Education

Graven door honderd jaar promoties

Volgende week donderdag, op 6 juli, is het precies honderd jaar geleden dat in Delft voor het eerst iemand promoveerde. 4709 Doctores heeft de TU in een eeuw afgeleverd. Wat voor wetenschappelijke neerslag heeft Delft in honderd jaar achtergelaten? Op graaftocht door een eeuw promoties.

Het is het jaar 2906. Het aanzien van de wereld is in negenhonderd jaar ingrijpend veranderd . om van haar klimaat en haar bewoners maar te zwijgen. Op de plaats waar vroeger de nederzetting ‘Delft’ moet hebben gelegen, is een archeologe bezig met opgravingen. Terwijl zij zich door de afzettingen van de recente geschiedenis heen graaft, komt zij allerlei boeiende dingen tegen.

Dan stuit de archeologe plotseling op een lichtgrijze, dofglanzende laag van een merkwaardig licht en tegelijk stevig materiaal. Nu wordt het pas echt interessant, denkt ze. Bij nader bestuderen onder een loep blijkt de afzetting te zijn opgebouwd uit dunnere laagjes, afwisselend van aluminium en glasvezel. Aanvankelijk brengt de vondst onze archeologe danig in verwarring: wat een merkwaardig materiaal brachten die oude culturen toch voort! Dan beseft ze ineens: dit is natuurlijk het legendarische glare, het magische materiaal waarmee de mens negenhonderd jaar geleden zijn zogenaamde ‘vliegtuigen’ bouwde!

De archeologe uit 2906 kan haar geluk niet op. Het is duidelijk dat haar collega’s groen van afgunst zullen zien als ze vernemen van de unieke en buitengewoon rijke vindplaats die ze heeft aangetroffen. Glare was immers een van de belangrijkste wetenschappelijke vindingen van de eertijds legendarische Technische Universiteit Delft. Als haar wetenschappelijk onderbouwde vermoedens correct zijn, liggen onder de glare-laag, keurig op volgorde, de sedimenten van precies een eeuw Delftse wetenschap.

Het was de tijd van proefschriften zoals ‘Flying Glare’ (Thomas Beumler, 23 maart 2004) of ‘Subsurface fatigue crack growth in Glare fibre metal laminates’ (Christian Randell, 22 december 2005).
Betoncultuur

Glare was natuurlijk niet het enige materiaal dat in de periode van 2002 tot 2006 in Delft werd bestudeerd. Bij voorzichtig verder graven blijkt het materiaal dan ook maar sporadisch in zijn meest zuivere vorm aanwezig. In de loop van de eeuwen is het vermengd geraakt met andere stoffen die eertijds wetenschappelijke activiteit teweegbrachten. Zo treft onze archeologe in de toplaag van de Delftse Gouden Eeuw opvallend veel natte plekken. Zouden het overblijfselen zijn van het grote aantal proefschriften over drinkwater die in deze periode werden gemaakt?

Door de bovenste laag heenkomen is voor een archeologe uit 2906 niet al te moeilijk. Glare is wel stevig, maar niet hard, en de tand des tijds heeft zelfs dit fantastische materiaal niet onaangetast gelaten. Met de laag die zij direct eronder aantreft is dat wel anders. Die is eveneens lichtgrijs, maar niet glad, en veel harder. Gewoon gereedschap krijgt er moeilijk vat op; er moet worden gewerkt met drilboren. Het is een duidelijk overblijfsel van de betoncultuur, die de TU Delft grofweg van 1998 tot 2001 in zijn greep had.

Er werden toen proefschriften geschreven zoals ‘Discrete elements and nonlinearity in design of concrete structural walls’ door Peter Casper (15 september 1998) en ‘Dielectric properties of young concrete’ door Anton van Beek (21 maart 2000). Opvallend is de promotie van Danh Dai Bui van 19 januari 2001. Hij stelde voor om de as van verbrand rijstafval aan beton toe te voegen.

