Education

Nieuwe ateliers, maar college op de trap

Geïmproviseerde werkplekken voor studenten en college via een videoverbinding. Bouwkunde wil haar studenten beter leren ontwerpen door ze werkplekken te geven in ateliers op de faculteit. Maar is daar genoeg ruimte voor?

Op een gloednieuwe groene bank overlegt bouwkundestudente Tess Stribos met haar groepsgenoten. Ze is tweedejaars student, maar volgt nu het eerstejaars ontwerpkwartaal. “Vorig jaar zat ik vooral thuis in mijn eentje te ontwerpen. Nu is het de bedoeling dat we allemaal de hele dag op Bouwkunde werken”, vertelt Stribos. Een goed idee, vindt ze, omdat studenten zo goed kunnen samenwerken. “Gelukkig kan ik me goed afsluiten, anders is het misschien wel druk hier.”

De bank waar ze op zit, staat in een van de vier ateliers die deze zomer in razend tempo zijn gemaakt. Twee op de zesde verdieping van het bouwkundegebouw en twee op de achtste. In elk atelier zijn honderd permanente werkplekken voor studenten. “Het is een soort ontwerpfabriek geworden en dat is precies wat we willen”, zegt ir. Christian van Ees. Hij is als secretaris onderwijs en coördinator van de bacheloropleiding bouwkunde betrokken bij de ontwikkeling van de ateliers. En van de nieuwe manier van onderwijs die daarbij hoort.

Leren ontwerpen gaat het beste door het te doen in een atelier met andere ontwerpers, meent Van Ees. “Oorspronkelijk is het gebouw van de faculteit voor dat atelierwerk ontworpen. Maar een overbevolkte faculteit en de goede voorzieningen die studenten thuis hebben, zorgen ervoor dat studenten steeds vaker alleen thuis werken.”

Het faculteitsbestuur wilde die gewoonte keren. Van Ees: “In een atelier kunnen studenten elkaar helpen. Een student die vastzit met zijn ontwerp, komt door thuis aan te modderen vaak niet verder.” Door te overleggen met een docent of medestudenten wel, is het idee achter het werken in groepen.

“We willen zoveel mogelijk ateliers maken op bouwkunde”, vertelt Van Ees. Om te beginnen de vier die nu zo goed als af zijn. In elk atelier staan twaalf grote tafels voor groepen van acht of negen studenten met aansluitingen voor laptops. Iedere groep heeft ook zijn eigen tafel om maquettes te maken, met daaronder kluisjes om de spullen in op te bergen. Boven de maquettetafels hangen grote monitors. “Voor presentaties van studenten of docenten”, legt Van Ees uit. En voor de rustigere momenten is er een koffiebar en een paar banken.

Werkplekken op de faculteit voor alle studenten is misschien een goed idee. Maar het is wel lastig te realiseren in een gebouw dat al jaren te boek staat als te klein voor het aantal studenten en medewerkers dat het moet huisvesten. Daarom zijn in eerste instantie alleen ateliers gemaakt voor de eerste en tweedejaars. Dit kwartaal krijgen de eerstejaars in de ateliers onderwijs in ontwerpen. De tweedejaar hebben nu een ‘kenniskwartaal’ en volgen vooral college. Volgend kwartaal ruilen ze en kunnen de tweedejaars in de ateliers.

Toch is er dit jaar ruimtegebrek. Meer dan vijfhonderd studenten begonnen in september aan de opleiding bouwkunde. Meer dan vorig jaar en ook meer dan er nieuwe werkplekken zijn. Dus werden plekken die bedoeld waren voor afstudeerders omgebouwd tot een vijfde atelier.

Geen aansluitingen voor laptops en geen hippe koffiebar in het zaaltje boven collegezaal A. Wel oude tafels en stoelen en veel studenten. Hoewel ze menen dat hun jaargenoten in de nieuwe ateliers beter af zijn, vinden de studenten het geen probleem om in het ‘noodatelier’ te zitten. “We weten niet wat we missen”, zegt studente Bassima el Haik.

Een groter probleem zijn de te kleine collegezalen. Teun Verkerk: “Ik leer meer van wat ik op Blackboard vind, dan van een paar uur in een overvolle collegezaal staan.” Wie niet meer op de trappen van de collegezaal past, moet het college in een andere zaal via een videoverbinding volgen. Eerstejaars studente Aimee Moesoelet stond vorige week in zo’n zaal. “Het beeld was te donker en het was erg rumoerig, dus ik kon het college niet goed volgen.”

Roostermaakster Yolanda Radoux boekte voor volgende week het auditorium in de Aula. “Dat is de enige zaal op de TU die groot genoeg is, maar hij is vaak bezet.” In het volgende kwartaal, waarin de grote groep eerstejaars meer colleges volgt, is de extra zaal met videoverbinding vaker nodig, schat Radoux in.

Over het werken in een atelier lijken de meeste studenten en docenten positief. Studenten vinden het prettig om samen te werken, in het gebouw waar ze ook hoor- en werkcolleges hebben. Docente woningbouw ir. Daniëlle Huls: “Studenten leren van elkaar, maar ook de docenten die er rondlopen kunnen leren van de aanpak van andere docenten.”

Van Ees wil in de toekomst zoveel mogelijk ateliers, het liefst voor alle studenten. “Maar de ruimte moet ergens vandaan komen. Meer ateliers betekent dat er een plan moet komen voor de kantoren van medewerkers”, zegt hij. “Daarvoor is een langere adem nodig. Maar als het zo doorgaat, met deze grote aantallen studenten, gaat het wel moeilijk worden.”

