er nauwelijks één promotie per jaar . een toestand die tot de jaren zeventig zou voortduren. Eigenlijk gebeurde er pas in 1954 met de bouw van het protonsynchrotron, een experimentele machine met een diameter van negen meter en een gewicht van 175 ton, iets bijzonders op onderzoekgebied.
In 1949 had de afdeling elektrotechniek zes gewone hoogleraren en negen buitengewone. De laatsten gaven vakken zoals netwerktheorie, draaggolftelefonie en hoogfrequenttechniek. Langzaam maar zeker werd ook een beetje gesleuteld aan de manier van onderwijs geven. Hier en daar verschenen gestencilde dictaten en werden de colleges iets meer dan martelende schrijfexercities. De afdeling trok een aantal hbs-leraren aan om de repetitoren te vervangen. Er kwamen tentamens halverwege het jaar om de examenweken draaglijker te maken. Het was ook wel nodig, want voor sommige examens slaagde maar 12 procent van de studenten.
Heel snel moest het aantal docenten nog worden uitgebreid, want het vakgebied bleef groeien als kool. Kort na de oorlog werden vele buitengewoon belangrijke uitvindingen gedaan, die van de transistor (1947) voorop. Bovendien legde Claude E. Shannon in 1948 de basis voor een solide wetenschappelijke informatietheorie en begonnen de eerste computers hun ponskaarten te verwerken. ‘Digitaal’ werd een nieuw toverwoord. Er begon een heel nieuw vakgebied te ontstaan, dat bij elektrotechniek zijn natuurlijke habitat zou moeten vinden. Helaas werd daarover elders in het academisch landschap anders gedacht, zodat informatica uiteindelijk zou worden vastgeknoopt aan wiskunde.
Radarantennes
Maar in 1965 was daarvan nog geen sprake en werd, na veel vijven en zessen, de eerste digitale computer bij de afdeling naar binnen getakeld, een PDP-7 met een geheugenomvang van 4096 woorden van 18 bits. De afdeling had op dat moment 1207 studenten. De eerste communicatiesatellieten werden gelanceerd, nieuwe specialismen als biomedische elektronica en avionica kwamen op. Het aantal hoogleraren groeide tot boven de dertig. Kortom, elektrotechniek zat in de lift.
En de Delftse beoefenaren spoedig ook, letterlijk. Na jarenlang delibereren en soebatten werd voor de bijna explosief groeiende afdeling een enorm nieuw gebouw neergezet, met ongehoord snelle liften. Negentig meter hoog en 235 meter lang was Mekelweg 4 bij de officiële ingebruikstelling in november 1969 het hoogste utiliteitsgebouw van Nederland. Op het dak kwam een imposante collectie radarantennes te staan. Niet iedereen was voor 100 procent in zijn nopjes met de schepping van architect G. Drexhage, maar het gebouw liet de wereld in elk geval wel zien dat de Delftse elektrotechniek serieus moest worden genomen.
Het viel overigens niet mee om de razendsnelle ontwikkelingen op het vakgebied bij te houden. Menige eerstejaarsstudent, naar Delft gelokt door de Philips EE-bouwdozen en het maandblad Elektuur, merkte tot zijn verbazing dat de transistor nog nauwelijks tot de professoren was doorgedrongen en ze er nog helemaal in het tijdperk van de elektronenbuizen leefden. Pas begin jaren zeventig, toen er tegen de 1400 studenten elektrotechniek waren, werden de hoofdstukken daarover voorzien van het bevrijdende stempel ‘Geen tentamenstof’. Maar toen had de elektrotechnische wereld alweer zijn volgende aardverschuiving gehad: de uitvinding van de chip (1961).
