Hoe groot is die vloedgolf van eerstejaars studenten aan de universiteiten nu precies? De groei van de instroom is geen 25 procent, geen 12,5 procent en zelfs geen 11,2 procent. Waarschijnlijk is 8,9 procent een betere schatting.
Bij de TU Delft steeg het aantal eerstejaars met 5,8 procent. In 2008 bedroeg het aantal eerstejaars 2533. In 2009 was dit aantal 2680.
De cijfers van universiteitenvereniging VSNU zijn dit jaar niet bijzonder hard. Volgens tabellen kreeg de Universiteit Maastricht 37 procent meer studenten dan vorig jaar: van minder dan drieduizend naar meer dan vierduizend nieuwe studenten. Maar navraag leert dat dit niet klopt.
In werkelijkheid trok Maastricht zo’n zeven procent meer eerstejaars studenten. In de tabellen van de VSNU staan nog voorlopige aanmeldingen, die niet allemaal tot werkelijke inschrijvingen hebben geleid. “We hebben een nieuw ict-systeem in gebruik genomen”, zegt An Spaas, directeur van het Studenten Service Center. “Daardoor klopte het niet meer helemaal.”
Dit heeft ook invloed op het landelijke cijfer. Afgelopen zomer waarschuwden de universiteiten dat er misschien wel 25 procent meer eerstejaars zouden komen.
Ze wisten dat die voorspelling niet zo hard was, maar waren toch bang dat ze met een vloedgolf te kampen zouden krijgen. Of Plasterk daar in zijn begroting rekening mee wilde houden. In december meldden ze een forse 12,5 procent groei, maar dat zwakte al af tot 11,2 procent in de cijfers die vorige week naar buiten kwamen.
Maar gecorrigeerd voor Maastricht zakt de landelijke toename van het aantal eerstejaars tot 8,9 procent, wat nog altijd aanzienlijk is: ruim twee keer de groei van vorig jaar. Uitschieters zijn de Universiteit van Amsterdam (18,2 procent), Wageningen (17,1 procent), Rotterdam (13,9 procent) en Groningen (11,4 procent).
Een deel van de groei viel te verwachten, gezien de bevolkingscijfers. In 2009 waren er meer 18-jarigen dan het jaar ervoor, volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Om precies te zijn: 4,2 procent meer. Bovendien gaan steeds meer jongeren studeren.
Het ministerie laat een extern bureau uitzoeken waar de groei van de studentenaantallen precies vandaan komt. Die analyse zou rond deze tijd verschijnen, maar komt waarschijnlijk pas in het voorjaar.
“Lange tijd studeerden maar weinig vrouwen aan de TU Delft. Tijdens mijn studie elektrotechniek hadden we het over het elektromeisje. Bij Philips zaten er ook maar een paar vrouwen in de elektronica. Dat merkte je aan de onderlinge verhoudingen. De mannen gedroegen zich macho en er was alleen maar mannenpraat. Aan de muur hingen kalenders met pikante afbeeldingen. Nadat de eerste vrouwen op de afdeling kwamen, verdwenen die en werden de verhoudingen gelukkig normaal.
Mannen richten zich voornamelijk op dingen, vrouwen op mensen. Veel technische studies zijn ingericht op dingen en daardoor uitsluitend voor jongens interessant. Bij Industrieel Ontwerpen hechten we juist veel belang aan mensen, daar maken wij de producten voor. Techniek is slechts een hulpmiddel om dingen voor mensen mogelijk te maken. Ontwerpers kijken eerst naar de gebruikers. En dan doen meisjes ineens mee.
Inmiddels is de helft van de studenten industrieel ontwerpen in Delft vrouw. Boze tongen beweren dat zij voor deze studie kiezen omdat ze technisch niet goed genoeg onderlegd zijn. Dat is een misverstand! Van de cum laude afgestudeerden bij Industrieel Ontwerpen is vijfenzeventig procent vrouw.
Vrouwelijke ontwerpers zijn ongelooflijk belangrijk. Mannen kunnen vaak maar één ding tegelijk doen, vrouwen doen achteloos veel dingen tegelijk. Wanneer mannen in het bedrijfsleven beslissingen nemen, doen ze dat vaak op één aspect, terwijl vrouwen breder kijken. Dat heeft als resultaat dat mannen sneller een beslissing nemen. Maar vrouwen nemen vaak betere beslissingen omdat ze meer facetten afwegen.
Ik ben tegen schools onderwijs. Als je jonge studenten voortdurend bij de hand neemt, leren ze nooit zelfstandig problemen benaderen. Dan denken ze dat er een standaard manier is, die de docent adviseert en die ze alleen maar hoeven op te volgen om het probleem op te lossen. In het echte leven gaat het niet zo. Ingenieurs moeten zelf initiatief nemen, bedenken wat ze gaan doen, hoe en het vervolgens nog echt doen ook.
Bij tentamens liet ik studenten problemen oplossen. Als ze vroegen of ik voorbeelden voor hen had, gaf ik die natuurlijk niet. Zo af en toe bedenkt een student een oplossing waar ik nooit aan had gedacht, fantastisch toch? De originaliteit van Nederlandse ingenieurs die je daarmee stimuleert, maakt ze zo gewild in het buitenland. Bij Microsoft zitten niet voor niets veel Delftse industrieel ontwerpers. In de Verenigde Staten en Singapore vertellen docenten hun studenten precies hoe ze een probleem oplossen, volgens voorgesproken methodes. Godzijdank doen we dat niet in Delft! Dat moeten we vooral zo houden. Nederland is een ontwerpland en buitenlandse bedrijven weten dat ze voor een goede aanpak van een probleem bij onze ingenieurs moeten zijn.
Voor de opleiding van ingenieurs is afstuderen bij een bedrijf zeer waardevol. Dat zou eigenlijk verplicht moeten zijn voor alle technische opleidingen. Daar leren studenten in de praktijk problemen oplossen. Ik heb tweehonderd studenten begeleid die in het bedrijfsleven afstudeerden. Een van de hoogtepunten was het afstuderen van Robert Goris. Hij ontwierp een nekspoel voor MRI. Patiënten met een nekhernia werden met een soort vogelkooi om het hoofd in een nauwe tunnel geschoven. Je zult maar last hebben van claustrofobie. In Goris’ ontwerp ziet een patiënt niet langer wat er gebeurt. Hij keek eerst naar de patiënt, daarna naar de techniek. Goris ontwierp een spoel die bestond uit twee delen. De eerste reactie op de werkvloer was vol ongeloof. Zo deden ze dat nooit. ‘Maar het kan wel’, zei Goris. IO’ers stoppen niet als iets niet schijnt te kunnen, maar vragen zich af waarom het niet kan en zoeken een innovatieve oplossing. Die aanpak is de kwaliteit van de opleiding industrieel ontwerpen, omdat het leidt tot nieuwe, creatieve ideeën.”
Comments are closed.