Hoogleraren en afgestudeerden plaatsen de TU Delft als zevende op de ranglijst van technologische topuniversiteiten. Dat is een van de conclusies van een lijvig rapport op initiatief van de befaamde Eidgenössische Technische Hochschule (ETH) in Zürich en de Zwitserse ingenieursvereniging Ingch.
In dit zogeheten Spine-onderzoek (‘Successful Practices in International Engineering Education’) worden talloze aspecten van het onderwijs aan tien toonaangevende technische universiteiten in de VS en Europa tegen het licht gehouden. Het zou de eerste studie in zijn soort zijn.
Het belangrijkste onderdeel is een uitvoerige enquête onder hoogleraren en afgestudeerden. Vragenformulieren werden ingevuld door 543 hoogleraren en 1372 afgestudeerde ingenieurs. Een en ander werd aangevuld met 66 gesprekken met decanen en 145 met managers uit het ingenieurs-afnemende bedrijfsleven. De hele exercitie leverde een dertigtal ‘waardevolle werkwijzen’ op, keurig drie per deelnemende universiteit, die als voorbeeld voor de anderen kunnen dienen. Wat Delft betreft gaat het om het internationale masterprogramma, kwaliteitsbewaking en het onderwijsprogramma van elektrotechniek.
Een flink deel van de enquête gaat over welke aspecten van belang zijn voor de ingenieursopleiding. Vinden de ondervraagden een internationale aanpak belangrijker dan een interdisciplinaire? Is aantrekkingskracht op vrouwelijke studenten belangrijker dan banden met het bedrijfsleven? In talloze nogal onoverzichtelijke grafiekjes legt het driehonderd pagina’s dikke rapport subtiele verschillen tussen de heersende opvattingen vast.
Duik
De verschillen zijn het sterkst tussen de Europese instellingen aan de ene kant en de Amerikaanse aan de andere kant. Zo blijkt in Europa een voorkeur te bestaan om in het onderwijs eerst de fundamentele problemen grondig te behandelen alvorens op de toepassing in te gaan, terwijl in de VS een snelle duik in de toepassingen hoog wordt aangeslagen. In Europa acht men het van groter belang dat er veel hoogleraren uit het bedrijfsleven komen dan in de VS. Verrassend genoeg hecht men hieraan de minste waarde aan het in vrijwel alle opzichten toonaangevende Massachusetts Institute of Technology (MIT). In Europa stelt men algemeen probleemoplossend vermogen als ingenieursvaardigheid boven specifieke technologische kennis, in de VS geldt het omgekeerde. In de VS vindt men specialisatie en diepgang belangrijk, in Europa internationale gerichtheid.
Wellicht het meest aansprekende, want gevoeligste resultaat van het onderzoek is de reputatie van de deelnemende universiteiten. Aan de hoogleraren en afgestudeerden is een algemeen waarderingscijfer gevraagd voor de activiteiten van de tien universiteiten op het eigen vakgebied (niet alle vakgebieden deden mee, alleen elektrotechniek, informatica, werktuigbouwkunde, scheikunde en materiaalwetenschappen). Aan de hand daarvan valt een toptien vast te stellen met MIT op de eerste plaats en ETH Zürich op de tweede. De TU Delft prijkt in deze lijst op de zevende plaats. De ondervraagden mochten geen andere universiteiten voor de toptien voordragen dan de tien deelnemende.
Bescheiden
Overigens geven de geënquêteerden aan alle tien TU’s een heel behoorlijk cijfer en gaat het om betrekkelijk kleine verschillen. Het oordeel van hoogleraren ligt over het algemeen een fractie hoger dan dat van de afgestudeerden.
Opmerkelijk is dat de TU Delft hoger op het exclusieve lijstje van internationale technologische topinstituten had kunnen staan als de Delftse hoogleraren niet zo bescheiden waren. De enquêteurs stellen vast dat alle hoogleraren hun eigen instelling stelselmatig hoger waarderen dan de andere. De enige uitzondering zijn de hoogleraren uit Delft: zij vertonen, statistisch gesproken, niet de geringste neiging tot chauvinisme.
De tien beste TU’s
1. Massachusetts Institute of Technology, Cambridge/Boston
2. Eidgenössische Technische Hochschule, Zürich
3. Carnegie Mellon University, Pittsburgh
4. Imperial College, Londen
5. Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule, Aken
6. Georgia Institute of Technology, Atlanta
7. TU Delft
8. Ecole Polytechnique Fédérale de Lausanne
9. Ecole Centrale Paris
10. Kungl Tekniska Högskolan Stockholm
Ranglijst op basis van een enquête onder hoogleraren en afgestudeerden van de tien deelnemende TU’s. Bron: Spine-rapport, 2002, te downloaden via www.ingch.ch.
