,,Hallo, ik ben Rolf”, zei Rolf Perié (62) als studenten weer eens dachten dat hij de docent was. Meer dan dertig jaar geleden begon hij aan zijn studie in Delft.
Deze week is hij klaar.
,,Ik heb een uur de tijd”, zegt Rolf Perié wanneer we plaatsnemen aan een tafeltje in stadscafé De Waag. ,,Dan loopt mijn parkeermeter af.” De man tegenover me is kalend, draagt een keurig pak en een nette das. Zijn zwarte attachékoffer plaatst hij naast de tafel op de grond. We bestellen cappuccino. Als ik vraag of ik zijn naam goed geschreven heb, kijkt hij bedenkelijk en grijpt vervolgens in zijn binnenzak. ,,Wacht, ik pak even mijn leesbril.”
Zit ik hier met een professor? Nee. Uiterlijke schijn bedriegt. Tegenover me zit een student. Perié heeft zijn afstudeerpresentatie achter de rug, maar op het moment van dit interview kent hij het oordeel van de examencommissie van elektrotechniek nog niet. Het zal positief zijn: op zijn 62ste verdient hij de ingenieurstitel. Weinig ingenieurs zullen op het moment van afstuderen al zo’n uitgebreid curriculum vitae hebben.
Perié diende 34 jaar lang bij de Koninklijke Marine. Bijna de helft van de tijd was hij op zee, voer op marineschepen en kwam daarmee in de uithoeken van de wereld. ,,In 1961 werd ik uitgezonden naar Nieuw-Guinea, dat beschermd moest worden tegen de Indonesiërs. Daar was ik ook betrokken bij het motortorpedo-bootincident. Drie Indonesische schepen met infanterie aan boord wilden de zuidkust van Nieuw-Guinea betreden en een vlag planten. Dat hebben we tegen kunnen houden. Er zijn veel Indonesiërs bij omgekomen. Het incident heeft een diepe indruk op me gemaakt. Als we niet goed gehandeld hadden, hadden we zelf in het water kunnen liggen.”
Uitdaging
Na zijn varende jaren vervulde Perié diverse functies bij de marine en de Navo. En in Parijs en Lissabon vertegenwoordigde hij de Nederlandse defensiebelangen op de ambassade. Inmiddels werkt hij – te oud voor een post bij Defensie – bij TNO. Maar stilzitten kan Perié nog steeds niet. ,,Na drie jaar TNO kreeg ik de kriebels. Dat is iets wat ik overgehouden heb aan mijn jaren bij de marine. Daar werd ik ook regelmatig overgeplaatst naar een andere werkomgeving.” Hij had echter geen behoefte om bij zijn huidige werkgever te vertrekken. ,,Maar ik was wel toe aan een nieuwe uitdaging.” Doordat zijn laatste twee kinderen het huis uit gingen, kreeg hij bovendien extra vrije tijd. Die wilde hij besteden aan het afronden van een studie.
Het was niet zijn eerste kennismaking met de TU Delft. Toen Perié een dertig jaar oude marineofficier was, in de bloei van zijn leven, bood zijn werkgever gemotiveerde mannen twee jaar studie in Delft aan. En gemotiveerd was Perié: in twee jaar rondde hij drieëneenhalf jaar technische wiskunde af. ,,Ik heb me te pletter gewerkt.” Toen was de beschikbare tijd voorbij: Perié moest weer het water op.
Zijn rentree aan de TU was dertig jaar later. ,,Ze keken verrast op toen ik aanklopte. Het gebeurt niet iedere dag dat iemand van mijn leeftijd aangeeft nog te willen studeren.” De universiteit wilde echter wel meewerken. Voor dit bijzondere geval werd de examencommissie van elektrotechniek bij elkaar geroepen. Die besloot dat Perié nog 42 punten moest halen voor hij zijn titel zou krijgen. Daarbij hield de commissie rekening met de academische normen, de vakken die Perié al eerder had gehaald en zijn opleidingen bij de marine en ervaring bij de Navo. ,,Maar laat er geen misverstand over bestaan: ik ben niet komen binnenzeilen om eenvoudig af te studeren. Ik wil niet dat mensen de indruk krijgen dat ik mijn titel even kon komen ophalen.”
Maar waarom wil iemand op zijn leeftijd nog een ingenieurstitel? Perié: ,,Ik wilde afmaken waaraan ik begonnen ben. Niet dat ik dertig jaar gefrustreerd heb rondgelopen, maar ik wilde mijn grijze massa weer eens aan het werk zetten. Of ik een streber ben? Nee, dat geloof ik niet. Maar ik ben niet van plan om na mijn 65ste thuisachter de geraniums te gaan zitten. Ik wil een rol in de maatschappij blijven spelen. Er is altijd nog behoefte aan gekwalificeerde mensen. Maar wat ik concreet met mijn ingenieurstitel ga doen, weet ik nog niet.”
