Paul Rijkers is software-engineer bij het IRI, maar elke vrijdag bestijgt hij de laatste paltrokmolen van Amsterdam. Maar hoe lang? Nieuwbouw in de omgeving zorgt voor nog meer windstilte en turbulentie.
br />
Westerpark, Amsterdam. Als een kasteelheer van een belegerde vesting wijst molenaar Paul Rijkers (54) wijst in alle richtingen. Overal rukt hoogbouw op, die de houtzaagmolen waar hij elke vrijdag werkt, de wind uit de wieken neemt.
De Otter is de allereerste (1631) en de allerlaatste paltrokmolen van Amsterdam. Hij is kleiner dan je zou verwachten en staat in een hoekje van een houtwerf uit de zeventiende eeuw. Aan de overkant van het kanaal verrijzen flats.
Ooit stonden er alleen al op deze plek vierentwintig paltrokmolens: het eerste industriepark van Nederland. Het economische mirakel van de Gouden Eeuw werd aangedreven door windenergie: de paltrokmolens van Amsterdam verzaagden genoeg boomstammen om de vloot van het VOC op peil te houden. Schepen gingen toen drie reizen mee % als de bemanning geluk had.
De houtwerf is nog steeds in gebruik, door het bedrijf dat de molen destijds redde door het lange tijd in de teer te zetten. In de open schuren die de molen omringen liggen stapels planken en balken, maar Rijkers grinnikt als ik informeer of die in zijn molen zijn gezaagd. En inderdaad: door de lome juniwind knabbelen de zagen slechts zeer aarzelend aan de houtstam die we maar even als tweezitsbank gebruiken. Ze maken een lichtsnurkend geluid. Rijkers praat fel, strijdbaar.
,,De molen is bijna vier eeuwen geleden gebouwd in een weiland. Nu is-ie helemaal ingebouwd, dus hij staat er ongelooflijk beroerd voor. Elke aanslag op het restantje wind dat je nog hebt, kan de doodslag zijn.
In een open gebied had-ie vandaag hout staan zagen, bij windkracht vier. Maar als je in de stad zit, wordt de wind verziekt door alle bebouwing. Hij komt er nog wel met een aardig gangetje aan, maar heeft geen homogene richting meer. Je houdt een brij van wervelingen over die over de stad jaagt.
Je voelt het nu al, hè? Hij draait heel langzaam, en toch voel je al geschud. De molen wil omvallen, natuurlijk, want het lijf staat op één paal in het midden. En dat doet-ie ook, maar benden rust de molen op een ringmuur met 44 houten kruirollen. Als het volle gewicht op die molen zou staan, zouden ze knappen. Nu kan ik makkelijk de molen op de wind zetten.
Als het hard waait, staat de hele molen te schudden. Dan moet ik regelmatig naar boven om te smeren. Maar we gaan niet naar boven, want het wordt een gehaktmolen als de raderen in elkaar draaien.
Dit is techniek van vierhonderd jaar oud. Het was Cornelis Corneliszoon die de krukas uitvond, en rond die krukas heeft hij dit molentype ontworpen.”
Vertrouwen
,,Ik ben hier nu drie jaar molenaar. Na een restauratie halverwege de jaren negentig heeft-ie vier jaar stilgestaan. De bedrijfsleider van het houtbedrijf liet de molen alleen draaien als het keihard waaide.
Maar een molen moet draaien. Daarom worden molens maalvaardig gerestaureerd en zoeken ze bij elke gerestaureerde molen een vrijwillige molenaar. Een molen die stilstaat vervalt snel. Zeker een paltrokmolen, die helemaal open is, blootgesteld aan weer en wind – en aan houtworm. Als er iets is waar houtworm een hekel aan heeft, dan is het aan een molen die staat te schudden.
En wat is nou een molen die niet draait? Ik kan hier demonstreren hoe ze hier in de Gouden Eeuw hout zaagden. Ik vind het intrigerend dat ze op een gegeven moment met heel simpele middelen een technologie gecreëerd hebben waarmee ze godsgruwelijk rijk konden worden.