De chip, of geïntegreerde schakeling zoals de elektrotechnicus het liever noemt, leidde tot een nieuwe hamvraag: moest de afdeling ze zelf gaan vervaardigen? Nee, leek het voor de hand liggend antwoord, want aan de fabricage van elektronenbuizen en transistors had men zich immers ook nooit gewaagd. Maar er stond tegenover dat je wel heel weinig over chips te weten kwam als je ze alleen aan de buitenkant zou bekijken. Vandaar dat het ene na het andere elektrotechniekinstituut er uiteindelijk toch maar toe over ging te investeren in het zelf bakken van chips. In Delft rolden de eerste zelfgemaakte exemplaren in 1976 uit het ‘IC-atelier’ op de vierde verdieping van de hoogbouw. In 1987 groeide dat uit tot Dimes, het interfacultaire chiplaboratorium annex proeffabriek waarmee Delft op internationaal niveau zijn partij meeblaast. Dat elektrotechniek sinds 1997 weer deel is van een groter geheel (met Wiskunde en Informatica) doet daaraan weinig af.
Bron: Jan Davidse: ‘Spanning, geschiedenis van de Delftse opleiding tot elektrotechnisch ingenieur, gedenkboek ter gelegenheid van de bundeling van de faculteiten der Elektrotechniek en der Technische Wiskunde en Informatica’. Delft University Press, 1998. ISBN 90 407 1794 X.
College in een van de grote zalen van het elektrotechniekgebouw aan de Kanaalstraat. De hoogleraar is prof.ir. J.A. Snijders (1844-1922), die beschouwd wordt als de oprichter van de studierichting elektrotechniek.
img:Elektro02.jpg
Het radiolab in de jaren dertig, met links prof.dr.ir. W.Th. Bhler (1892-1984).
Elektriciteit zag, hoorde of rook je niet, en toch kon je er de wonderbaarlijkste dingen mee uithalen. Kracht, warmte, licht, wat kon je er niet mee opwekken? Je kon er signalen mee overdragen, draadloos! Was het geen enorme vooruitgang voor de menselijke beschaving om aan de ene kant van de aardbol in een microfoon te spreken en, praktisch op hetzelfde moment, aan de andere kant gehoord te worden? Hallo Bandoeng!
Als er ergens sprake was van ‘wonderen der techniek’, dan was het wel tussen de elektronen. Voor gewone stervelingen was elektriciteit iets volmaakt onbegrijpelijks. Alleen door een van de zwaarste studies te doen, kon je toetreden tot de rangen van ingewijden die het ongrijpbare natuurverschijnsel doorgrondden. Daarin lag de motivatie van de jonge mensen die zich inschreven voor de studie elektrotechniek. Zo was het, en zo zal het nog wel zijn.
Wie zich in de beginjaren in een dergelijke opgetogen stemming aanmeldde als eerstejaarsstudent elektrotechniek in Delft moest wel door een zure appel heen bijten. Op de allereerste dag kreeg je een welkomstwoord van een echte professor, maar daarna was het afmarcheren geblazen naar houten noodbarakken. Daar moest je eerst maar eens de partiële differentiaalvergelijkingen onder de knie krijgen.
In het eerste jaar werd nauwelijks over elektrotechniek gerept. Het was wiskunde, wiskunde, nog meer wiskunde, natuurkunde en mechanica wat de klok sloeg. In het tweede studiejaar ging het niet anders. Pas na het zware propedeuse-examen aan het einde daarvan was de student rijp om kennis te maken met waarvoor hij gekomen was. Eindelijk mocht hij het elektrogebouw betreden en kon hij zijn eerste vonken gaan trekken.
Vereeniging
Een eeuw geleden, in 1905, kreeg de Polytechnische School in Delft een belangrijke opsteker. De instelling werd voortaan tot het hoger onderwijs gerekend en werd Technische Hogeschool Delft. Alle leraren werden professor en afgestudeerden kregen een echte, wettelijk beschermde academische graad. Bij die gelegenheid trakteerde de TH zichzelf ook op een cadeautje: een vijfde studierichting, die voor elektrotechnisch ingenieur. Een fonkelnieuw gebouw aan de Kanaalweg was daarvoor al opgetrokken. Het nieuwste van het nieuwste zat erin: een hoogspanningslokaal en een ijzervrij laboratorium voor magneetproeven.
