Jan van Katwijk, decaan van ITS (Informatietechnologie en Systemen), is lid van de Commissie Onderwijsportfolio. De ongerustheid over de keuzen die gemaakt gaan worden, vindt hij overtrokken.
,,Als er een leerstoel ‘vanzelf’ verdwijnt, hoor je nooit iemand.”
Prof.dr.ir. J. van Katwijk, eerder al voorzitter van de Adviescommissie Kwaliteitszorg voor het Onderwijs (AKO), is een voorstander van de discussie over zowel de onderwijs- als de onderzoeksportfolio. Mede daarom neemt hij graag deel aan de Commissie Onderwijsportfolio. ,,De profilering van de TU Delft moet beter. Dat bereik je door keuzen te maken op onderzoeksgebied en te zorgen voor een gestructureerd onderwijsaanbod. Op dit moment is het overzicht van de opleidingen onvoldoende. Het is mijn verwachting dat de commissie met goede richtlijnen kan komen om dit te verbeteren.”
Over de huidige werkzaamheden van de commissie kan Van Katwijk nog niets zeggen omdat ze net gestart zijn. Hij wil alleen kwijt: ,,Als wij over vijf jaar driehonderd masters hebben % ongeveer één per hoogleraar % dan hebben wij het niet goed gedaan.”
Breed versus smal
De masters moeten volgens Van Katwijk getoetst worden aan drie criteria. Het eerste is het kwalificatieprofiel oftewel: Wat houdt de master precies in? Ten tweede is het volgens Van Katwijk belangrijk om te bekijken of er een markt is voor de master. En als derde moet bekeken worden wat het profiel moet zijn van de instromende studenten. ,,Duidelijk moet worden welke bachelor toegang geeft tot welke master. Maar ook moet vastgesteld worden over welke kennis een ingenieur met een masterstitel moet beschikken. Neem bijvoorbeeld een wiskundige bachelor die kiest voor een elektrotechnische master. Krijgt deze alleen een elektrotechnisch sausje of levert het ingenieurs op met nieuwe gemeenschappelijke kenmerken? Kies je voor het eerste dan is het opzetten van een extra master niet altijd nodig en kun je volstaan met bijvakken.”
Hoewel de onderzoeksportfolio richtinggevend is bij de discussie zal er geen automatische koppeling zijn met de onderwijsportfolio. ,,Dat zou niet reëel zijn want het abstractieniveau van de onderzoeksportfolio is te hoog. Het speerpunt informatietechnologie laat zich niet zonder meer vertalen in één master.”
Vast staat volgens Van Katwijk dat er keuzen gemaakt moeten worden en niet alle opleidingen gehandhaafd blijven. ,,Die onrust hierover begrijp ik maar gedeeltelijk. Continu verdwijnen er geruisloos leerstoelen en daar hoor je zelden iemand over. Nu bij de portfolio zichtbare en gerichte keuzen worden gemaakt, begint iedereen te piepen.”
Voor studenten is het natuurlijk wel vervelend als net die afstudeerrichting verdwijnt, die zij hadden willen kiezen. ,,Die kan ik eveneens geruststellen: aan de universiteit veranderen dingen zelden snel.”
Van Katwijk verwacht dat in de discussie over de onderwijsportfolio ook de bachelors ter sprake komen. ,,Zelf vind ik het nog lastig te bepalen of een brede of smalle bachelor mijn voorkeur heeft. Voor studenten die niet precies weten wat ze willen is een brede bachelor meer geschikt. Je kunt dan later nog een keuze maken. Een smalle bachelor daarentegen is beter voor studenten die wel weten wat ze willen. De commissie moet voor deze belangentegenstelling een oplossing zien te vinden die beide groepen recht doet.”
Jan van Katwijk, decaan van ITS (Informatietechnologie en Systemen), is lid van de Commissie Onderwijsportfolio. De ongerustheid over de keuzen die gemaakt gaan worden, vindt hij overtrokken. ,,Als er een leerstoel ‘vanzelf’ verdwijnt, hoor je nooit iemand.”
Prof.dr.ir. J. van Katwijk, eerder al voorzitter van de Adviescommissie Kwaliteitszorg voor het Onderwijs (AKO), is een voorstander van de discussie over zowel de onderwijs- als de onderzoeksportfolio. Mede daarom neemt hij graag deel aan de Commissie Onderwijsportfolio. ,,De profilering van de TU Delft moet beter. Dat bereik je door keuzen te maken op onderzoeksgebied en te zorgen voor een gestructureerd onderwijsaanbod. Op dit moment is het overzicht van de opleidingen onvoldoende. Het is mijn verwachting dat de commissie met goede richtlijnen kan komen om dit te verbeteren.”
Over de huidige werkzaamheden van de commissie kan Van Katwijk nog niets zeggen omdat ze net gestart zijn. Hij wil alleen kwijt: ,,Als wij over vijf jaar driehonderd masters hebben % ongeveer één per hoogleraar % dan hebben wij het niet goed gedaan.”
Breed versus smal
De masters moeten volgens Van Katwijk getoetst worden aan drie criteria. Het eerste is het kwalificatieprofiel oftewel: Wat houdt de master precies in? Ten tweede is het volgens Van Katwijk belangrijk om te bekijken of er een markt is voor de master. En als derde moet bekeken worden wat het profiel moet zijn van de instromende studenten. ,,Duidelijk moet worden welke bachelor toegang geeft tot welke master. Maar ook moet vastgesteld worden over welke kennis een ingenieur met een masterstitel moet beschikken. Neem bijvoorbeeld een wiskundige bachelor die kiest voor een elektrotechnische master. Krijgt deze alleen een elektrotechnisch sausje of levert het ingenieurs op met nieuwe gemeenschappelijke kenmerken? Kies je voor het eerste dan is het opzetten van een extra master niet altijd nodig en kun je volstaan met bijvakken.”
Hoewel de onderzoeksportfolio richtinggevend is bij de discussie zal er geen automatische koppeling zijn met de onderwijsportfolio. ,,Dat zou niet reëel zijn want het abstractieniveau van de onderzoeksportfolio is te hoog. Het speerpunt informatietechnologie laat zich niet zonder meer vertalen in één master.”
Vast staat volgens Van Katwijk dat er keuzen gemaakt moeten worden en niet alle opleidingen gehandhaafd blijven. ,,Die onrust hierover begrijp ik maar gedeeltelijk. Continu verdwijnen er geruisloos leerstoelen en daar hoor je zelden iemand over. Nu bij de portfolio zichtbare en gerichte keuzen worden gemaakt, begint iedereen te piepen.”
Voor studenten is het natuurlijk wel vervelend als net die afstudeerrichting verdwijnt, die zij hadden willen kiezen. ,,Die kan ik eveneens geruststellen: aan de universiteit veranderen dingen zelden snel.”
Van Katwijk verwacht dat in de discussie over de onderwijsportfolio ook de bachelors ter sprake komen. ,,Zelf vind ik het nog lastig te bepalen of een brede of smalle bachelor mijn voorkeur heeft. Voor studenten die niet precies weten wat ze willen is een brede bachelor meer geschikt. Je kunt dan later nog een keuze maken. Een smalle bachelor daarentegen is beter voor studenten die wel weten wat ze willen. De commissie moet voor deze belangentegenstelling een oplossing zien te vinden die beide groepen recht doet.”
Comments are closed.