Tussen de harde overblijfselen van het Delftse betontijdperk treft onze archeologe ook een niet erg smakelijk ogende, groene kledder aan. Zou het een sediment zijn van de enige dissertatie over spinazie die ooit in Delft is gemaakt (‘Analytical aspects of technetium speciation in spinach plants’, Arend Harms, 17 maart 1998)?

Wanneer de onderzoekster uit 2906 zich een weg heeft gebaand door de resten van het Delftse betontijdperk, merkt ze het meteen. De overgang tussen verschillende archeologische lagen kan nauwelijks dramatischer zijn dan wat ze nu aantreft. Ze komt letterlijk in een andere wereld. Het lijkt wel of de drilboor in een leegte prikt. Direct onder het betonsediment ligt de windlaag, die volgens de overleveringen gedateerd kan worden op ongeveer 1993 tot 1998.

Het was de periode waarin werd gepromoveerd op ‘The aerodynamics of horizontal axis wind turbines rotors’ (Gerard van Bussel, 14 november 1995) of ‘Wind-induced dynamic behaviour of tall buildings’ (Gerard van Oosterhout, 23 september 1996). Proefschriften hadden korte, krachtige titels als ‘Wind-wave interaction’ (Cornelis Mastenbroek, 12 december 1996).
Silicium

Het kost onze denkbeeldige archeologe uit de toekomst vanzelfsprekend niet veel moeite om zich door het Delftse windtijdperk heen te werken. Maar dan stuit zij weer op iets metaalachtigs. Op het eerste gezicht lijkt het wel wat op de toplaag van glare, maar het dieper liggende, dus oudere sediment is brosser en harder. Ook mist hij de verfijnde laagstructuur. Zij is aangeland bij de afzetting uit het siliciumtijdperk, waarvan wordt aangenomen dat het zich uitstrekte van 1990 tot 1993.

Van alle materialen die de mensheid in de twintigste eeuw kende, zo weet onze archeologe uit de literatuur, was silicium misschien wel het meest bestudeerde. Aan alle universiteiten over de hele wereld verschenen aan de lopende band proefschriften over dit element. Het was natuurlijk omdat silicium als halfgeleider enorm veel toepassingen vond in de ‘computers’ waar toen zo veel van verwacht werd. Het Delftse siliciumtijdperk markeerde het begin van het informatietijdperk. In alle kantoren en zelfs bij mensen thuis stonden grote, lelijke machines die pc’s werden genoemd en die vol zaten met silicium chips. De technische ontwikkelingen met silicium gingen zo snel dat de mensheid dacht verwikkeld te zijn in een ‘informatierevolutie’. De archeologe uit 2906 moet onwillekeurig glimlachen als ze zich de opwinding van de twintigste-eeuwers over hun simpele besognes voor de geest tracht te halen. Ze hadden eens moeten weten wat er daarna nog allemaal stond te gebeuren.

Overigens was het zeker niet uitsluitend in het siliciumtijdperk dat er dissertaties werden geschreven over het materiaal. Al op 22 april 1953 promoveerde Heyme Breederveld op een ‘Bijdrage tot de kennis der organische siliciumverbindingen’, maar toen werd het nog vooral beschouwd als mineraal.

Het siliciumtijdperk is te beschouwen als de oudste van de ‘moderne’ Delftse perioden, waarin de legendarische Technische Universiteit Delft zich ontwikkelde tot onderzoeksuniversiteit van internationaal formaat. Direct onder het silicium stuit de archeologe uit 2906 op de eerste bewijzen van de vroeg-Delftse era. De laag die zij aantreft is weliswaar even dik als de siliciumafzetting, maar had aanzienlijk meer tijd nodig om zich te vormen. De kleur is roestbruin; het is de neerslag van de ijzertijd. Duurde het siliciumtijdperk nauwelijks drie jaar, de Delftse ijzertijd nam maar liefst twintig jaar in beslag en bestreek 1970 tot 1989.
Geboortegolf

De wetenschappelijke output van de TU lag in die periode dus zes keer zo laag, tenminste wanneer je zou afgaan op het aantal promoties. Het was de tijd waarin universiteiten snel groeiden, niet alleen door de geboortegolf van na de Tweede Wereldoorlog, maar ook omdat steeds grotere delen van de samenleving toegang kregen tot hoger onderwijs. Alle aandacht ging uit naar het opvangen van de aanstormende horden studenten, die ook nog eens een stuk mondiger en veeleisender waren dan de universiteiten gewend waren. Onderzoek werd tot in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw nogal stiefmoederlijk bedeeld.