(Illustratie: Floris Wiegerinck)

Op een gloednieuwe groene bank overlegt bouwkundestudente Tess Stribos met haar groepsgenoten. Ze is tweedejaars student, maar volgt nu het eerstejaars ontwerpkwartaal. “Vorig jaar zat ik vooral thuis in mijn eentje te ontwerpen. Nu is het de bedoeling dat we allemaal de hele dag op Bouwkunde werken”, vertelt Stribos. Een goed idee, vindt ze, omdat studenten zo goed kunnen samenwerken. “Gelukkig kan ik me goed afsluiten, anders is het misschien wel druk hier.”

De bank waar ze op zit, staat in een van de vier ateliers die deze zomer in razend tempo zijn gemaakt. Twee op de zesde verdieping van het bouwkundegebouw en twee op de achtste. In elk atelier zijn honderd permanente werkplekken voor studenten. “Het is een soort ontwerpfabriek geworden en dat is precies wat we willen”, zegt ir. Christian van Ees. Hij is als secretaris onderwijs en coördinator van de bacheloropleiding bouwkunde betrokken bij de ontwikkeling van de ateliers. En van de nieuwe manier van onderwijs die daarbij hoort.

Leren ontwerpen gaat het beste door het te doen in een atelier met andere ontwerpers, meent Van Ees. “Oorspronkelijk is het gebouw van de faculteit voor dat atelierwerk ontworpen. Maar een overbevolkte faculteit en de goede voorzieningen die studenten thuis hebben, zorgen ervoor dat studenten steeds vaker alleen thuis werken.”

Het faculteitsbestuur wilde die gewoonte keren. Van Ees: “In een atelier kunnen studenten elkaar helpen. Een student die vastzit met zijn ontwerp, komt door thuis aan te modderen vaak niet verder.” Door te overleggen met een docent of medestudenten wel, is het idee achter het werken in groepen.

“We willen zoveel mogelijk ateliers maken op bouwkunde”, vertelt Van Ees. Om te beginnen de vier die nu zo goed als af zijn. In elk atelier staan twaalf grote tafels voor groepen van acht of negen studenten met aansluitingen voor laptops. Iedere groep heeft ook zijn eigen tafel om maquettes te maken, met daaronder kluisjes om de spullen in op te bergen. Boven de maquettetafels hangen grote monitors. “Voor presentaties van studenten of docenten”, legt Van Ees uit. En voor de rustigere momenten is er een koffiebar en een paar banken.

Werkplekken op de faculteit voor alle studenten is misschien een goed idee. Maar het is wel lastig te realiseren in een gebouw dat al jaren te boek staat als te klein voor het aantal studenten en medewerkers dat het moet huisvesten. Daarom zijn in eerste instantie alleen ateliers gemaakt voor de eerste en tweedejaars. Dit kwartaal krijgen de eerstejaars in de ateliers onderwijs in ontwerpen. De tweedejaar hebben nu een ‘kenniskwartaal’ en volgen vooral college. Volgend kwartaal ruilen ze en kunnen de tweedejaars in de ateliers.

Toch is er dit jaar ruimtegebrek. Meer dan vijfhonderd studenten begonnen in september aan de opleiding bouwkunde. Meer dan vorig jaar en ook meer dan er nieuwe werkplekken zijn. Dus werden plekken die bedoeld waren voor afstudeerders omgebouwd tot een vijfde atelier.

Geen aansluitingen voor laptops en geen hippe koffiebar in het zaaltje boven collegezaal A. Wel oude tafels en stoelen en veel studenten. Hoewel ze menen dat hun jaargenoten in de nieuwe ateliers beter af zijn, vinden de studenten het geen probleem om in het ‘noodatelier’ te zitten. “We weten niet wat we missen”, zegt studente Bassima el Haik.

Een groter probleem zijn de te kleine collegezalen. Teun Verkerk: “Ik leer meer van wat ik op Blackboard vind, dan van een paar uur in een overvolle collegezaal staan.” Wie niet meer op de trappen van de collegezaal past, moet het college in een andere zaal via een videoverbinding volgen. Eerstejaars studente Aimee Moesoelet stond vorige week in zo’n zaal. “Het beeld was te donker en het was erg rumoerig, dus ik kon het college niet goed volgen.”

Roostermaakster Yolanda Radoux boekte voor volgende week het auditorium in de Aula. “Dat is de enige zaal op de TU die groot genoeg is, maar hij is vaak bezet.” In het volgende kwartaal, waarin de grote groep eerstejaars meer colleges volgt, is de extra zaal met videoverbinding vaker nodig, schat Radoux in.

Over het werken in een atelier lijken de meeste studenten en docenten positief. Studenten vinden het prettig om samen te werken, in het gebouw waar ze ook hoor- en werkcolleges hebben. Docente woningbouw ir. Daniëlle Huls: “Studenten leren van elkaar, maar ook de docenten die er rondlopen kunnen leren van de aanpak van andere docenten.”

Van Ees wil in de toekomst zoveel mogelijk ateliers, het liefst voor alle studenten. “Maar de ruimte moet ergens vandaan komen. Meer ateliers betekent dat er een plan moet komen voor de kantoren van medewerkers”, zegt hij. “Daarvoor is een langere adem nodig. Maar als het zo doorgaat, met deze grote aantallen studenten, gaat het wel moeilijk worden.”

(Illustratie: Floris Wiegerinck)

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.