Meteen in het academisch jaar 1905/1906 ging de nieuwe opleiding van start. De huidige faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica viert en gedenkt dat dit hele jaar door. Deze week staat de Electrotechnische Vereeniging (met een c, en twee e’s) centraal, die aanstaande zaterdag precies honderd jaar bestaat. De studievereniging werd op 26 maart 1906 opgericht door de eerste lichting studenten.
Delft was er overigens niet bijster vroeg bij. Het toen al befaamde Massachusetts Institute of Technology (MIT) in de Verenigde Staten had al sinds 1882 een studierichting elektrotechniek, en in Duitsland begon de Technische Hochschule in Darmstadt er een jaar later mee. Ook in het Belgische Luik en Leuven bestonden al vijf jaar elektrotechnische richtingen.
In de begintijd was elektrotechniek een subafdeling van de afdeling werktuigbouwkunde, scheepsbouwkunde en elektrotechniek (de Technische Hogeschool had geen faculteiten, maar afdelingen). Nu lijkt het vreemd dat elektrotechniek is uitgebroed in het nest van werktuigbouwkunde, maar honderd jaar geleden was dat vanzelfsprekend. Immers, elektrotechniek in de kinderschoenen kwam neer op energietechniek. Wat tegenwoordig veruit het belangrijkste bestanddeel is, informatietechniek, bestond nog nauwelijks. Er waren vonkzenders en er was telegraafverkeer, maar de rest moest allemaal nog worden uitgevonden. Hoe elektriciteit op te wekken, te distribueren en om te zetten in aandrijfkracht, dat was waar het vooral om draaide. En aan dynamo’s en elektromotoren zitten nu eenmaal heel wat werktuigbouwkundige kanten.
Pas in 1919 was de nieuweling voldoende gerijpt om op eigen benen te staan en werd elektrotechniek een afzonderlijke afdeling. Dat betekende evenwel niet dat de studierichting bevrijd was van het ouderlijke juk. Zeker in de eerste twee studiejaren was het verschil met een studie werktuigbouwkunde minimaal. De studenten elektrotechniek moesten zich uitvoerig verdiepen in theoretische en toegepaste mechanica. De constructie en werking van hefwerktuigen, verbrandingsmotoren, pompen en stoommachines werden tot in de finesses behandeld. Het werd nodig geacht om het diploma elektrotechnisch ingenieur voldoende inhoud en gewicht te geven. Misschien ook was er eenvoudigweg nog te weinig te vertellen over elektrotechniek om er een hele studie mee te vullen.
Pas in het derde en vierde jaar kregen de studenten iets over hun eigenlijke vak te horen. Wiskunde zat niet meer in het programma, uurtjes ‘architectuur’ en ‘kennis van bouwstoffen’ merkwaardig genoeg wel. Pas het vijfde en laatste jaar stond helemaal in het teken van de elektrotechniek. Het zwaartepunt lag bij een afstudeeropdracht.
Van de honderd jaar die ze bestaat, is elektrotechniek minstens de helft bezig geweest zich te ontdoen van de werktuigbouwkundige ballast. Pas in 1923 kwamen er mondjesmaat elektrotechnische vakken in het tweede jaar. Nog in 1952 stond ‘stooktechniek’ op het nogal karige lijstje met keuzevakken voor het derde jaar. Het zou maar liefst tot 1982 duren voordat het laatste uurtje werktuigbouwkunde uit het eerstejaarscurriculum werd geschrapt.
Vrouw
De negentien avontuurlijke jongemannen die in september 1905 begonnen aan een studie voor elektrotechnisch ingenieur (op 1176 studenten voor de gehele TH) kregen te maken met vier hoogleraren, één in de theoretische elektriciteitsleer en wisselstroomtechniek, één in de zwakstroomtechniek, en twee in de sterkstroomtechniek. De laatste twee behandelden onderwerpen zoals elektrische machines, verlichting, elektrische tractie (locomotieven, liften) en krachtoverbrenging. Zwakstroomonderwerpen waren telegrafie, telefonie en ‘het signaalwezen’. Drie van de hoogleraren waren leraar geweest aan de Polytechnische School, de vierde was de enige gepromoveerde academicus en aangetrokken van de technische hogeschool in Darmstadt.
