Campus

Fluwelen Duivel

Hij was niet alleen schrijver, hij was een allround entertainer. Welbeschouwd was Godfried Bomans ’s lands eerste stand-up comedian. Het Letterkundig Museum in Den Haag wijdt een tentoonstelling aan de Fluwelen Duivel.

br />
Toegegeven, bij de feestelijke opening van de tentoonstelling ‘Godfried Bomans, de fluwelen duivel’ was de gemiddelde leeftijd der aanwezigen er een die het landelijk gemiddelde ver overschreed. Daar deed een enkel hoola-hoopend meisje in haar eentje niets tegen. Haar aanwezigheid werd ruimschoots gecompenseerd door die van Hans van Mierlo. Bomans, die leefde van 1913 tot 1971, veroverde zich een plaats in het collectieve geheugen van de generatie Van Mierlo, een generatie die volwassen werd in de moeilijke naoorlogse jaren en die de opkomst van de televisie vanaf het begin meemaakte. In beide perioden speelde Godfried Bomans een belangrijke rol.

Bomans wordt geboren in Den Haag, maar vergroeit dusdanig met de stad Haarlem, waar zijn ouders een half jaar na zijn geboorte naartoe verhuizen, dat menigeen in de veronderstelling leeft dat hij daar ook geboren is. Dat dit niet het geval is, geeft Bomans schoorvoetend toe in een tentoongestelde brief aan een nieuwsgierige lezer (‘Waarde heer, ik kan u zeggen dat ik inderdaad geboren ben. Maar hoewel ik daarbij aanwezig was, heb ik er nog slechts vage herinneringen aan’, iets in die trant). Hij sjeest tweemaal: een keer als rechtenstudent in Amsterdam, een stad die hij te kil vindt, en een keer als psychologiestudent in Nijmegen. Toch zijn beide studieperioden belangrijk.

Als redacteur van studentenblad De Dijk publiceert hij gedichten, kritieken en korte verhalen, waaronder over de herinneringen van een oud-minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen. Die laatste verhalen leiden tot zijn literaire debuut, ‘De Memoires of Gedenkschriften van Mr. P. Bas’, in 1936.

Knusheid

In Nijmegen, waar hij zich ondanks de oorlog thuis voelt (vanwege de katholieke knusheid), leert hij zijn vrouw Pietsie kennen en schrijft hij zijn bekendste werk, dat op de lijst van menig middelbaar scholier prijkt: ‘Erik of het Klein Insectenboek’. Het komt ‘moeiteloos’ tot stand en beleeft niet minder dan tien herdrukken in het eerste jaar.

Bomans blijft schrijven. Hij toont zich een alleskunner en schrijft niet alleen humoristische verhalen maar ook een studie over het kloosterleven, sprookjes en de populaire strips over Pa Pinkelman, getekend door Carol Voges.

Op een zeker moment maakt hij de stap naar de televisie. Daar zijn werkelijk legendarische fragmenten van overgebleven, allemaal te zien in de tentoonstelling. Hij maakt furore (en veroorzaakt een schandaal) bij zijn presentatie van het Grand Gala du Disque. Tegen Marlène Dietrich, vermaard om haar benen, verzucht hij: ,,Had mijn vrouw maar één zo’n been.”

Het laat de humoristische kant van Bomans zien. Door zijn leeftijdgenoten wordt die omschreven als ‘geestig’. Niet bepaald een kwalificatie die heden ten dage de boekenverkoop omhoog zou stuwen, maar toch heel aangenaam. Bomans was een charmeur, iemand die goedmoedige kwinkslagen kon maken met zoveel accuratesse en in dusdanig archaïsche bewoordingen, dat ze niet minder dan hilarisch zijn.

Toch wordt Bomans tekort gedaan wanner we het daarbij zouden laten. Hij was een buitengewoon scherpe observator en een zeer ruimdenkend mens. Met zijn rationele en zeer rechtvaardige wereldopvatting maakte hij korte metten met bekrompenheid en kleinburgerlijkheid. Zijn stuk over Jehova’s Getuigen in de bundel ‘Mijmeringen’ is daar illustratief voor.

Cruyff

De figuur Bomans wordt omringd door een geur van tragiek, zoals dat wel vaker opgaat voor humoristische personen. Hijzelf, tenslotte, omschreef humor als ‘overwonnen droefheid’. Bomans sloeg geen uitnodiging af: alles waar hij voor gevraagd werd nam hij aan. Dit alles kwam voort uit een niet te onderdrukken wens om in de smaak te vallen. De kiem voor dit gedrag werd gelegd in zijn strenge opvoeding. Of, zoals hij het zelf zei: ,,Het voordeel van een Spartaanse en gevoelsarme opvoeding is dat alles later meevalt en steeds feestelijker wordt, maar het nadeel is ook niet mis. Je houdt je hele leven de trekken van een jongetje dat lief gevonden wil worden.”

Het verklaart Bomans’ nimmer aflatende activiteit. In het jaar dat hij stierf aan een hartaanval, 1971, bivakkeerde hij voor de Vara en de Vpro een week lang op het onbewoonde waddeneiland Rottumerplaat, ging voor de Ncrv op spokenjacht in Engeland, interviewde bekende Vlamingen voor de BRT, interviewde Johan Cruyff (dat alleen is al voldoende om een kerngezonde twintiger het graf in te krijgen) en bleef dagelijks schrijven.

Het bleek te veel voor de man die geen nee kon zeggen.

‘Godfried Bomans, de fluwelen duivel’, in het Letterkundig Museum in Den Haag. De tentoonstelling loopt tot en met 8 september.