Vorig jaar heb ik het molenaarsdiploma gehaald. Drie jaar geleden was ik net aan de cursus begonnen en zocht ik een molen waar ik veel tijd in kon steken. Als Amsterdammer wist ik van het bestaan van deze molen. Toen ik vroeg of ik mee kon draaien, bleek er geen molenaar te zijn. Ik werk hier in mijn eentje.
Ik vond het wel frappant dat ze hier vanaf het begin vertrouwen in me hadden. Je kunt zo’n molen makkelijk stuk maken door onkunde.
Ik heb wel eerst met ervaren houtzaagmolenaars meegedraaid op een paltrokmolen in Haarlem % er zijn er nog maar vier in Nederland. Ik was hier elke vrijdag, maar wilde eerst vertrouwd raken met De Otter. En op een gegeven was ik zover. Dat was een spannend moment.
Hetis eigenlijk begonnen toen ik met mijn zeilboot door de sluis bij Nieuwkoop voer. Tusen de bomen stond een molenstomp, en mijn vriendin en ik begonnen hardop te filosoferen. Zou het niet mooi zijn om ‘m op te knappen, maalvaardig te maken, te gaan wonen in een molen op het open land? Een leuk plan, maar dan moet je wel weten hoe zo’n molen werkt. Dus ben ik gaan uitzoeken wat molenaar zijn inhoudt.
Van mijn vriendin hoefde het in eerste instantie niet zo, maar na een paar keer op de molen te zijn geweest begon ze het steeds leuker te vinden. Ze draaide soms hele dagen mee, en volgt nu ook de opleiding. Ze doet theatertechniek, dus feeling met de techniek heeft ze wel.
Technisch inzicht is handig voor een molenaar. Kunnen schatten welke krachten er worden uitgeoefend. Zo’n molen is een ongelooflijke energiebak. Als hier iets tussen de zaagramen komt, of het nou een mensenlijf is of een balk – het gaat stuk. Of de krukas breekt. Maar het stopt niet.
Kennis van het weer is ook belangrijk. De molen moet bij noodweer tijdig op een veilige stand staan. Kijk naar die op-en-neer-gaande beweging van de zaagramen. Massa, eenmaal in beweging, wil die beweging voortzetten. Dat klapt enorm op de krukas. Hier beneden gaat het nog wel, daar ligt de krukas op een balk, maar boven… Ik heb het een keer gezien in de andere houtzaagmolen: de hele balkenlaag stond te dansen bovenin de molen. Daar word je niet vrolijk van.”
Dimmen
,,Wij tellen altijd de enden die voorbijkomen, makkelijker dan omwentelingen. Bij 120 enden heb ik een mooie zaagsnelheid. Dan zaagt-ie perfect, en boven ligt alles dan nog rustig. Toen ik dat eenmaal had ontdekt, heb ik besloten: dit is mijn grens. Anders staat de molen te zoeven, zo klein als-ie is, en dan worden de mensen in de buurt een beetje bang. ‘Kan het echt nog wel?’
Ik denk dat ze vroeger, toen ze productie draaiden, wel 140 tot 160 enden met dit molentje hebben gedraaid. Dat was gewoon beuken, niks geen gezeur, draaien met dat ding. Maar ik hoef helemaal geen productie te draaien. Ik moet juist een beetje dimmen, om de molen te beschermen. Daar komt nog bij: als je bij zulke snelheden turbulentie hebt, dan zijn de klappen zo godsgruwelijk hard, dat sloopt echt de molen.
De turbulentie hier is te vergelijken met wat je op het strand ziet als je naar de branding kijkt. Af en toe versterken twee golven elkaar tot één hoge golf, dan kan het juist weer heel rustig zijn. Zo is het hier ook met de wind. Als je er als molenaar een puntje zeil af haalt, staat de molen al snel continu stil. Toch doe je het, omdat je met een vol zeil veel te hard gaat % dan kan de molen over de kop draaien. En ik ben er om die molen te beschermen. Het is een constante afweging.