Wenkbrauwen
Periés omgeving reageerde positief op zijn studie, al heeft zijn gezinsleven onder zijn studententijd te lijden gehad. ,,Elke vrije minuut naast mijn werk heb ik aan mijn studie besteed. Tijd om naar de bioscoop te gaan was er niet. Sommige mensen vroegen zich af of dat nu zo nodig moest, een studie afronden, maar zij hebben het niet begrepen. Ik kan het iedereen aanraden, al moet je wel goed weten waar je aan begint.”
Tevreden is Perié ook over de contacten met docenten en studenten. ,,Ik vind het belangrijk dat de docenten het respect krijgen dat ze verdienen, ook al zijn de meeste jonger dan ik. Het spel moet goed gespeeld worden. Mondelinge tentamens vond ik altijd heel interessant. Ik kon de theorie goed in de context plaatsen door voorbeelden uit de praktijk te geven. Daardoor ontstond vaak een leuke dialoog tussen de docent en mij.”
De kennismaking met medestudenten was soms wel wat onwennig. ,,Hallo, ik ben Rolf”, zei Perié als studenten weer eens dachten dat hij de docent was. ,,Ik heb duidelijk gemaakt dat ik gewoon een medestudent was, en dat ze me maar moesten tutoyeren. Sommigen bleven gewoon u zeggen.” Ook aan de werkcolleges waarin Perié moest samenwerken met andere studenten bewaart hij goede herinneringen. ,,Ik heb er veel geleerd. Studenten hadden vaardigheden die ik niet had, bijvoorbeeld in de omgang met computerprogramma’s. Maar ik kon hen weer iets leren op het gebied van organisatie. We vulden elkaar goed aan.”
Aan mentaliteitsverschillen ergerde Perié zich niet. ,,Ouderen hebben een andere motivatie om te gaan studeren. Maar je kunt jongeren niet kwalijk nemen dat ze de wereld nog moeten leren kennen: voor bier drinken en feestvieren trek ik mijn wenkbrauwen niet op, hoor. Jonge studenten moeten de kans krijgen kennis te maken met het werkelijke leven.”
,,Hallo, ik ben Rolf”, zei Rolf Perié (62) als studenten weer eens dachten dat hij de docent was. Meer dan dertig jaar geleden begon hij aan zijn studie in Delft. Deze week is hij klaar.
,,Ik heb een uur de tijd”, zegt Rolf Perié wanneer we plaatsnemen aan een tafeltje in stadscafé De Waag. ,,Dan loopt mijn parkeermeter af.” De man tegenover me is kalend, draagt een keurig pak en een nette das. Zijn zwarte attachékoffer plaatst hij naast de tafel op de grond. We bestellen cappuccino. Als ik vraag of ik zijn naam goed geschreven heb, kijkt hij bedenkelijk en grijpt vervolgens in zijn binnenzak. ,,Wacht, ik pak even mijn leesbril.”
Zit ik hier met een professor? Nee. Uiterlijke schijn bedriegt. Tegenover me zit een student. Perié heeft zijn afstudeerpresentatie achter de rug, maar op het moment van dit interview kent hij het oordeel van de examencommissie van elektrotechniek nog niet. Het zal positief zijn: op zijn 62ste verdient hij de ingenieurstitel. Weinig ingenieurs zullen op het moment van afstuderen al zo’n uitgebreid curriculum vitae hebben.
Perié diende 34 jaar lang bij de Koninklijke Marine. Bijna de helft van de tijd was hij op zee, voer op marineschepen en kwam daarmee in de uithoeken van de wereld. ,,In 1961 werd ik uitgezonden naar Nieuw-Guinea, dat beschermd moest worden tegen de Indonesiërs. Daar was ik ook betrokken bij het motortorpedo-bootincident. Drie Indonesische schepen met infanterie aan boord wilden de zuidkust van Nieuw-Guinea betreden en een vlag planten. Dat hebben we tegen kunnen houden. Er zijn veel Indonesiërs bij omgekomen. Het incident heeft een diepe indruk op me gemaakt. Als we niet goed gehandeld hadden, hadden we zelf in het water kunnen liggen.”
