Sinds de val van de muur ligt Berlijn op de schop. Overal verrijzen ambitieuze gebouwen van gerenommeerde buitenlandse architecten. Maar waar zijn de Duitsers zelf? Wat is eigenlijk Duitse architectuur?
In de entreehal van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam is vanaf deze week een kleine tentoonstelling ingericht van het werk van een aantal jonge architectenbureaus uit Berlijn. Op het eerste gezicht lijkt het niet veel meer dan een tijdelijke aankleding van de entreehal, waar je even een blik op werpt tijdens het kopen van een kaartje voor een van de grotere tentoonstellingen verderop in het gebouw. Twaalf schuimrubberen blokken vormen afwisselend zitbankjes en kijkdozen waar per blok het werk van één van de zes bureaus in zijn gevat. Verderop geeft een kaart van Berlijn een overzicht van de nieuwe ontwikkelingen in de stad en de plaats waar de tentoongestelde gebouwen in werkelijkheid te vinden zijn.
Een prima gelegenheid om even neer te strijken tijdens het wachten op vrienden bij het naar binnen of buiten gaan. Maar hoewel er voldoende mogelijkheid is om over elk van deze bureaus ter plekke meer te weten te komen en de gebouwen elk voor zich aanleiding zijn om langer te bestuderen, is het in eerste instantie onduidelijk waarom juist deze gebouwen en deze bureaus hier samen zijn gepresenteerd. Het lijkt een willekeurige greep uit de stad die gedurende de afgelopen tien jaar zo’n ongekend grote bouwproductie kende. En geen van deze gebouwen sprong daar tot nog toe uit in de wereldwijde belangstelling voor Berlijn.
Jaloers
Een symposium leidde afgelopen vrijdag de tentoonstelling in en trachtte de achterliggende gedachte achter de tentoonstelling boven tafel te krijgen. Eigenlijk weten wij in Nederland bijzonder weinig van wat in Duitsland op architectuurgebied gebeurt. Het symposium moest een dialoog tussen Nederland en Duitsland op gang brengen.
Na een korte inleidende presentatie van hun werk namen de vertegenwoordigers van de Duitse bureaus plaats aan de discussietafel met twee Nederlandse architectuurcritici, Michelle Provoost van architectuurtijdschrift Archis en Robert Roos van Trouw. Al snel bleek dat ook deze critici geen doorgewinterde kenners van de hedendaagse Duitse architectuur zijn. Provoost gooide meteen de knuppel in het hoenderhok door de Duitse gasten te vragen waarom de internationale belangstelling voor hun werk zo klein is, terwijl de Nederlandse architecten overal veel meer worden geprezen. Maakt dat niet jaloers?
Ietwat in verlegenheid gebracht probeerden de architecten voorzichtig de zo geschetste situatie te verklaren. ,,In Duitsland ontbreken de subsidies en instituten die in Nederlandvooruitstrevende architectuur promoten. Er is geen nationaal architectuurinstituut en niemand zou voor de lol betalen voor een discussie over architectuur, zoals deze”, aldus Verena von Beckerath van het bureau Heide, Von Beckerath, Alberts. ,,Daardoor is het moeilijk de veelal conservatieve klant mee te krijgen voor een vernieuwend ontwerp. De algehele lobby voor moderne architectuur ontbreekt.” Doordat veel jonge architecten in het buitenland hebben gewerkt is dit nu wel aan het veranderen, vinden de meesten.
Hipper
Provoost en Roos merkten op hun beurt op dat de Duitse architecten van de Nederlandse verschillen omdat ze de gebouwen als een blok met een vorm op zichzelf beschouwen, terwijl in Nederland door architecten ook hele stadswijken worden onderzocht op zoek naar nieuwe sociale en maatschappelijke mogelijkheden voor het gebouw in een grotere context.
,,Er wordt minder gekeken naar routing en processen dan in Nederland, en er wordt minder avontuurlijk mee omgesprongen”, aldus Provoost. ,,De betrokkenheid met het moderne dagelijks leven lijkt geheel afwezig. Dat dat in Nederland wel gebeurt komt door de invloed van OMA en Rem Koolhaas.”
Hiertegen mocht de bezoekende partij zich vervolgens weer verdedigen. Naarmate de discussie vorderde leek het er op dat een dialoog uitbleef, en dat de Duitsers aan tafel zaten om les te krijgen van de Nederlanders. Hen werd aangeraden om naast hun praktijk zelf boeken te schrijven teneinde de Duitse bouwwereld van binnenuit te veranderen, net als MVRDV en anderen dat toch ook hier hadden gedaan. Niemand vroeg naar de kwaliteit van de Duitse architectuur en wat we daar in Nederland van kunnen leren. Nederlandse architectuur is immers hipper, beroemder en dus beter, zo werd gesuggereerd, met haar eigen critici als propagandisten.