Ik heb in de jaren zestig een technische opleiding gedaan, de Elektrotechnische School in Amsterdam. We moesten nog leren hoe stoommachines worden gemaakt. Als een relict uit de oudheid was er het vak Calorische Werktuigen. Ik vond dat eigenlijk wel leuk.
Nou was dat ook wel een heel leuke leraar, die smakelijk over stoomongelukken kon vertellen, tot in de gruwelijkste details. Maar ik heb oude techniek altijd interessant gevonden. De huidige techniek is voor een gemiddeld mens niet meer te bevatten. Bij zo’n molen moesten ze echt vanaf nul beginnen. Er was geen wiskundige scholing, je kon geen cursus mechanica doen.
Na de opleiding ben ik automatisering gaan doen. Vanaf de vroege jaren zeventig hebben we heel veel nutsbedrijven geautomatiseerd. Ik heb bij de Gasunie turn-key systemen geleverd waarvan de ingebruikname twee uur in beslag nam, terwijl een paar maanden toen normaal was. Dat was heel erg kicken.
Het was ontzettend leuk werk, maar je moest niet zeuren over je zestigurige werkweek. Bij de TU vond ik 1982 parttimewerk. Ik werk bij het IRI, bij de onderzoeksgroep stralingschemie. Ik ben zelf geen wetenschapper, maar schrijf software voor de experimenten met elektronenversneller en laser.
Ik werk op een afdeling die ict niet bestudeert, maar gebruikt. Die onderzoekers willen zo snel mogelijk hun nieuwe apparatuur gebruiken. Je hebt vaak niet eens de tijd om een concept op papier te zetten. Dat ongeduld is wel begrijpelijk. De promovendus wil de fase van het meten zo kort mogelijk houden, zodat hij genoeg tijd overhoudtvoor het schrijven van het proefschrift. Maar het moet wel allemaal kloppen, natuurlijk: er mogen uit de metingen nooit waardes komen die niet deugen. Ik zeg altijd: ik moet uitkijken dat jullie niet de koude kernfusie uitvinden.
Het werk op de molen vormt een groot contrast met mijn werk voor het IRI. Het type mensen dat je hier op de houtwerf ziet, kom je op de TU niet tegen. Ik heb altijd dat contrast gezocht. Voordat ik molenaar werd, deed ik werkgelegenheidsprojecten voor randgroepjongeren. Je komt met mensen uit een totaal andere hoek van de samenleving in aanraking. Dat verbreedt je visie over hoe de wereld in elkaar steekt. De mensen op de TU mogen wetenschappers zijn, ze kijken vaak niet verder dan hun eigen wereldje.”
Overhoop
,,Ik ben altijd een doenerig, ongedurig type geweest. Zo moesten we in de jaren zestig zo nodig de directeur van school trappen. Wij wilden leraren die de moderne techniek kenden! We werkten nog met radiobuizen, terwijl transistors allang bestonden. Ik weet nog hoe ik in mijn vrije tijd op school schema’s van digitale telefooncentrales heb zitten uitpluizen, om een leraar ervan te overtuigen dat er een lesprogramma in zat.
Maar die directeur lag dus dwars. Het waren toen nog echt van die feodale types. We liepen zijn werkkamer binnen en dan was het van: wordt het niet eens tijd dat je weggaat? Zo makkelijk ging dat natuurlijk niet. Maar uiteindelijk is het onderwijspakket in versneld tempo drastisch omgegooid. Ik heb dat als student niet meer meegemaakt.
En nu lig ik weer overhoop met de gevestigde orde. Ik had gedacht dat dit een vrijwilligersbaan zou zijn waarbij ik lekker rustig iets nuttigs met oude techniek kon doen, dat ook nog eens van maatschappelijk nut is. Je geeft je kennis weer door aan een volgende generatie houtzaagmolenaars, en zo kan dit stukje industriële erfgoed blijven bestaan. Een leuke hobby in de open lucht! Maar het is weer strijd, net als vroeger. Ze hebben aan mij een slechte, want ik geef niet gauw op. Al weet ik dat de kansen om de molen te redden gering zijn.
