Onderwijs

‘Pleisters plakken is niks voor mij’

Viereneenhalf jaar lang was Cor Kooi facility manager bij Bouwkunde. In augustus vertrekt hij voor minstens twee jaar naar het Indonesische eiland Simeuleu om 112 scholen te herbouwen die door de tsunami en de daaraan voorafgaande aardbeving zijn verwoest.

Krijg je met veel getraumatiseerde mensen te maken op Simeuleu?

“Ik denk dat dat meevalt. Ik heb gelezen dat er op het eiland een legende bestaat die zegt dat de zee zich terugtrekt als hij kwaad wordt, en dan met een grote vloed terugkomt. Dus dat je dan de heuvels in moet vluchten. De mensen hebben zich dat herinnerd. Ik heb in verschillende artikelen geen hoger aantal slachtoffers kunnen vinden dan zes en er wonen volgens schattingen 80 duizend tot 130 duizend mensen. Wel zijn veel mensen al hun bezittingen kwijt.”

Wat houdt dat in, scholen bouwen na zo’n ramp?

“Alle 155 scholen op het eiland Simeuleu zijn dusdanig beschadigd dat ze herbouwd moeten worden. Save the Children gaat 43 scholen aan de noordkant van het eiland herbouwen, en de ontwikkelingsorganisatie Cordaid, waarvoor ik ga werken, het midden en het zuiden. Dat zijn 112 dorps- en middelbare scholen. De grootte varieert van twee tot acht lokalen, met een bibliotheekje en een staff room. Wat nu nog overeind staat, moet eerst worden afgebroken. Daarna kunnen we bouwen, op zo’n manier dat de scholen een aardbeving kunnen weerstaan.”

Hoe bouw je aardbevingbestendig?

“Een heleboel scholen waren op een moderne manier gebouwd, met betonblokken. Die zijn stijf en scheuren bij aardbevingen. Daarna kun je ze nooit meer echt repareren. Veel huizen op Simeuleu zijn juist van hout opgetrokken. Die staan grotendeels nog, want hout kan wel bewegingen opvangen. In de nieuwbouw zal dus veel hout worden verwerkt en niet al te veel beton. Dat is nodig, want aardbevingen komen zoniet dagelijks, dan toch wekelijks voor. Daarom moet je er ook voor zorgen dat mensen niet onder gebouwen verpletterd kunnen worden. Gebouwen moeten simpel zijn, met één verdieping en lichte daken.”

Heb je in Indonesië iets aan je contacten bij de TU Delft?

“Als wij eens een keer advies nodig hebben over bepaalde constructies, dan weet ik wie ik bij Bouwkunde een mailtje moet sturen. Maar of we ter plekke mensen van Bouwkunde, studenten, zouden kunnen gebruiken, weet ik niet. Het is van belang dat juist zo veel mogelijk Indonesiërs een rol spelen in zo’n project. Zij hebben de lokale kennis. Bovendien krijgen ze een inkomen als ze met ons werken. Dat kunnen ze besteden en zo gaat het geld rollen. De hele economie gaat daardoor draaien. Materialen moet je ook daar proberen te kopen. Dan is het effect van de hulp veel groter dan alleen de komst van een nieuw schooltje.”

Dit is niet de eerste keer dat je ontwikkelingswerk gaat doen. Ook in Afrika heb je gebouwd.

“Mijn ervaring ligt inderdaad in Afrika: Kameroen, Kenia, Tanzania, Oeganda, Nigeria. In totaal ben ik vijftien jaar weggeweest. Het doel was nooit gebouwen bouwen. Dat was het middel. De allereerste job was in Kameroen. De opdracht was om een school te bouwen waar naast jongens, meisjes les konden krijgen. Daar had je aparte slaapzalen, toiletgebouwen, uitbreiding van de lokalen voor nodig. Dat alles bedachten we in overleg met de mensen daar. In mijn eerste baan in Kenia werkte ik voor een dovenorganisatie en was het de vraag hoe je op de beste manier onderwijs kunt geven aan doven. Je bent dan onderdeel van het bedenken van een curriculum. Uiteindelijk komen de gebouwen er, maar de weg ernaar toe is veel interessanter.”

