Zijn kinderen door de juiste inrichting van een wijk te verleiden tot meer buitenspelen? krijgen? Een experiment met stappentellers en GPS-ontvangers moet meer inzicht geven in waar kinderen graag spelen.
Veel stappen zal de stappenteller van Suwendly tijdens zijn tocht van school naar huis niet registreren. De elfjarige jongen wijst door het raam van zijn school, de Omnibus, naar zijn huis. De flat staat nog net niet op het schoolplein. Maar ‘s avonds heeft hij voetbaltraining bij Vitesse Delft. “Dan zet ik wel veel stappen.”
Suwendly traint twee keer in de week en ook de andere dagen voetbalt hij vaak op straat. Maar veel van zijn leeftijdgenootjes zitten na schooltijd liever naar een scherm van de televisie of computer te kijken. Veel instanties doen hun best deze kinderen in beweging te krijgen en op die manier iets te doen aan toenemende gewichtsproblemen bij kinderen.
Bouwkundestudente Mascha Reek denkt dat ook stedenbouwkundigen hun bijdrage kunnen leveren. Door wijken goed in te richten, met voldoende plek om te spelen op de juiste plaatsen, kunnen kinderen volgens haar worden verleid meer buiten te spelen. Zomaar wat speeltuinen aanleggen helpt niet, meent Reek. “Ik zie vaak genoeg een lege speelplaats, terwijl de kinderen ernaast spelen.” Voor haar afstuderen onderzoekt ze waar kinderen uit de Delftse wijk Poptahof graag spelen en hoeveel ze daarbij bewegen.
Ze vond bijna twintig kinderen van groep zeven en acht van basisschool De Omnibus bereid mee te doen aan haar onderzoek. “Ik wilde kinderen onderzoeken die oud genoeg zijn om alleen buiten te spelen”, verklaart Reek de keuze voor de leeftijdscategorie. “Bovendien doet de gemeente Delft ook onderzoek onder deze groep, bijvoorbeeld naar de kindveiligheid van kinderroutes.” Dat kwam mooi uit, want voor dit onderzoek gebruikt de gemeente GPS-ontvangers en stappentellers. En die apparaatjes wilde Reek en haar docente dr. Clarine van Oel ook gebruiken bij het vervolg van het onderzoek. Ze deelden de kosten voor aanschaf van de apparaten met de gemeente.
“Aan kinderen kun je moeilijk vragen waar ze die dag gespeeld hebben en hoe lang”, zegt Reek. “Ze weten niet of iets vijf minuten duurde of een kwartier.” Toch vraagt ze de kinderen van groep zeven van De Omnibus in een dagboekje bij te houden wat ze doen. Om meer en preciezere informatie te krijgen, deelde ze deze week ook tientallen GPS-ontvangers en stappentellers uit.
Tussen kleurige tekeningen en vrolijke foto’s op de gang stellen Reek en bouwkundedocente dr. Clarine van Oel hun spullen op. Reek roept steeds twee kinderen uit de klas bij zich. Veronica, een meisje uit Curaao met vlechtjes die alle kanten op springen, moet eerst een vragenlijst invullen. “Ze moeten wel veel weten”, vindt Veronica. Waar ze woont, of ze haar zwemdiploma heeft . “jammer genoeg niet” . en of ze aan sport doet . ook niet. Ook moet ze langs een meetlint en op de weegschaal staan.
Daarna krijgt Veronica van Reek een soort horloge om haar pols gegespt. Dat is de GPS-ontvanger. “Ik heb overal gekeken, maar deze waren het meest geschikt voor het onderzoek”, zegt Van Oel. “Ze hebben een goede ontvangst en zijn makkelijk te dragen.” De kinderen die meewerken aan het onderzoek dragen het horloge een week lang, van het moment dat ze opstaan tot ze weer gaan slapen.