De politiek verdomt het om een keuze te maken en de consequenties te trekken. Of je kiest voor het economisch belang en bouwt, en je accepteert dat je de molen moet verplaatsen omdat-ie hier zal wegrotten. Of je zegt: nee, dit is zo’n belangrijk stukje Amsterdamse geschiedenis, hier mag geen hoogbouw komen. Maar ze beweren met droge ogen dat de molen geen last zal hebben van de nieuwbouw % zich baserend op twijfelachtig onderzoek.
Ik ben nog niet aan het einde van mijn Latijn. We krijgen nog de bezwaarschriftenprocedure. Voor de projectontwikkelaar zou het waarschijnlijk geen probleem zijn geweest om dit molentje voor een paar miljoen te verplaatsen. Maar de historische waarde zou om zeep geholpen zijn. Hier kun je het verleden tastbaar maken. Deze hele werf is een stukje Amsterdam in de zeventiende eeuw.
Ik doe hier klein onderhoud en schakel tijdig de molenmaker in als bijvoorbeeld een cruciale balk door zijn hoeven dreigt te zakken. Maar ik kan de molen alleen onderhouden als-ie draait. Ik ga hier niet het stervensproces meemaken.
Ik ga nu niet recalcitrant roepen: ik zet ‘m stil, want ik krijg mijn zin niet. Maar als ik hier vijf van de zes vrijdagen voor joker kom opdagen, houdt het op. Nu gaat het nog wel, maar het moet niet veel gekker worden.
Als het tot een verplaatsing komt van de molen% Daar gaan jaren overheen, en in de tussentijd vind ik zo weer een andere molen. Het liefst een houtzaagmolen. Ik vind mijn plek wel.”
Paul Rijkers is software-engineer bij het IRI, maar elke vrijdag bestijgt hij de laatste paltrokmolen van Amsterdam. Maar hoe lang? Nieuwbouw in de omgeving zorgt voor nog meer windstilte en turbulentie.
Westerpark, Amsterdam. Als een kasteelheer van een belegerde vesting wijst molenaar Paul Rijkers (54) wijst in alle richtingen. Overal rukt hoogbouw op, die de houtzaagmolen waar hij elke vrijdag werkt, de wind uit de wieken neemt.
De Otter is de allereerste (1631) en de allerlaatste paltrokmolen van Amsterdam. Hij is kleiner dan je zou verwachten en staat in een hoekje van een houtwerf uit de zeventiende eeuw. Aan de overkant van het kanaal verrijzen flats.
Ooit stonden er alleen al op deze plek vierentwintig paltrokmolens: het eerste industriepark van Nederland. Het economische mirakel van de Gouden Eeuw werd aangedreven door windenergie: de paltrokmolens van Amsterdam verzaagden genoeg boomstammen om de vloot van het VOC op peil te houden. Schepen gingen toen drie reizen mee % als de bemanning geluk had.
De houtwerf is nog steeds in gebruik, door het bedrijf dat de molen destijds redde door het lange tijd in de teer te zetten. In de open schuren die de molen omringen liggen stapels planken en balken, maar Rijkers grinnikt als ik informeer of die in zijn molen zijn gezaagd. En inderdaad: door de lome juniwind knabbelen de zagen slechts zeer aarzelend aan de houtstam die we maar even als tweezitsbank gebruiken. Ze maken een lichtsnurkend geluid. Rijkers praat fel, strijdbaar.
,,De molen is bijna vier eeuwen geleden gebouwd in een weiland. Nu is-ie helemaal ingebouwd, dus hij staat er ongelooflijk beroerd voor. Elke aanslag op het restantje wind dat je nog hebt, kan de doodslag zijn.