Het aantal studenten schommelde nogal, maar vertoonde wel een gestage groei. In 1909 zat onder de 24 eerstejaars voor het eerst een vrouw. Gedurende de hele eeuw van haar bestaan zou het aandeel vrouwelijke studenten overigens nauwelijks de 10 procent overschrijden. Elektrotechniek was en is misschien wel de meest uitgesproken jongensstudierichting van allemaal.
Een ander kenmerk van elektrotechniek bleef ook honderd jaar onveranderd: het was een uitzonderlijk zware studie, de uitval was groot, en nog niet eens een kwart van de studenten slaagde erin binnen de ervoor staande tijdsduur af te studeren.
‘Studeerbaarheid’ was er in de beginjaren nog niet bij. Boeken en dictaten bestonden nauwelijks en iedereen zat tijdens de eindeloze hoorcolleges ingewikkelde kringintegralen en andere formules van het bord over te pennen. Er waren goede docenten, maar ook bar slechte. Minstens driekwart van de studenten riep de hulp in van een repetitor, een particuliere bijschoolleraar.
In de propedeuse zaten vervelende practica waarbij je bijvoorbeeld ‘de contractieverhouding door uitrekking van caoutchouc’ moest bepalen . ’s ochtends tussen zeven en half negen, omdat daarna de werktuigbouwers weer aan de beurt waren. Bij een ander practicum leerde je lassen en smeden. Ook kreeg je een uitgebreide en nogal ouderwetse cursus handtekenen, rechtstreeks overgenomen uit het curriculum van werktuigbouwkunde. Studenten mochten niet zomaar de bibliotheek in, en koffie en thee waren nog een luxe die voorbehouden was aan de staf. Wie het waagde in de middagpauze een boterham te eten op de tekenzaal werd zonder mankeren naar buiten gestuurd.
Hoogleraren waren halve godheden. Er waren erbij die verwachtten dat je na een onderhoud hun werkkamer, ‘kabinet’ geheten, eerbiedig achterwaarts schrijdend verliet. Examen doen was een hel. In de examentijd hadden de inwonende conciërge, zijn vrouw en de werklieden van de instrumentmakerij er een bijbaan aan om de van angst sidderende studenten een beetje op hun gemak te stellen. Er stond tegenover dat er ook een professor was die je voor een mondeling examen thuis uitnodigde en daar een glaasje jenever schonk.
Dresseren
Achteraf gezien was 1905/1906 een gelukkig moment om met elektrotechniek te beginnen. In hetzelfde jaar namelijk vond de Amerikaan Lee de Forest de vacuúmtriode uit, de eerste radiobuis. Dat moment wordt alom gezien als het begin van de elektronica, de kunst van het ‘dresseren van vrije elektronen’, zoals de geschiedschrijver (en oud-decaan) Jan Davidse van elektrotechniek het zo fraai zegt. Je kunt dus zeggen dat Delft er gedurende het hele elektronicatijdperk bij is geweest.
Het duurde overigens tot 1920 voordat de triode echt tot Delft doordrong . mede doordat de vondst lange tijd als militair geheim gold. In dat jaar werd de basis gelegd voor het ‘radiolaboratorium’. Nog tien jaar moest het duren voordat er afzonderlijke afstudeerrichtingen in de sterkstroom- en zwakstroomtechniek kwamen. Omdat, bijvoorbeeld bij zenders, er ook heel sterke stromen in de zwakstroomtechniek kunnen voorkomen, raakten later de termen energietechniek en informatietechniek in zwang. Overigens is in de hele geschiedenis herhaaldelijk overwogen om informatietechniek verder te splitsen, in richtingen voor de overdracht en voor de verwerking van informatie. In 1969 zou dat gebeuren. Tegenwoordig zijn er vijf afstudeerrichtingen.