Razendsnel legt Reek uit hoe het apparaat aan en uit gaat en wat Veronica moet doen als ze in huis geen ontvangst heeft en een ‘raar bericht’ krijgt. Veronica kijkt nog wat verdwaasd als Reek het volgende GPS-horloge al uitdeelt. Reek: “Ze snappen het heel snel hoor. Ze stellen soms dingen in op de horloges waarvan ik niet eens weet wat het is. En ze praten er ook met elkaar over, dus ze kunnen het elkaar ook uitleggen.”
Het horloge houdt per tijdstip bij waar de kinderen zijn. Reek koppelt deze gegevens later aan de informatie die ze heeft over de Poptahof. “Ik heb een kaart waarop alle straten, stoepen en gebouwen staan”, zegt Reek. “En als ik de meetgegevens heb, ga ik na of de plekken waar de kinderen waren formele speelruimten waren, bijvoorbeeld speeltuintjes, of informele speelplaatsen zoals een parkeerplaats of een stukje groen.”
Verderop in de gang klikt Van Oel de stappentellers aan de broeken van de kinderen. Eenmaal in het bezit van het apparaatje worden de kinderen wild. Ze rennen door de gang en doen wedstrijdjes wie de meeste passen zet. Ook na schooltijd staat het schoolplein vol stuiterende kinderen. “De metingen van de eerste dag gooien we weg, anders zouden de resultaten niet betrouwbaar zijn”, zegt Reek.
Met de informatie over waar kinderen spelen en bewegen, wil Reek in januari aanbevelingen doen voor de nieuwe inrichting van Poptahof. De gemeente knapt de wijk op en vindt kindvriendelijkheid daarbij heel belangrijk. “Tot die tijd is de wijk een grote zandbak”, zegt Van Oel. “Maar niet een waar de kinderen in mogen spelen.”
De meeste kinderen vinden het leuk om mee te doen aan het onderzoek. Toch vinden sommige kinderen het gek om overal ‘gevolgd’ te worden. Veronica: “Maar het is wel leuk als ze zien dat ik veel buiten speel. Dat is gezond, omdat je dan calorieën oppikt of zo. Nou ja, het is gewoon gezond.”
Veel stappen zal de stappenteller van Suwendly tijdens zijn tocht van school naar huis niet registreren. De elfjarige jongen wijst door het raam van zijn school, de Omnibus, naar zijn huis. De flat staat nog net niet op het schoolplein. Maar ‘s avonds heeft hij voetbaltraining bij Vitesse Delft. “Dan zet ik wel veel stappen.”
Suwendly traint twee keer in de week en ook de andere dagen voetbalt hij vaak op straat. Maar veel van zijn leeftijdgenootjes zitten na schooltijd liever naar een scherm van de televisie of computer te kijken. Veel instanties doen hun best deze kinderen in beweging te krijgen en op die manier iets te doen aan toenemende gewichtsproblemen bij kinderen.
Bouwkundestudente Mascha Reek denkt dat ook stedenbouwkundigen hun bijdrage kunnen leveren. Door wijken goed in te richten, met voldoende plek om te spelen op de juiste plaatsen, kunnen kinderen volgens haar worden verleid meer buiten te spelen. Zomaar wat speeltuinen aanleggen helpt niet, meent Reek. “Ik zie vaak genoeg een lege speelplaats, terwijl de kinderen ernaast spelen.” Voor haar afstuderen onderzoekt ze waar kinderen uit de Delftse wijk Poptahof graag spelen en hoeveel ze daarbij bewegen.
Ze vond bijna twintig kinderen van groep zeven en acht van basisschool De Omnibus bereid mee te doen aan haar onderzoek. “Ik wilde kinderen onderzoeken die oud genoeg zijn om alleen buiten te spelen”, verklaart Reek de keuze voor de leeftijdscategorie. “Bovendien doet de gemeente Delft ook onderzoek onder deze groep, bijvoorbeeld naar de kindveiligheid van kinderroutes.” Dat kwam mooi uit, want voor dit onderzoek gebruikt de gemeente GPS-ontvangers en stappentellers. En die apparaatjes wilde Reek en haar docente dr. Clarine van Oel ook gebruiken bij het vervolg van het onderzoek. Ze deelden de kosten voor aanschaf van de apparaten met de gemeente.