Uitdaging
Na zijn varende jaren vervulde Perié diverse functies bij de marine en de Navo. En in Parijs en Lissabon vertegenwoordigde hij de Nederlandse defensiebelangen op de ambassade. Inmiddels werkt hij – te oud voor een post bij Defensie – bij TNO. Maar stilzitten kan Perié nog steeds niet. ,,Na drie jaar TNO kreeg ik de kriebels. Dat is iets wat ik overgehouden heb aan mijn jaren bij de marine. Daar werd ik ook regelmatig overgeplaatst naar een andere werkomgeving.” Hij had echter geen behoefte om bij zijn huidige werkgever te vertrekken. ,,Maar ik was wel toe aan een nieuwe uitdaging.” Doordat zijn laatste twee kinderen het huis uit gingen, kreeg hij bovendien extra vrije tijd. Die wilde hij besteden aan het afronden van een studie.
Het was niet zijn eerste kennismaking met de TU Delft. Toen Perié een dertig jaar oude marineofficier was, in de bloei van zijn leven, bood zijn werkgever gemotiveerde mannen twee jaar studie in Delft aan. En gemotiveerd was Perié: in twee jaar rondde hij drieëneenhalf jaar technische wiskunde af. ,,Ik heb me te pletter gewerkt.” Toen was de beschikbare tijd voorbij: Perié moest weer het water op.
Zijn rentree aan de TU was dertig jaar later. ,,Ze keken verrast op toen ik aanklopte. Het gebeurt niet iedere dag dat iemand van mijn leeftijd aangeeft nog te willen studeren.” De universiteit wilde echter wel meewerken. Voor dit bijzondere geval werd de examencommissie van elektrotechniek bij elkaar geroepen. Die besloot dat Perié nog 42 punten moest halen voor hij zijn titel zou krijgen. Daarbij hield de commissie rekening met de academische normen, de vakken die Perié al eerder had gehaald en zijn opleidingen bij de marine en ervaring bij de Navo. ,,Maar laat er geen misverstand over bestaan: ik ben niet komen binnenzeilen om eenvoudig af te studeren. Ik wil niet dat mensen de indruk krijgen dat ik mijn titel even kon komen ophalen.”
Maar waarom wil iemand op zijn leeftijd nog een ingenieurstitel? Perié: ,,Ik wilde afmaken waaraan ik begonnen ben. Niet dat ik dertig jaar gefrustreerd heb rondgelopen, maar ik wilde mijn grijze massa weer eens aan het werk zetten. Of ik een streber ben? Nee, dat geloof ik niet. Maar ik ben niet van plan om na mijn 65ste thuisachter de geraniums te gaan zitten. Ik wil een rol in de maatschappij blijven spelen. Er is altijd nog behoefte aan gekwalificeerde mensen. Maar wat ik concreet met mijn ingenieurstitel ga doen, weet ik nog niet.”
Wenkbrauwen
Periés omgeving reageerde positief op zijn studie, al heeft zijn gezinsleven onder zijn studententijd te lijden gehad. ,,Elke vrije minuut naast mijn werk heb ik aan mijn studie besteed. Tijd om naar de bioscoop te gaan was er niet. Sommige mensen vroegen zich af of dat nu zo nodig moest, een studie afronden, maar zij hebben het niet begrepen. Ik kan het iedereen aanraden, al moet je wel goed weten waar je aan begint.”
Tevreden is Perié ook over de contacten met docenten en studenten. ,,Ik vind het belangrijk dat de docenten het respect krijgen dat ze verdienen, ook al zijn de meeste jonger dan ik. Het spel moet goed gespeeld worden. Mondelinge tentamens vond ik altijd heel interessant. Ik kon de theorie goed in de context plaatsen door voorbeelden uit de praktijk te geven. Daardoor ontstond vaak een leuke dialoog tussen de docent en mij.”
De kennismaking met medestudenten was soms wel wat onwennig. ,,Hallo, ik ben Rolf”, zei Perié als studenten weer eens dachten dat hij de docent was. ,,Ik heb duidelijk gemaakt dat ik gewoon een medestudent was, en dat ze me maar moesten tutoyeren. Sommigen bleven gewoon u zeggen.” Ook aan de werkcolleges waarin Perié moest samenwerken met andere studenten bewaart hij goede herinneringen. ,,Ik heb er veel geleerd. Studenten hadden vaardigheden die ik niet had, bijvoorbeeld in de omgang met computerprogramma’s. Maar ik kon hen weer iets leren op het gebied van organisatie. We vulden elkaar goed aan.”
Aan mentaliteitsverschillen ergerde Perié zich niet. ,,Ouderen hebben een andere motivatie om te gaan studeren. Maar je kunt jongeren niet kwalijk nemen dat ze de wereld nog moeten leren kennen: voor bier drinken en feestvieren trek ik mijn wenkbrauwen niet op, hoor. Jonge studenten moeten de kans krijgen kennis te maken met het werkelijke leven.”
Comments are closed.