Dat is een van de conclusies van een lijvig rapport op initiatief van de befaamde Eidgenössische Technische Hochschule (ETH) in Zürich en de Zwitserse ingenieursvereniging Ingch. In dit zogeheten Spine-onderzoek (‘Successful Practices in International Engineering Education’) worden talloze aspecten van het onderwijs aan tien toonaangevende technische universiteiten in de VS en Europa tegen het licht gehouden. Het zou de eerste studie in zijn soort zijn.
Het belangrijkste onderdeel is een uitvoerige enquête onder hoogleraren en afgestudeerden. Vragenformulieren werden ingevuld door 543 hoogleraren en 1372 afgestudeerde ingenieurs. Een en ander werd aangevuld met 66 gesprekken met decanen en 145 met managers uit het ingenieurs-afnemende bedrijfsleven. De hele exercitie leverde een dertigtal ‘waardevolle werkwijzen’ op, keurig drie per deelnemende universiteit, die als voorbeeld voor de anderen kunnen dienen. Wat Delft betreft gaat het om het internationale masterprogramma, kwaliteitsbewaking en het onderwijsprogramma van elektrotechniek.
Een flink deel van de enquête gaat over welke aspecten van belang zijn voor de ingenieursopleiding. Vinden de ondervraagden een internationale aanpak belangrijker dan een interdisciplinaire? Is aantrekkingskracht op vrouwelijke studenten belangrijker dan banden met het bedrijfsleven? In talloze nogal onoverzichtelijke grafiekjes legt het driehonderd pagina’s dikke rapport subtiele verschillen tussen de heersende opvattingen vast.
Duik
De verschillen zijn het sterkst tussen de Europese instellingen aan de ene kant en de Amerikaanse aan de andere kant. Zo blijkt in Europa een voorkeur te bestaan om in het onderwijs eerst de fundamentele problemen grondig te behandelen alvorens op de toepassing in te gaan, terwijl in de VS een snelle duik in de toepassingen hoog wordt aangeslagen. In Europa acht men het van groter belang dat er veel hoogleraren uit het bedrijfsleven komen dan in de VS. Verrassend genoeg hecht men hieraan de minste waarde aan het in vrijwel alle opzichten toonaangevende Massachusetts Institute of Technology (MIT). In Europa stelt men algemeen probleemoplossend vermogen als ingenieursvaardigheid boven specifieke technologische kennis, in de VS geldt het omgekeerde. In de VS vindt men specialisatie en diepgang belangrijk, in Europa internationale gerichtheid.
Wellicht het meest aansprekende, want gevoeligste resultaat van het onderzoek is de reputatie van de deelnemende universiteiten. Aan de hoogleraren en afgestudeerden is een algemeen waarderingscijfer gevraagd voor de activiteiten van de tien universiteiten op het eigen vakgebied (niet alle vakgebieden deden mee, alleen elektrotechniek, informatica, werktuigbouwkunde, scheikunde en materiaalwetenschappen). Aan de hand daarvan valt een toptien vast te stellen met MIT op de eerste plaats en ETH Zürich op de tweede. De TU Delft prijkt in deze lijst op de zevende plaats. De ondervraagden mochten geen andere universiteiten voor de toptien voordragen dan de tien deelnemende.
Bescheiden
Overigens geven de geënquêteerden aan alle tien TU’s een heel behoorlijk cijfer en gaat het om betrekkelijk kleine verschillen. Het oordeel van hoogleraren ligt over het algemeen een fractie hoger dan dat van de afgestudeerden.
Opmerkelijk is dat de TU Delft hoger op het exclusieve lijstje van internationale technologische topinstituten had kunnen staan als de Delftse hoogleraren niet zo bescheiden waren. De enquêteurs stellen vast dat alle hoogleraren hun eigen instelling stelselmatig hoger waarderen dan de andere. De enige uitzondering zijn de hoogleraren uit Delft: zij vertonen, statistisch gesproken, niet de geringste neiging tot chauvinisme.
De tien beste TU’s
1. Massachusetts Institute of Technology, Cambridge/Boston
2. Eidgenössische Technische Hochschule, Zürich
3. Carnegie Mellon University, Pittsburgh
4. Imperial College, Londen
5. Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule, Aken
6. Georgia Institute of Technology, Atlanta
7. TU Delft
8. Ecole Polytechnique Fédérale de Lausanne
9. Ecole Centrale Paris
10. Kungl Tekniska Högskolan Stockholm
Ranglijst op basis van een enquête onder hoogleraren en afgestudeerden van de tien deelnemende TU’s. Bron: Spine-rapport, 2002, te downloaden via www.ingch.ch.
Comments are closed.