Typische voorbeelden van dissertaties uit de Delftse ijzertijd zijn ‘Stollingsverschijnselen in grijs gietijzer’ (Hendrik Nieswaag, 11 oktober 1972) en ‘Stollingsverschijnselen in grote staalblokken’ (Huibert den Hartog, 1 oktober 1975), inderdaad met dezelfde promotor: prof.dr. A.J. Zuithoff. Het gebeurde in de eerste promotie-eeuw van de TU Delft vaker dat proefschriften nogal op elkaar leken. Een mooi voorbeeld van het massale karakter dat de wetenschap in de twintigste eeuw had gekregen. Niet langer was wetenschap het domein van enkele genieën. In plaats daarvan zaten aan honderden universiteiten over hele wereld duizenden promovendi bij te dragen aan het oplossen van kleine stukjes van de legpuzzel.

Ook in de ijzertijd was lang niet alle aandacht gericht op één materiaal. Eerlijk gezegd treft onze archeologe tussen het roestbruin aardig wat silicium aan, en ook weer wat onsmakelijke plekken: er werd gepromoveerd op vet en vuilnis (‘On the feasibility of concurrent garbage collection’ van Klaus Múller, 3 maart 1976). Akelig zuur ruikt het overblijfsel van het onderzoek van Cornelis Verrips (27 mei 1975), de enige aan de TU die ooit op melk promoveerde.
Steenkool

Onze archeologe graaft nog dieper en komt zo steeds verder in de vroeg-Delftse historie. Diepzwart glanzend is het materiaal nu, en het is dan ook een overblijfsel uit het steenkooltijdperk, lopend van 1950 tot 1969. Was voor de vorming van de ijzerlaag nog twintig jaar nodig, de vorming van deze laag vereiste het dubbele.

In de jaren vijftig en zestig van die lang vervlogen twintigste eeuw, zo weet de archeologe, had Nederland nog een bloeiende mijnstreek. Mijnbouwkunde was misschien wel de belangrijkste afdeling van de TU Delft . die toen overigens nog Technische Hogeschool heette. Zeker voordat de aardgasbel in Slochteren werd ontdekt (in 1959) was steenkool een uiterst belangrijk materiaal. In de wintermaanden rook het hele land ernaar. De archeologe brengt een brokje van de zwarte laag naar haar neus om zich er een voorstelling van te maken, maar ruikt alleen een beetje zwavel . een ander materiaal dat in deze laag valt aan te treffen. Misschien ontstond de typische steenkoolgeur pas bij de verbranding in ‘kachels’? Of zou haar 30ste-eeuwse neus zover zijn doorgeëvolueerd dat hij niet meer gevoelig is voor de stank van het verleden?

Nauwelijks meer te herkennen tussen het zwart zijn de individuele overblijfselen van proefschriften als ‘Constitutie van steenkool’ (Jan Meijs, 30 maart 1955), ‘De mijngasafgifte van steenkoollagen’ (Jan Stuffken, 4 juli 1957) en ‘Homogeniseren van stortgoederen, in het bijzonder steenkool’ (Aart van der Mooren, 21 juni 1967).