Hij was niet alleen schrijver, hij was een allround entertainer. Welbeschouwd was Godfried Bomans ’s lands eerste stand-up comedian. Het Letterkundig Museum in Den Haag wijdt een tentoonstelling aan de Fluwelen Duivel.

Toegegeven, bij de feestelijke opening van de tentoonstelling ‘Godfried Bomans, de fluwelen duivel’ was de gemiddelde leeftijd der aanwezigen er een die het landelijk gemiddelde ver overschreed. Daar deed een enkel hoola-hoopend meisje in haar eentje niets tegen. Haar aanwezigheid werd ruimschoots gecompenseerd door die van Hans van Mierlo. Bomans, die leefde van 1913 tot 1971, veroverde zich een plaats in het collectieve geheugen van de generatie Van Mierlo, een generatie die volwassen werd in de moeilijke naoorlogse jaren en die de opkomst van de televisie vanaf het begin meemaakte. In beide perioden speelde Godfried Bomans een belangrijke rol.

Bomans wordt geboren in Den Haag, maar vergroeit dusdanig met de stad Haarlem, waar zijn ouders een half jaar na zijn geboorte naartoe verhuizen, dat menigeen in de veronderstelling leeft dat hij daar ook geboren is. Dat dit niet het geval is, geeft Bomans schoorvoetend toe in een tentoongestelde brief aan een nieuwsgierige lezer (‘Waarde heer, ik kan u zeggen dat ik inderdaad geboren ben. Maar hoewel ik daarbij aanwezig was, heb ik er nog slechts vage herinneringen aan’, iets in die trant). Hij sjeest tweemaal: een keer als rechtenstudent in Amsterdam, een stad die hij te kil vindt, en een keer als psychologiestudent in Nijmegen. Toch zijn beide studieperioden belangrijk.

Als redacteur van studentenblad De Dijk publiceert hij gedichten, kritieken en korte verhalen, waaronder over de herinneringen van een oud-minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen. Die laatste verhalen leiden tot zijn literaire debuut, ‘De Memoires of Gedenkschriften van Mr. P. Bas’, in 1936.

Knusheid

In Nijmegen, waar hij zich ondanks de oorlog thuis voelt (vanwege de katholieke knusheid), leert hij zijn vrouw Pietsie kennen en schrijft hij zijn bekendste werk, dat op de lijst van menig middelbaar scholier prijkt: ‘Erik of het Klein Insectenboek’. Het komt ‘moeiteloos’ tot stand en beleeft niet minder dan tien herdrukken in het eerste jaar.

Bomans blijft schrijven. Hij toont zich een alleskunner en schrijft niet alleen humoristische verhalen maar ook een studie over het kloosterleven, sprookjes en de populaire strips over Pa Pinkelman, getekend door Carol Voges.

Op een zeker moment maakt hij de stap naar de televisie. Daar zijn werkelijk legendarische fragmenten van overgebleven, allemaal te zien in de tentoonstelling. Hij maakt furore (en veroorzaakt een schandaal) bij zijn presentatie van het Grand Gala du Disque. Tegen Marlène Dietrich, vermaard om haar benen, verzucht hij: ,,Had mijn vrouw maar één zo’n been.”

Het laat de humoristische kant van Bomans zien. Door zijn leeftijdgenoten wordt die omschreven als ‘geestig’. Niet bepaald een kwalificatie die heden ten dage de boekenverkoop omhoog zou stuwen, maar toch heel aangenaam. Bomans was een charmeur, iemand die goedmoedige kwinkslagen kon maken met zoveel accuratesse en in dusdanig archaïsche bewoordingen, dat ze niet minder dan hilarisch zijn.

Toch wordt Bomans tekort gedaan wanner we het daarbij zouden laten. Hij was een buitengewoon scherpe observator en een zeer ruimdenkend mens. Met zijn rationele en zeer rechtvaardige wereldopvatting maakte hij korte metten met bekrompenheid en kleinburgerlijkheid. Zijn stuk over Jehova’s Getuigen in de bundel ‘Mijmeringen’ is daar illustratief voor.

Cruyff

De figuur Bomans wordt omringd door een geur van tragiek, zoals dat wel vaker opgaat voor humoristische personen. Hijzelf, tenslotte, omschreef humor als ‘overwonnen droefheid’. Bomans sloeg geen uitnodiging af: alles waar hij voor gevraagd werd nam hij aan. Dit alles kwam voort uit een niet te onderdrukken wens om in de smaak te vallen. De kiem voor dit gedrag werd gelegd in zijn strenge opvoeding. Of, zoals hij het zelf zei: ,,Het voordeel van een Spartaanse en gevoelsarme opvoeding is dat alles later meevalt en steeds feestelijker wordt, maar het nadeel is ook niet mis. Je houdt je hele leven de trekken van een jongetje dat lief gevonden wil worden.”

Het verklaart Bomans’ nimmer aflatende activiteit. In het jaar dat hij stierf aan een hartaanval, 1971, bivakkeerde hij voor de Vara en de Vpro een week lang op het onbewoonde waddeneiland Rottumerplaat, ging voor de Ncrv op spokenjacht in Engeland, interviewde bekende Vlamingen voor de BRT, interviewde Johan Cruyff (dat alleen is al voldoende om een kerngezonde twintiger het graf in te krijgen) en bleef dagelijks schrijven.

Het bleek te veel voor de man die geen nee kon zeggen.

‘Godfried Bomans, de fluwelen duivel’, in het Letterkundig Museum in Den Haag. De tentoonstelling loopt tot en met 8 september.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.