Ben je ooit ergens terug geweest om te zien of je gebouwen zoveel jaar later ook nog bestonden?

“Na 24 jaar ben ik teruggeweest naar Kameroen en de school stond er nog net zo strak en mooi bij als toen ze werd opgeleverd. Ik ben niet iemand van noodhulp, maar iemand van structurele hulp. Ik heb nu ook tegen Cordaid gezegd: als jullie hulp geven op een manier van pleisters plakken, dan ben ik niet geïnteresseerd, dat is niks voor mij. Voor mij is de vraag belangrijk of je twintig, dertig jaar later nog kunt zeggen: staat het spul er nog en functioneert het zoals het bedoeld is.”

Wat is je drijfveer?

“Ik denk dat ik 35 jaar geleden begonnen ben met een redelijk grote mate van idealisme. Door dit soort werk te doen, ben ik erachter gekomen dat ik er goed in ben, dat ik in moeilijke omstandigheden kan organiseren. Na elke periode in het buitenland was er een periode in Nederland. De meeste banen heb ik een jaar of vier, vijf gedaan, zowel in het ontwikkelingswerk als in Nederland. Na zo’n periode in Nederland gaat het altijd weer kriebelen en ga ik weer weg.”

Bij Bouwkunde heb je 4,5 jaar gezeten. Wat zag je toen je kwam?

“Op facilitair gebied gebeurde er niet veel. Toen ik bij Bouwkunde kwam, trof ik een organisatie die druk was met de dagelijkse problemen. Ad hoc reagerend op wat de bouwkundegemeenschap vroeg of aan problemen genereerde. Geen visie op de toekomst en geen visie op het voorkomen van problemen en het voor zijn van vragen. Ik heb toen zelf een model opgesteld om dat te verbeteren.”

Hoe ziet dat eruit?

“Het facility management moet zo functioneren dat de veiligheid van de mensen in het gebouw gewaarborgd is, dat alles naar behoren werkt, dat vluchtdeuren bijvoorbeeld niet zijn afgesloten en dat het duidelijk is wie daarvoor verantwoordelijk is. Bovendien moeten we ervoor zorgen dat het onderwijs en het onderzoek de faciliteiten krijgen die ze nodig hebben. En dan is er het gebouw, van dertig jaar oud, ooit ontworpen voor 750 studenten, tijdens de bouw al uitgebreid met een aantal inhangvloeren zodat er 1250 studenten in konden. Nu hebben we drieduizend studenten. Oké, er wordt ook op een andere manier onderwijs gegeven, het gebouw staat niet meer vol met tekentafels. Maar het blijft een gebouw met ongelooflijk veel gebreken, dat toch functioneel en veilig gehouden moet worden. Dat heb ik geprobeerd op te zetten en met de OOD komt er nu een ander model.”

Een beter of een slechter model?

“Dat zal de tijd leren. Wat bekend is van de OOD is dat een deel van de services centraal wordt en dat een deel bij de faculteiten blijft. De facility manager komt dan in een spagaat tussen het belang van de faculteit en dat van de TU. Daar moet hij mee leren omgaan. Ik ben gereserveerd over de OOD. Ik geloof in het model dat ik heb opgezet, ik heb mijn mensen daar achter gekregen. Nu zou ik tegen diezelfde mensen moeten zeggen: het was toch niet zo’n goed model. Het is maar goed dat ik dat niet hoef te doen.”

Denk je dat je een voorbeeld bent voor studenten bouwkunde?

“Veel studenten willen zo snel mogelijk met een eigen bureautje beginnen. De gebouwtjes die ik in Afrika heb gemaakt, waren heel simpel, zo goedkoop mogelijk gemaakt en goed te onderhouden. Voor dat soort gebouwtjes hoef je geen bouwkunde aan de TU te studeren. Op een gegeven ogenblik diskwalificeren studenten zichzelf door hun opleiding voor het simpele werk. Wij bouwen zonder veel toeters en bellen en esthetische hoogstandjes datgene wat mensen nodig hebben, met heel veel praktisch inzicht. Architecten maken soms hele bijzondere gebouwen waarvan we zeggen ‘nou, dat is het begin van de problemen’.”