Overigens treft onze archeologe, dankzij de geavanceerde speurmiddelen die haar in 2906 ten dienste staan, zelfs in deze oud-Delftse laag al bewijzen aan van vroeg onderzoek naar het materiaal dat de loop van de wetenschap vanaf de 21ste eeuw zo sterk zou bepalen: DNA. De archeologe, wier DNA dankzij vernuftige manipulaties in de verste verte niet meer lijkt op dat van haar voorouders van negenhonderd jaar geleden, raakt er bijna door ontroerd. Vermoedelijk staat ze hier in handen met het laatste overblijfsel van het werk van Robert Beukers, die op 26 oktober 1960 de eerste was die in Delft op DNA promoveerde (‘Chemische omzettingen bij de bestraling van nucleïnezuren met ultraviolet licht’). Of zouden de in haar ogen opwellende tranen het gevolg zijn van een vleugje bongkrekzuur? Het is een gif dat sterker is dan cyanide. In het voormalige Nederlands-Indië ontstond het soms bij het bereiden van een bepaald soort tempé. Diederik Nugteren promoveerde op 31 oktober 1956 op de structuur van bongkrekzuur. Later, in het late steenkooltijdperk op 5 februari 1969, zou Gerard Lijmbach trouwens op dezelfde stof promoveren.
Rubber

Zou er onder de steenkoollaag nog meer output van de Technische Universiteit Delft bewaard zijn gebleven? Onze archeologe kan het zich haast niet voorstellen, maar ze zou geen wetenschapper zijn als ze met een vermoeden tevreden was. Ze graaft dus verder. En waarachtig, haar houweel stuit op iets veerkrachtigs, met een zware, niet al te aangename geur. Ze is, beseft ze, aangeland in de allervroegste prehistorie van het Delftse onderzoek: het rubbertijdperk. Het is bijna niet voor te stellen dat deze laag, die niet dikker is dan de vorige, bijna evenveel tijd nodig had om zich te vormen als de andere zes lagen . glare, beton, wind, silicium, ijzer en steenkool . bij elkaar.

De rubberperiode beloopt bijna de helft van de eerste Delftse promotie-eeuw, van 1906 tot 1949. Hier zouden restanten te vinden moeten zijn van ‘Over sterk samendrukbare schroefveren en rubberstaven en over hun toepassing bij trillingsvrije opstellingen’ van Johannes Haringx (10 december 1947) en ‘Onderzoekingen omtrent het gedrag van autobanden op een effen weg’ van Hendrik Misset (20 januari 1932). Misschien zelfs nog van ‘Bijdrage tot de kennis van het vulkanisatieproces’ van Arnold van Rossem (29 september 1916).

Het Nederlands was in de diepe oudheid nog verreweg de belangrijkste taal voor proefschriften. Een wetenschapper die een mondje over de grens wilde spreken, deed dat in het Duits. Dat duurde tot de Tweede Wereldoorlog. Daarna was promoveren in het Duits een zeldzaamheid. Pas op 8 juli 1959 zou er weer een proefschrift in het Duits worden verdedigd (door Arno Schocher, over de groei van clostridia-bacteriën).
Beukennotenkoek

Opvallend is dat in de diepste lagen sedimenten bewaard zijn gebleven van onderzoek dat helemaal niet zo technisch is, maar eerder landbouwkundig. Zo treft onze archeologe heel diep de aangenaam ziltig geurende restanten aan van ‘De voeding der oester’ van Johan Heymann (20 mei 1914). Dat is natuurlijk omdat de Landbouwuniversiteit in Wageningen nog niet bestond. Die opende in 1918 zijn deuren en zou pas na de oorlog promotierecht krijgen. Zo waren er in Delft promoties over vergiftigde beukennotenkoek (George van Kampen, 7 oktober 1925) en over de pandanhoedenindustrie op Java (Hendrik Hofstede, 16 oktober 1925). Pandanhoeden worden gemaakt van het pandanblad. Ook de dissertatie met de kernachtige titel ‘Ontratting en desinfectie’ van Marinus de Bruyne (3 februari 1926) heeft iets Wagenings. Twee promoties over boter, een over cacao en een over caramel waren een stuk smakelijker.

Frits Fontein promoveerde op 22 oktober 1909 op een manier om de onaangenaam geurende foezelolie uit jenever te verwijderen. Op 15 mei 1914 promoveerde Albert Jan Kluyver (1888-1956) cum laude op ‘Biochemische suikerbepaling’. Later zou hij een beroemd onderzoeker worden en zou het Kluyverlaboratorium naar hem worden genoemd. Op 26 maart van het jaar erop promoveerde nog iemand die later beroemd zou worden: Felix Andries Vening Meinesz (1887-1966), op een onderzoek naar de invloed van zwaartekracht op slingeringen . een rechtstreeks vervolg op het werk van Christiaan Huygens. De onderzoeksschool voor geodynamica aan de Universiteit Utrecht zou later naar Vening Meinesz worden genoemd.