Conservatief
Nuancering kwam toen in een tweede ronde een aantal Nederlandse architecten aan het woord kwam die in Berlijn gebouwd hebben. Kees Christiaanse stelde dat in Duitsland het architectuurdebat veelvuldiger en diepgaander gevoerd werd dan hier, dat de gebouwen technisch veel beter worden uitgevoerd en dat er meer geld is voor exquisiete gebouwen door buitenlandse architecten.
Hij verklaart de verschillen naar aanleiding van de verschillende socio-economische ontwikkelingen binnen beide landen na de oorlog. In Nederland kon na de revolutie van 1968 een jonge generatie op alle gebieden hun invloed doen gelden, waardoor men veel sneller tot vernieuwende keuzes kwam. In Duitsland daarentegen lag de macht nog geheel bij de oude en conservatievere generatie, waardoor veranderingen lang op zich hebben laten wachten, aldus Christiaanse.
Rijksbouwmeester Jo Coenen vindt het niet gek dat men in Nederland weinig weet van Berlijnse architectuur. ,,Ik vraag me af wat ze weten van de architectuur van Madrid, of van Sevilla. De Nederlandse architectuur scene kijkt van Rotterdam naar Amsterdam,naar Utrecht en weer terug naar Rotterdam. Zelfs Maastricht kennen ze niet. Dat is ons grote gebrek.”
Nu het stof van de grote bouwwoede in Berlijn begint op te trekken ontstaat een nieuw beeld van de stad. Een beeld dat vooral bepaald wordt door wat er de afgelopen jaren in de magazines heeft gestaan: de grote nieuwbouwprojecten van architecten als Foster, Piano, Kollhof en Eisenman. Niet het Berlijn zoals het daarvoor bekend was, en niet de gebouwen die nu op de tentoonstelling staan.
Die laatste geven nu dus een kijkje achter de schermen van het grootschalige geweld, en laten ook andere benaderingswijzen zien door kleine, jonge, Berlijnse architectenbureaus. Beckerath: ,,Heinrich Heine zei ooit: Berlijn is vele steden. Het gevaar is nu dat de wereld alleen deze nieuwbouwstad kent. Maar er is nog zoveel meer, Berlijn is nog steeds vele steden, met elk hun eigen sfeer en mensen. Het is belangrijk om dat te blijven zien.”
Made in Berlin % Zes Berlijnse Architectenbureaus
Met werk van: Popp Planungen, Sauerbruch/Hutton, Léon/Wohlhage/Wernik, Heide/Von Beckerath/Alberts, Barkow/Leibinger en Grüntuch/Ernst.
T/m 6 mei in de entreehal van het Nai
Museumpark , Rotterdam
In de entreehal van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam is vanaf deze week een kleine tentoonstelling ingericht van het werk van een aantal jonge architectenbureaus uit Berlijn. Op het eerste gezicht lijkt het niet veel meer dan een tijdelijke aankleding van de entreehal, waar je even een blik op werpt tijdens het kopen van een kaartje voor een van de grotere tentoonstellingen verderop in het gebouw. Twaalf schuimrubberen blokken vormen afwisselend zitbankjes en kijkdozen waar per blok het werk van één van de zes bureaus in zijn gevat. Verderop geeft een kaart van Berlijn een overzicht van de nieuwe ontwikkelingen in de stad en de plaats waar de tentoongestelde gebouwen in werkelijkheid te vinden zijn.
Een prima gelegenheid om even neer te strijken tijdens het wachten op vrienden bij het naar binnen of buiten gaan. Maar hoewel er voldoende mogelijkheid is om over elk van deze bureaus ter plekke meer te weten te komen en de gebouwen elk voor zich aanleiding zijn om langer te bestuderen, is het in eerste instantie onduidelijk waarom juist deze gebouwen en deze bureaus hier samen zijn gepresenteerd. Het lijkt een willekeurige greep uit de stad die gedurende de afgelopen tien jaar zo’n ongekend grote bouwproductie kende. En geen van deze gebouwen sprong daar tot nog toe uit in de wereldwijde belangstelling voor Berlijn.
Jaloers
Een symposium leidde afgelopen vrijdag de tentoonstelling in en trachtte de achterliggende gedachte achter de tentoonstelling boven tafel te krijgen. Eigenlijk weten wij in Nederland bijzonder weinig van wat in Duitsland op architectuurgebied gebeurt. Het symposium moest een dialoog tussen Nederland en Duitsland op gang brengen.
Na een korte inleidende presentatie van hun werk namen de vertegenwoordigers van de Duitse bureaus plaats aan de discussietafel met twee Nederlandse architectuurcritici, Michelle Provoost van architectuurtijdschrift Archis en Robert Roos van Trouw. Al snel bleek dat ook deze critici geen doorgewinterde kenners van de hedendaagse Duitse architectuur zijn. Provoost gooide meteen de knuppel in het hoenderhok door de Duitse gasten te vragen waarom de internationale belangstelling voor hun werk zo klein is, terwijl de Nederlandse architecten overal veel meer worden geprezen. Maakt dat niet jaloers?