Wordt dit je laatste baan?

“Nee, ik moet door tot mijn 65ste en dat red ik niet met dit project. Maar zo ver kijk ik niet vooruit. Het werkt alleen maar als een rem als ik op zijn Nederlands denk dat ik op mijn 61ste geen andere baan meer kan vinden. Er is maar een klein aantal mensen dat een nieuwe uitdaging in dit soort werk zwaarder vindt wegen dan al die andere redenen om niet te gaan. Maar ik vind het leuk, ik vind het een uitdaging. Als je in het ontwikkelingswerk eenmaal goed hebt gedraaid, dan geeft dat de kriebels.”
WIE IS COR KOOI?

Cor Kooi (58) had verspreid over 35 jaar al vijftien jaar ontwikkelingswerk in diverse Afrikaanse landen achter zich toen hij 4,5 jaar geleden facility manager werd bij Bouwkunde. Van huis uit is hij een ‘praktijkman’, een aannemer. Hij begon zijn carriÈre bij een bouwbedrijf in Nederland. Daarna vertrok Kooi naar Kameroen. In de periodes terug in Nederland kwam hij deels weer in de bouw terecht, als project- of bedrijfsleider. Zijn meest uitzonderlijke Nederlandse baan vindt hij die van hoofd algemene zaken op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens. “Al was dat eigenlijk gewoon facility management, een heel groot internaat op 75 hectare grond met honderd gebouwen erop, inclusief een eigen begraafplaats en een kerk. Dat was toen ik in 1992 na Kenia in Nederland terugkwam.” Koois vrouw en vroeger zijn gezin zijn altijd met hem meegegaan. Ook nu gaat zijn vrouw weer mee, waarschijnlijk als logistiek medewerker van het Cordaid-project waarvan Kooi de leider wordt.

(Foto’s: Hans Stakelbeek/FMAX)

Krijg je met veel getraumatiseerde mensen te maken op Simeuleu?

“Ik denk dat dat meevalt. Ik heb gelezen dat er op het eiland een legende bestaat die zegt dat de zee zich terugtrekt als hij kwaad wordt, en dan met een grote vloed terugkomt. Dus dat je dan de heuvels in moet vluchten. De mensen hebben zich dat herinnerd. Ik heb in verschillende artikelen geen hoger aantal slachtoffers kunnen vinden dan zes en er wonen volgens schattingen 80 duizend tot 130 duizend mensen. Wel zijn veel mensen al hun bezittingen kwijt.”

Wat houdt dat in, scholen bouwen na zo’n ramp?

“Alle 155 scholen op het eiland Simeuleu zijn dusdanig beschadigd dat ze herbouwd moeten worden. Save the Children gaat 43 scholen aan de noordkant van het eiland herbouwen, en de ontwikkelingsorganisatie Cordaid, waarvoor ik ga werken, het midden en het zuiden. Dat zijn 112 dorps- en middelbare scholen. De grootte varieert van twee tot acht lokalen, met een bibliotheekje en een staff room. Wat nu nog overeind staat, moet eerst worden afgebroken. Daarna kunnen we bouwen, op zo’n manier dat de scholen een aardbeving kunnen weerstaan.”

Hoe bouw je aardbevingbestendig?

“Een heleboel scholen waren op een moderne manier gebouwd, met betonblokken. Die zijn stijf en scheuren bij aardbevingen. Daarna kun je ze nooit meer echt repareren. Veel huizen op Simeuleu zijn juist van hout opgetrokken. Die staan grotendeels nog, want hout kan wel bewegingen opvangen. In de nieuwbouw zal dus veel hout worden verwerkt en niet al te veel beton. Dat is nodig, want aardbevingen komen zoniet dagelijks, dan toch wekelijks voor. Daarom moet je er ook voor zorgen dat mensen niet onder gebouwen verpletterd kunnen worden. Gebouwen moeten simpel zijn, met één verdieping en lichte daken.”