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog waren er zo’n 350 studenten elektrotechniek in Delft en schreef zich ieder jaar een zestigtal eerstejaars in. De oorlogsjaren zijn om twee redenen belangrijk. In de eerste plaats vanwege de dubieuze houding van de staf. Van alle faculteiten en afdelingen in Nederland had elektrotechniek in Delft misschien wel het de slapste knieën. Maar liefst vier van de zes hoogleraren werden na de oorlog (mild) gestraft. Wat de hoogleraren tijdens de oorlog met elkaar besproken hebben zal niet veel fraais geweest zijn, want de verslagen van hun vergaderingen zijn op mysterieuze wijze verdwenen, zoals geschiedschrijver Davidse ondervond.
In de tweede plaats betekende de Tweede Wereldoorlog een enorme sprong voorwaarts voor het vakgebied. Vooral de ontwikkeling van de radar opende, zowel letterlijk als figuurlijk, vele nieuwe vergezichten. In 1945 stonden er dan ook plotseling 363 eerstejaars te trappelen om elektrotechniek te studeren. Voor de andere studierichtingen in Delft was het beeld trouwens niet veel anders. Hoewel de belangstelling in het volgende jaar alweer wat terugzakte, begon het ministerie van onderwijs serieus na te denken over een tweede technische hogeschool. Uiteindelijk zou de TH Eindhoven in 1956 opengaan. Omdat herrijzend Nederland schreeuwde om hoger opgeleiden, werd ook overwogen de studieduur te verkorten van vijf naar vier jaar. Elektrotechniek was de enige in het land die een tijdje experimenteerde met een studieduur van vierenhalf jaar, maar kwam daar al snel van terug.
Het viel niet mee om al die belangstellenden onderwijs te geven, vooral omdat er nog overal schaarste was. Veel materiaal was geroofd door de bezetter, en af en toe moest de hele TH dicht, gewoon omdat er niet genoeg kolen waren om de collegezalen te verwarmen. In een hoog tempo werden er meer hoogleraren aangetrokken, vooral buitengewone, omdat het toen al lastig was tegen de gangbare salarissen mensen weg te kopen bij de industrie. Philips, dat in 1914 zijn Natuurkundig Laboratorium oprichtte en de PTT met zijn Neher-laboratorium, waren veel aantrekkelijker voor wie aan de voorhoede wilde werken. Het onderzoek aan de TH stelde eerlijk gezegd niet veel voor. In de elektrotechniek was er nauwelijks één promotie per jaar . een toestand die tot de jaren zeventig zou voortduren. Eigenlijk gebeurde er pas in 1954 met de bouw van het protonsynchrotron, een experimentele machine met een diameter van negen meter en een gewicht van 175 ton, iets bijzonders op onderzoekgebied.
In 1949 had de afdeling elektrotechniek zes gewone hoogleraren en negen buitengewone. De laatsten gaven vakken zoals netwerktheorie, draaggolftelefonie en hoogfrequenttechniek. Langzaam maar zeker werd ook een beetje gesleuteld aan de manier van onderwijs geven. Hier en daar verschenen gestencilde dictaten en werden de colleges iets meer dan martelende schrijfexercities. De afdeling trok een aantal hbs-leraren aan om de repetitoren te vervangen. Er kwamen tentamens halverwege het jaar om de examenweken draaglijker te maken. Het was ook wel nodig, want voor sommige examens slaagde maar 12 procent van de studenten.
Heel snel moest het aantal docenten nog worden uitgebreid, want het vakgebied bleef groeien als kool. Kort na de oorlog werden vele buitengewoon belangrijke uitvindingen gedaan, die van de transistor (1947) voorop. Bovendien legde Claude E. Shannon in 1948 de basis voor een solide wetenschappelijke informatietheorie en begonnen de eerste computers hun ponskaarten te verwerken. ‘Digitaal’ werd een nieuw toverwoord. Er begon een heel nieuw vakgebied te ontstaan, dat bij elektrotechniek zijn natuurlijke habitat zou moeten vinden. Helaas werd daarover elders in het academisch landschap anders gedacht, zodat informatica uiteindelijk zou worden vastgeknoopt aan wiskunde.