In een open gebied had-ie vandaag hout staan zagen, bij windkracht vier. Maar als je in de stad zit, wordt de wind verziekt door alle bebouwing. Hij komt er nog wel met een aardig gangetje aan, maar heeft geen homogene richting meer. Je houdt een brij van wervelingen over die over de stad jaagt.
Je voelt het nu al, hè? Hij draait heel langzaam, en toch voel je al geschud. De molen wil omvallen, natuurlijk, want het lijf staat op één paal in het midden. En dat doet-ie ook, maar benden rust de molen op een ringmuur met 44 houten kruirollen. Als het volle gewicht op die molen zou staan, zouden ze knappen. Nu kan ik makkelijk de molen op de wind zetten.
Als het hard waait, staat de hele molen te schudden. Dan moet ik regelmatig naar boven om te smeren. Maar we gaan niet naar boven, want het wordt een gehaktmolen als de raderen in elkaar draaien.
Dit is techniek van vierhonderd jaar oud. Het was Cornelis Corneliszoon die de krukas uitvond, en rond die krukas heeft hij dit molentype ontworpen.”
Vertrouwen
,,Ik ben hier nu drie jaar molenaar. Na een restauratie halverwege de jaren negentig heeft-ie vier jaar stilgestaan. De bedrijfsleider van het houtbedrijf liet de molen alleen draaien als het keihard waaide.
Maar een molen moet draaien. Daarom worden molens maalvaardig gerestaureerd en zoeken ze bij elke gerestaureerde molen een vrijwillige molenaar. Een molen die stilstaat vervalt snel. Zeker een paltrokmolen, die helemaal open is, blootgesteld aan weer en wind – en aan houtworm. Als er iets is waar houtworm een hekel aan heeft, dan is het aan een molen die staat te schudden.
En wat is nou een molen die niet draait? Ik kan hier demonstreren hoe ze hier in de Gouden Eeuw hout zaagden. Ik vind het intrigerend dat ze op een gegeven moment met heel simpele middelen een technologie gecreëerd hebben waarmee ze godsgruwelijk rijk konden worden.
Vorig jaar heb ik het molenaarsdiploma gehaald. Drie jaar geleden was ik net aan de cursus begonnen en zocht ik een molen waar ik veel tijd in kon steken. Als Amsterdammer wist ik van het bestaan van deze molen. Toen ik vroeg of ik mee kon draaien, bleek er geen molenaar te zijn. Ik werk hier in mijn eentje.
Ik vond het wel frappant dat ze hier vanaf het begin vertrouwen in me hadden. Je kunt zo’n molen makkelijk stuk maken door onkunde.
Ik heb wel eerst met ervaren houtzaagmolenaars meegedraaid op een paltrokmolen in Haarlem % er zijn er nog maar vier in Nederland. Ik was hier elke vrijdag, maar wilde eerst vertrouwd raken met De Otter. En op een gegeven was ik zover. Dat was een spannend moment.
Hetis eigenlijk begonnen toen ik met mijn zeilboot door de sluis bij Nieuwkoop voer. Tusen de bomen stond een molenstomp, en mijn vriendin en ik begonnen hardop te filosoferen. Zou het niet mooi zijn om ‘m op te knappen, maalvaardig te maken, te gaan wonen in een molen op het open land? Een leuk plan, maar dan moet je wel weten hoe zo’n molen werkt. Dus ben ik gaan uitzoeken wat molenaar zijn inhoudt.
Van mijn vriendin hoefde het in eerste instantie niet zo, maar na een paar keer op de molen te zijn geweest begon ze het steeds leuker te vinden. Ze draaide soms hele dagen mee, en volgt nu ook de opleiding. Ze doet theatertechniek, dus feeling met de techniek heeft ze wel.
Technisch inzicht is handig voor een molenaar. Kunnen schatten welke krachten er worden uitgeoefend. Zo’n molen is een ongelooflijke energiebak. Als hier iets tussen de zaagramen komt, of het nou een mensenlijf is of een balk – het gaat stuk. Of de krukas breekt. Maar het stopt niet.