Heb je in Indonesië iets aan je contacten bij de TU Delft?

“Als wij eens een keer advies nodig hebben over bepaalde constructies, dan weet ik wie ik bij Bouwkunde een mailtje moet sturen. Maar of we ter plekke mensen van Bouwkunde, studenten, zouden kunnen gebruiken, weet ik niet. Het is van belang dat juist zo veel mogelijk Indonesiërs een rol spelen in zo’n project. Zij hebben de lokale kennis. Bovendien krijgen ze een inkomen als ze met ons werken. Dat kunnen ze besteden en zo gaat het geld rollen. De hele economie gaat daardoor draaien. Materialen moet je ook daar proberen te kopen. Dan is het effect van de hulp veel groter dan alleen de komst van een nieuw schooltje.”

Dit is niet de eerste keer dat je ontwikkelingswerk gaat doen. Ook in Afrika heb je gebouwd.

“Mijn ervaring ligt inderdaad in Afrika: Kameroen, Kenia, Tanzania, Oeganda, Nigeria. In totaal ben ik vijftien jaar weggeweest. Het doel was nooit gebouwen bouwen. Dat was het middel. De allereerste job was in Kameroen. De opdracht was om een school te bouwen waar naast jongens, meisjes les konden krijgen. Daar had je aparte slaapzalen, toiletgebouwen, uitbreiding van de lokalen voor nodig. Dat alles bedachten we in overleg met de mensen daar. In mijn eerste baan in Kenia werkte ik voor een dovenorganisatie en was het de vraag hoe je op de beste manier onderwijs kunt geven aan doven. Je bent dan onderdeel van het bedenken van een curriculum. Uiteindelijk komen de gebouwen er, maar de weg ernaar toe is veel interessanter.”

Ben je ooit ergens terug geweest om te zien of je gebouwen zoveel jaar later ook nog bestonden?

“Na 24 jaar ben ik teruggeweest naar Kameroen en de school stond er nog net zo strak en mooi bij als toen ze werd opgeleverd. Ik ben niet iemand van noodhulp, maar iemand van structurele hulp. Ik heb nu ook tegen Cordaid gezegd: als jullie hulp geven op een manier van pleisters plakken, dan ben ik niet geïnteresseerd, dat is niks voor mij. Voor mij is de vraag belangrijk of je twintig, dertig jaar later nog kunt zeggen: staat het spul er nog en functioneert het zoals het bedoeld is.”

Wat is je drijfveer?

“Ik denk dat ik 35 jaar geleden begonnen ben met een redelijk grote mate van idealisme. Door dit soort werk te doen, ben ik erachter gekomen dat ik er goed in ben, dat ik in moeilijke omstandigheden kan organiseren. Na elke periode in het buitenland was er een periode in Nederland. De meeste banen heb ik een jaar of vier, vijf gedaan, zowel in het ontwikkelingswerk als in Nederland. Na zo’n periode in Nederland gaat het altijd weer kriebelen en ga ik weer weg.”

Bij Bouwkunde heb je 4,5 jaar gezeten. Wat zag je toen je kwam?

“Op facilitair gebied gebeurde er niet veel. Toen ik bij Bouwkunde kwam, trof ik een organisatie die druk was met de dagelijkse problemen. Ad hoc reagerend op wat de bouwkundegemeenschap vroeg of aan problemen genereerde. Geen visie op de toekomst en geen visie op het voorkomen van problemen en het voor zijn van vragen. Ik heb toen zelf een model opgesteld om dat te verbeteren.”

Hoe ziet dat eruit?