Radarantennes
Maar in 1965 was daarvan nog geen sprake en werd, na veel vijven en zessen, de eerste digitale computer bij de afdeling naar binnen getakeld, een PDP-7 met een geheugenomvang van 4096 woorden van 18 bits. De afdeling had op dat moment 1207 studenten. De eerste communicatiesatellieten werden gelanceerd, nieuwe specialismen als biomedische elektronica en avionica kwamen op. Het aantal hoogleraren groeide tot boven de dertig. Kortom, elektrotechniek zat in de lift.
En de Delftse beoefenaren spoedig ook, letterlijk. Na jarenlang delibereren en soebatten werd voor de bijna explosief groeiende afdeling een enorm nieuw gebouw neergezet, met ongehoord snelle liften. Negentig meter hoog en 235 meter lang was Mekelweg 4 bij de officiële ingebruikstelling in november 1969 het hoogste utiliteitsgebouw van Nederland. Op het dak kwam een imposante collectie radarantennes te staan. Niet iedereen was voor 100 procent in zijn nopjes met de schepping van architect G. Drexhage, maar het gebouw liet de wereld in elk geval wel zien dat de Delftse elektrotechniek serieus moest worden genomen.
Het viel overigens niet mee om de razendsnelle ontwikkelingen op het vakgebied bij te houden. Menige eerstejaarsstudent, naar Delft gelokt door de Philips EE-bouwdozen en het maandblad Elektuur, merkte tot zijn verbazing dat de transistor nog nauwelijks tot de professoren was doorgedrongen en ze er nog helemaal in het tijdperk van de elektronenbuizen leefden. Pas begin jaren zeventig, toen er tegen de 1400 studenten elektrotechniek waren, werden de hoofdstukken daarover voorzien van het bevrijdende stempel ‘Geen tentamenstof’. Maar toen had de elektrotechnische wereld alweer zijn volgende aardverschuiving gehad: de uitvinding van de chip (1961).
De chip, of geïntegreerde schakeling zoals de elektrotechnicus het liever noemt, leidde tot een nieuwe hamvraag: moest de afdeling ze zelf gaan vervaardigen? Nee, leek het voor de hand liggend antwoord, want aan de fabricage van elektronenbuizen en transistors had men zich immers ook nooit gewaagd. Maar er stond tegenover dat je wel heel weinig over chips te weten kwam als je ze alleen aan de buitenkant zou bekijken. Vandaar dat het ene na het andere elektrotechniekinstituut er uiteindelijk toch maar toe over ging te investeren in het zelf bakken van chips. In Delft rolden de eerste zelfgemaakte exemplaren in 1976 uit het ‘IC-atelier’ op de vierde verdieping van de hoogbouw. In 1987 groeide dat uit tot Dimes, het interfacultaire chiplaboratorium annex proeffabriek waarmee Delft op internationaal niveau zijn partij meeblaast. Dat elektrotechniek sinds 1997 weer deel is van een groter geheel (met Wiskunde en Informatica) doet daaraan weinig af.
Bron: Jan Davidse: ‘Spanning, geschiedenis van de Delftse opleiding tot elektrotechnisch ingenieur, gedenkboek ter gelegenheid van de bundeling van de faculteiten der Elektrotechniek en der Technische Wiskunde en Informatica’. Delft University Press, 1998. ISBN 90 407 1794 X.
College in een van de grote zalen van het elektrotechniekgebouw aan de Kanaalstraat. De hoogleraar is prof.ir. J.A. Snijders (1844-1922), die beschouwd wordt als de oprichter van de studierichting elektrotechniek.
img:Elektro02.jpg
Het radiolab in de jaren dertig, met links prof.dr.ir. W.Th. Bhler (1892-1984).

Comments are closed.