Kennis van het weer is ook belangrijk. De molen moet bij noodweer tijdig op een veilige stand staan. Kijk naar die op-en-neer-gaande beweging van de zaagramen. Massa, eenmaal in beweging, wil die beweging voortzetten. Dat klapt enorm op de krukas. Hier beneden gaat het nog wel, daar ligt de krukas op een balk, maar boven… Ik heb het een keer gezien in de andere houtzaagmolen: de hele balkenlaag stond te dansen bovenin de molen. Daar word je niet vrolijk van.”
Dimmen
,,Wij tellen altijd de enden die voorbijkomen, makkelijker dan omwentelingen. Bij 120 enden heb ik een mooie zaagsnelheid. Dan zaagt-ie perfect, en boven ligt alles dan nog rustig. Toen ik dat eenmaal had ontdekt, heb ik besloten: dit is mijn grens. Anders staat de molen te zoeven, zo klein als-ie is, en dan worden de mensen in de buurt een beetje bang. ‘Kan het echt nog wel?’
Ik denk dat ze vroeger, toen ze productie draaiden, wel 140 tot 160 enden met dit molentje hebben gedraaid. Dat was gewoon beuken, niks geen gezeur, draaien met dat ding. Maar ik hoef helemaal geen productie te draaien. Ik moet juist een beetje dimmen, om de molen te beschermen. Daar komt nog bij: als je bij zulke snelheden turbulentie hebt, dan zijn de klappen zo godsgruwelijk hard, dat sloopt echt de molen.
De turbulentie hier is te vergelijken met wat je op het strand ziet als je naar de branding kijkt. Af en toe versterken twee golven elkaar tot één hoge golf, dan kan het juist weer heel rustig zijn. Zo is het hier ook met de wind. Als je er als molenaar een puntje zeil af haalt, staat de molen al snel continu stil. Toch doe je het, omdat je met een vol zeil veel te hard gaat % dan kan de molen over de kop draaien. En ik ben er om die molen te beschermen. Het is een constante afweging.
Ik heb in de jaren zestig een technische opleiding gedaan, de Elektrotechnische School in Amsterdam. We moesten nog leren hoe stoommachines worden gemaakt. Als een relict uit de oudheid was er het vak Calorische Werktuigen. Ik vond dat eigenlijk wel leuk.
Nou was dat ook wel een heel leuke leraar, die smakelijk over stoomongelukken kon vertellen, tot in de gruwelijkste details. Maar ik heb oude techniek altijd interessant gevonden. De huidige techniek is voor een gemiddeld mens niet meer te bevatten. Bij zo’n molen moesten ze echt vanaf nul beginnen. Er was geen wiskundige scholing, je kon geen cursus mechanica doen.
Na de opleiding ben ik automatisering gaan doen. Vanaf de vroege jaren zeventig hebben we heel veel nutsbedrijven geautomatiseerd. Ik heb bij de Gasunie turn-key systemen geleverd waarvan de ingebruikname twee uur in beslag nam, terwijl een paar maanden toen normaal was. Dat was heel erg kicken.
Het was ontzettend leuk werk, maar je moest niet zeuren over je zestigurige werkweek. Bij de TU vond ik 1982 parttimewerk. Ik werk bij het IRI, bij de onderzoeksgroep stralingschemie. Ik ben zelf geen wetenschapper, maar schrijf software voor de experimenten met elektronenversneller en laser.
Ik werk op een afdeling die ict niet bestudeert, maar gebruikt. Die onderzoekers willen zo snel mogelijk hun nieuwe apparatuur gebruiken. Je hebt vaak niet eens de tijd om een concept op papier te zetten. Dat ongeduld is wel begrijpelijk. De promovendus wil de fase van het meten zo kort mogelijk houden, zodat hij genoeg tijd overhoudtvoor het schrijven van het proefschrift. Maar het moet wel allemaal kloppen, natuurlijk: er mogen uit de metingen nooit waardes komen die niet deugen. Ik zeg altijd: ik moet uitkijken dat jullie niet de koude kernfusie uitvinden.