“Aan kinderen kun je moeilijk vragen waar ze die dag gespeeld hebben en hoe lang”, zegt Reek. “Ze weten niet of iets vijf minuten duurde of een kwartier.” Toch vraagt ze de kinderen van groep zeven van De Omnibus in een dagboekje bij te houden wat ze doen. Om meer en preciezere informatie te krijgen, deelde ze deze week ook tientallen GPS-ontvangers en stappentellers uit.
Tussen kleurige tekeningen en vrolijke foto’s op de gang stellen Reek en bouwkundedocente dr. Clarine van Oel hun spullen op. Reek roept steeds twee kinderen uit de klas bij zich. Veronica, een meisje uit Curaao met vlechtjes die alle kanten op springen, moet eerst een vragenlijst invullen. “Ze moeten wel veel weten”, vindt Veronica. Waar ze woont, of ze haar zwemdiploma heeft . “jammer genoeg niet” . en of ze aan sport doet . ook niet. Ook moet ze langs een meetlint en op de weegschaal staan.
Daarna krijgt Veronica van Reek een soort horloge om haar pols gegespt. Dat is de GPS-ontvanger. “Ik heb overal gekeken, maar deze waren het meest geschikt voor het onderzoek”, zegt Van Oel. “Ze hebben een goede ontvangst en zijn makkelijk te dragen.” De kinderen die meewerken aan het onderzoek dragen het horloge een week lang, van het moment dat ze opstaan tot ze weer gaan slapen.
Razendsnel legt Reek uit hoe het apparaat aan en uit gaat en wat Veronica moet doen als ze in huis geen ontvangst heeft en een ‘raar bericht’ krijgt. Veronica kijkt nog wat verdwaasd als Reek het volgende GPS-horloge al uitdeelt. Reek: “Ze snappen het heel snel hoor. Ze stellen soms dingen in op de horloges waarvan ik niet eens weet wat het is. En ze praten er ook met elkaar over, dus ze kunnen het elkaar ook uitleggen.”
Het horloge houdt per tijdstip bij waar de kinderen zijn. Reek koppelt deze gegevens later aan de informatie die ze heeft over de Poptahof. “Ik heb een kaart waarop alle straten, stoepen en gebouwen staan”, zegt Reek. “En als ik de meetgegevens heb, ga ik na of de plekken waar de kinderen waren formele speelruimten waren, bijvoorbeeld speeltuintjes, of informele speelplaatsen zoals een parkeerplaats of een stukje groen.”
Verderop in de gang klikt Van Oel de stappentellers aan de broeken van de kinderen. Eenmaal in het bezit van het apparaatje worden de kinderen wild. Ze rennen door de gang en doen wedstrijdjes wie de meeste passen zet. Ook na schooltijd staat het schoolplein vol stuiterende kinderen. “De metingen van de eerste dag gooien we weg, anders zouden de resultaten niet betrouwbaar zijn”, zegt Reek.
Met de informatie over waar kinderen spelen en bewegen, wil Reek in januari aanbevelingen doen voor de nieuwe inrichting van Poptahof. De gemeente knapt de wijk op en vindt kindvriendelijkheid daarbij heel belangrijk. “Tot die tijd is de wijk een grote zandbak”, zegt Van Oel. “Maar niet een waar de kinderen in mogen spelen.”
De meeste kinderen vinden het leuk om mee te doen aan het onderzoek. Toch vinden sommige kinderen het gek om overal ‘gevolgd’ te worden. Veronica: “Maar het is wel leuk als ze zien dat ik veel buiten speel. Dat is gezond, omdat je dan calorieën oppikt of zo. Nou ja, het is gewoon gezond.”
Comments are closed.