En dan treft onze archeologe een kleine, bijna onzichtbare leegte aan. Vermoedelijk gaat het om het restant van het aller-, allereerste proefschrift uit Delft. Het werd verdedigd op 6 juli 1906 door Nicolaas Louis Söhngen. Het gaat over het ontstaan en verdwijnen van waterstof en methaan.

Al die moeite, al die kennis, vervat in wat bodemafzettingen. En ontroerd pinkt de archeologe uit 2906 een 30e-eeuwse traan weg.

Illustratie: Paul Börchers)
Kennisimport

Dat wetenschap steeds internationaler wordt, is aan weinig dingen zo goed te zien als aan de promoties. Wie de agenda’s van de universiteiten bekijkt, wordt af en toe besprongen door de gedachte dat wetenschappelijke kennis een importproduct is geworden. Promovendi komen uit allerlei windstreken, zo lijkt het, behalve uit Nederland.

Maar zo erg is het nu ook weer niet. Zelfs aan de bij uitstek op exacte en internationale wetenschap gerichte TU Delft is nog ruim de helft van de promovendi afgestudeerd aan een Nederlandse universiteit. Dat hoeft natuurlijk niet te betekenen dat ze ook de Nederlandse nationaliteit hebben. Immers, ook gewone studenten komen hoe langer hoe vaker uit het buitenland.

In het vorige academische jaar (2004-2005) waren er 214 promoties in Delft. Van de promovendi waren 128 (60 procent) afgestudeerd in het Nederlandse hoger onderwijs . meestal, maar lang niet altijd de TU Delft zelf.

De grootste buitenlandse leverancier van promovendi is China. Van de 128 nieuwe doctores kwamen er 10 uit dat enorme land. Verrassend is de tweede plaats voor Italië, waar acht promovendi vandaan kwamen. Uit Bulgarije kwamen zes promovendi.

Duitsland, Portugal, Roemenië en voormalig Joegoslavië met de landen die daaruit voortkwamen leverden elk vijf promovendi. Vier kwamen er uit Iran en drie uit Indonesië, Polen en Rusland. België, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten vaardigden ieder twee promovendi af.

De landen met één Delftse promovendus in 2004-2005 zijn Argentinië, Canada, Colombia, Egypte, Griekenland, Hongarije, India, Israël, Oekraïne, Oostenrijk, Pakistan (een master in natuurkunde en ‘nuclear engineering’ van de Quaid-I-Azam universiteit, om het pikant te maken), Verenigd Koninkrijk, Vietnam en Zuid-Afrika.
Hora est

Tot 1986 heette de TU Delft nog Technische Hogeschool Delft. In dat jaar werden de hogescholen bevorderd tot universiteit en mochten instituten in het hoger beroepsonderwijs zich hogeschool noemen. Eigenlijk pas vanaf dat jaar stonden de TU’s op gelijkwaardig niveau met de klassieke, algemene universiteiten zoals die in Leiden en Utrecht. Het leidde ook tot een subtiele aanpassing in het ritueel rond de verdediging van het proefschrift. Tachtig jaar lang maakte de pedel, de ceremoniemeester bij promoties, een einde aan de beproeving van de promovendus door met zijn rinkelstaf binnen te treden en met krachtige stem te roepen: ‘Het uur is verstreken!’ Na 1986 werd deze uitroep in Delft dezelfde als aan klassieke universiteiten en roept de pedel in het Latijn: ‘Hora est!’
Structureel

Op 17 februari 1987 promoveerde Jilt Sietsma op ‘Structural investigations of some metallic glasses’. Zijn promotor was prof.dr.ir. S. Radelaar. Drie maanden later, op 19 mei 1987, promoveerde Erik Huizer op ‘Structural relaxation in some metallic glasses’. Zijn promotor was prof.dr.ir. A. van den Beukel. Twee promovendi, twee promotoren, en praktisch dezelfde titel . zouden ze dat van elkaar hebben geweten?
Geigerteller