“Het facility management moet zo functioneren dat de veiligheid van de mensen in het gebouw gewaarborgd is, dat alles naar behoren werkt, dat vluchtdeuren bijvoorbeeld niet zijn afgesloten en dat het duidelijk is wie daarvoor verantwoordelijk is. Bovendien moeten we ervoor zorgen dat het onderwijs en het onderzoek de faciliteiten krijgen die ze nodig hebben. En dan is er het gebouw, van dertig jaar oud, ooit ontworpen voor 750 studenten, tijdens de bouw al uitgebreid met een aantal inhangvloeren zodat er 1250 studenten in konden. Nu hebben we drieduizend studenten. Oké, er wordt ook op een andere manier onderwijs gegeven, het gebouw staat niet meer vol met tekentafels. Maar het blijft een gebouw met ongelooflijk veel gebreken, dat toch functioneel en veilig gehouden moet worden. Dat heb ik geprobeerd op te zetten en met de OOD komt er nu een ander model.”

Een beter of een slechter model?

“Dat zal de tijd leren. Wat bekend is van de OOD is dat een deel van de services centraal wordt en dat een deel bij de faculteiten blijft. De facility manager komt dan in een spagaat tussen het belang van de faculteit en dat van de TU. Daar moet hij mee leren omgaan. Ik ben gereserveerd over de OOD. Ik geloof in het model dat ik heb opgezet, ik heb mijn mensen daar achter gekregen. Nu zou ik tegen diezelfde mensen moeten zeggen: het was toch niet zo’n goed model. Het is maar goed dat ik dat niet hoef te doen.”

Denk je dat je een voorbeeld bent voor studenten bouwkunde?

“Veel studenten willen zo snel mogelijk met een eigen bureautje beginnen. De gebouwtjes die ik in Afrika heb gemaakt, waren heel simpel, zo goedkoop mogelijk gemaakt en goed te onderhouden. Voor dat soort gebouwtjes hoef je geen bouwkunde aan de TU te studeren. Op een gegeven ogenblik diskwalificeren studenten zichzelf door hun opleiding voor het simpele werk. Wij bouwen zonder veel toeters en bellen en esthetische hoogstandjes datgene wat mensen nodig hebben, met heel veel praktisch inzicht. Architecten maken soms hele bijzondere gebouwen waarvan we zeggen ‘nou, dat is het begin van de problemen’.”

Wordt dit je laatste baan?

“Nee, ik moet door tot mijn 65ste en dat red ik niet met dit project. Maar zo ver kijk ik niet vooruit. Het werkt alleen maar als een rem als ik op zijn Nederlands denk dat ik op mijn 61ste geen andere baan meer kan vinden. Er is maar een klein aantal mensen dat een nieuwe uitdaging in dit soort werk zwaarder vindt wegen dan al die andere redenen om niet te gaan. Maar ik vind het leuk, ik vind het een uitdaging. Als je in het ontwikkelingswerk eenmaal goed hebt gedraaid, dan geeft dat de kriebels.”
WIE IS COR KOOI?

Cor Kooi (58) had verspreid over 35 jaar al vijftien jaar ontwikkelingswerk in diverse Afrikaanse landen achter zich toen hij 4,5 jaar geleden facility manager werd bij Bouwkunde. Van huis uit is hij een ‘praktijkman’, een aannemer. Hij begon zijn carriÈre bij een bouwbedrijf in Nederland. Daarna vertrok Kooi naar Kameroen. In de periodes terug in Nederland kwam hij deels weer in de bouw terecht, als project- of bedrijfsleider. Zijn meest uitzonderlijke Nederlandse baan vindt hij die van hoofd algemene zaken op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens. “Al was dat eigenlijk gewoon facility management, een heel groot internaat op 75 hectare grond met honderd gebouwen erop, inclusief een eigen begraafplaats en een kerk. Dat was toen ik in 1992 na Kenia in Nederland terugkwam.” Koois vrouw en vroeger zijn gezin zijn altijd met hem meegegaan. Ook nu gaat zijn vrouw weer mee, waarschijnlijk als logistiek medewerker van het Cordaid-project waarvan Kooi de leider wordt.

(Foto’s: Hans Stakelbeek/FMAX)

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.