Het werk op de molen vormt een groot contrast met mijn werk voor het IRI. Het type mensen dat je hier op de houtwerf ziet, kom je op de TU niet tegen. Ik heb altijd dat contrast gezocht. Voordat ik molenaar werd, deed ik werkgelegenheidsprojecten voor randgroepjongeren. Je komt met mensen uit een totaal andere hoek van de samenleving in aanraking. Dat verbreedt je visie over hoe de wereld in elkaar steekt. De mensen op de TU mogen wetenschappers zijn, ze kijken vaak niet verder dan hun eigen wereldje.”
Overhoop
,,Ik ben altijd een doenerig, ongedurig type geweest. Zo moesten we in de jaren zestig zo nodig de directeur van school trappen. Wij wilden leraren die de moderne techniek kenden! We werkten nog met radiobuizen, terwijl transistors allang bestonden. Ik weet nog hoe ik in mijn vrije tijd op school schema’s van digitale telefooncentrales heb zitten uitpluizen, om een leraar ervan te overtuigen dat er een lesprogramma in zat.
Maar die directeur lag dus dwars. Het waren toen nog echt van die feodale types. We liepen zijn werkkamer binnen en dan was het van: wordt het niet eens tijd dat je weggaat? Zo makkelijk ging dat natuurlijk niet. Maar uiteindelijk is het onderwijspakket in versneld tempo drastisch omgegooid. Ik heb dat als student niet meer meegemaakt.
En nu lig ik weer overhoop met de gevestigde orde. Ik had gedacht dat dit een vrijwilligersbaan zou zijn waarbij ik lekker rustig iets nuttigs met oude techniek kon doen, dat ook nog eens van maatschappelijk nut is. Je geeft je kennis weer door aan een volgende generatie houtzaagmolenaars, en zo kan dit stukje industriële erfgoed blijven bestaan. Een leuke hobby in de open lucht! Maar het is weer strijd, net als vroeger. Ze hebben aan mij een slechte, want ik geef niet gauw op. Al weet ik dat de kansen om de molen te redden gering zijn.
De politiek verdomt het om een keuze te maken en de consequenties te trekken. Of je kiest voor het economisch belang en bouwt, en je accepteert dat je de molen moet verplaatsen omdat-ie hier zal wegrotten. Of je zegt: nee, dit is zo’n belangrijk stukje Amsterdamse geschiedenis, hier mag geen hoogbouw komen. Maar ze beweren met droge ogen dat de molen geen last zal hebben van de nieuwbouw % zich baserend op twijfelachtig onderzoek.
Ik ben nog niet aan het einde van mijn Latijn. We krijgen nog de bezwaarschriftenprocedure. Voor de projectontwikkelaar zou het waarschijnlijk geen probleem zijn geweest om dit molentje voor een paar miljoen te verplaatsen. Maar de historische waarde zou om zeep geholpen zijn. Hier kun je het verleden tastbaar maken. Deze hele werf is een stukje Amsterdam in de zeventiende eeuw.
Ik doe hier klein onderhoud en schakel tijdig de molenmaker in als bijvoorbeeld een cruciale balk door zijn hoeven dreigt te zakken. Maar ik kan de molen alleen onderhouden als-ie draait. Ik ga hier niet het stervensproces meemaken.
Ik ga nu niet recalcitrant roepen: ik zet ‘m stil, want ik krijg mijn zin niet. Maar als ik hier vijf van de zes vrijdagen voor joker kom opdagen, houdt het op. Nu gaat het nog wel, maar het moet niet veel gekker worden.
Als het tot een verplaatsing komt van de molen% Daar gaan jaren overheen, en in de tussentijd vind ik zo weer een andere molen. Het liefst een houtzaagmolen. Ik vind mijn plek wel.”
Comments are closed.