Ietwat in verlegenheid gebracht probeerden de architecten voorzichtig de zo geschetste situatie te verklaren. ,,In Duitsland ontbreken de subsidies en instituten die in Nederlandvooruitstrevende architectuur promoten. Er is geen nationaal architectuurinstituut en niemand zou voor de lol betalen voor een discussie over architectuur, zoals deze”, aldus Verena von Beckerath van het bureau Heide, Von Beckerath, Alberts. ,,Daardoor is het moeilijk de veelal conservatieve klant mee te krijgen voor een vernieuwend ontwerp. De algehele lobby voor moderne architectuur ontbreekt.” Doordat veel jonge architecten in het buitenland hebben gewerkt is dit nu wel aan het veranderen, vinden de meesten.
Hipper
Provoost en Roos merkten op hun beurt op dat de Duitse architecten van de Nederlandse verschillen omdat ze de gebouwen als een blok met een vorm op zichzelf beschouwen, terwijl in Nederland door architecten ook hele stadswijken worden onderzocht op zoek naar nieuwe sociale en maatschappelijke mogelijkheden voor het gebouw in een grotere context.
,,Er wordt minder gekeken naar routing en processen dan in Nederland, en er wordt minder avontuurlijk mee omgesprongen”, aldus Provoost. ,,De betrokkenheid met het moderne dagelijks leven lijkt geheel afwezig. Dat dat in Nederland wel gebeurt komt door de invloed van OMA en Rem Koolhaas.”
Hiertegen mocht de bezoekende partij zich vervolgens weer verdedigen. Naarmate de discussie vorderde leek het er op dat een dialoog uitbleef, en dat de Duitsers aan tafel zaten om les te krijgen van de Nederlanders. Hen werd aangeraden om naast hun praktijk zelf boeken te schrijven teneinde de Duitse bouwwereld van binnenuit te veranderen, net als MVRDV en anderen dat toch ook hier hadden gedaan. Niemand vroeg naar de kwaliteit van de Duitse architectuur en wat we daar in Nederland van kunnen leren. Nederlandse architectuur is immers hipper, beroemder en dus beter, zo werd gesuggereerd, met haar eigen critici als propagandisten.
Conservatief
Nuancering kwam toen in een tweede ronde een aantal Nederlandse architecten aan het woord kwam die in Berlijn gebouwd hebben. Kees Christiaanse stelde dat in Duitsland het architectuurdebat veelvuldiger en diepgaander gevoerd werd dan hier, dat de gebouwen technisch veel beter worden uitgevoerd en dat er meer geld is voor exquisiete gebouwen door buitenlandse architecten.
Hij verklaart de verschillen naar aanleiding van de verschillende socio-economische ontwikkelingen binnen beide landen na de oorlog. In Nederland kon na de revolutie van 1968 een jonge generatie op alle gebieden hun invloed doen gelden, waardoor men veel sneller tot vernieuwende keuzes kwam. In Duitsland daarentegen lag de macht nog geheel bij de oude en conservatievere generatie, waardoor veranderingen lang op zich hebben laten wachten, aldus Christiaanse.
Rijksbouwmeester Jo Coenen vindt het niet gek dat men in Nederland weinig weet van Berlijnse architectuur. ,,Ik vraag me af wat ze weten van de architectuur van Madrid, of van Sevilla. De Nederlandse architectuur scene kijkt van Rotterdam naar Amsterdam,naar Utrecht en weer terug naar Rotterdam. Zelfs Maastricht kennen ze niet. Dat is ons grote gebrek.”
Nu het stof van de grote bouwwoede in Berlijn begint op te trekken ontstaat een nieuw beeld van de stad. Een beeld dat vooral bepaald wordt door wat er de afgelopen jaren in de magazines heeft gestaan: de grote nieuwbouwprojecten van architecten als Foster, Piano, Kollhof en Eisenman. Niet het Berlijn zoals het daarvoor bekend was, en niet de gebouwen die nu op de tentoonstelling staan.
Die laatste geven nu dus een kijkje achter de schermen van het grootschalige geweld, en laten ook andere benaderingswijzen zien door kleine, jonge, Berlijnse architectenbureaus. Beckerath: ,,Heinrich Heine zei ooit: Berlijn is vele steden. Het gevaar is nu dat de wereld alleen deze nieuwbouwstad kent. Maar er is nog zoveel meer, Berlijn is nog steeds vele steden, met elk hun eigen sfeer en mensen. Het is belangrijk om dat te blijven zien.”
Made in Berlin % Zes Berlijnse Architectenbureaus
Met werk van: Popp Planungen, Sauerbruch/Hutton, Léon/Wohlhage/Wernik, Heide/Von Beckerath/Alberts, Barkow/Leibinger en Grüntuch/Ernst.
T/m 6 mei in de entreehal van het Nai
Museumpark , Rotterdam
Comments are closed.