In de Tweede Wereldoorlog kwam het wetenschapsbedrijf in Nederland vrijwel geheel stil te liggen. Toch waren er nog 24 Delftse promoties in de jaren 1941 tot 1943. Ze waren allemaal Nederlandstalig en behandelden gewone onderwerpen, van ‘Stereofonische geluidsweergave’ (Kornelis de Boer, 10 april 1941) tot de vorming van rietsuiker uit zetmeel (Bastiaan Jacob Dirk Meeuse, 23 juli 1943). Onwillekeurig vraagt men zich wel af waarom de latere hoogleraar (in Twente) Arjen Nawijn op 24 mei 1943 uitgerekend op een Geiger-Múllerteller moest promoveren.

img:repo.jpg

Het is het jaar 2906. Het aanzien van de wereld is in negenhonderd jaar ingrijpend veranderd . om van haar klimaat en haar bewoners maar te zwijgen. Op de plaats waar vroeger de nederzetting ‘Delft’ moet hebben gelegen, is een archeologe bezig met opgravingen. Terwijl zij zich door de afzettingen van de recente geschiedenis heen graaft, komt zij allerlei boeiende dingen tegen.

Dan stuit de archeologe plotseling op een lichtgrijze, dofglanzende laag van een merkwaardig licht en tegelijk stevig materiaal. Nu wordt het pas echt interessant, denkt ze. Bij nader bestuderen onder een loep blijkt de afzetting te zijn opgebouwd uit dunnere laagjes, afwisselend van aluminium en glasvezel. Aanvankelijk brengt de vondst onze archeologe danig in verwarring: wat een merkwaardig materiaal brachten die oude culturen toch voort! Dan beseft ze ineens: dit is natuurlijk het legendarische glare, het magische materiaal waarmee de mens negenhonderd jaar geleden zijn zogenaamde ‘vliegtuigen’ bouwde!

De archeologe uit 2906 kan haar geluk niet op. Het is duidelijk dat haar collega’s groen van afgunst zullen zien als ze vernemen van de unieke en buitengewoon rijke vindplaats die ze heeft aangetroffen. Glare was immers een van de belangrijkste wetenschappelijke vindingen van de eertijds legendarische Technische Universiteit Delft. Als haar wetenschappelijk onderbouwde vermoedens correct zijn, liggen onder de glare-laag, keurig op volgorde, de sedimenten van precies een eeuw Delftse wetenschap.

Het was de tijd van proefschriften zoals ‘Flying Glare’ (Thomas Beumler, 23 maart 2004) of ‘Subsurface fatigue crack growth in Glare fibre metal laminates’ (Christian Randell, 22 december 2005).
Betoncultuur

Glare was natuurlijk niet het enige materiaal dat in de periode van 2002 tot 2006 in Delft werd bestudeerd. Bij voorzichtig verder graven blijkt het materiaal dan ook maar sporadisch in zijn meest zuivere vorm aanwezig. In de loop van de eeuwen is het vermengd geraakt met andere stoffen die eertijds wetenschappelijke activiteit teweegbrachten. Zo treft onze archeologe in de toplaag van de Delftse Gouden Eeuw opvallend veel natte plekken. Zouden het overblijfselen zijn van het grote aantal proefschriften over drinkwater die in deze periode werden gemaakt?

Door de bovenste laag heenkomen is voor een archeologe uit 2906 niet al te moeilijk. Glare is wel stevig, maar niet hard, en de tand des tijds heeft zelfs dit fantastische materiaal niet onaangetast gelaten. Met de laag die zij direct eronder aantreft is dat wel anders. Die is eveneens lichtgrijs, maar niet glad, en veel harder. Gewoon gereedschap krijgt er moeilijk vat op; er moet worden gewerkt met drilboren. Het is een duidelijk overblijfsel van de betoncultuur, die de TU Delft grofweg van 1998 tot 2001 in zijn greep had.

Er werden toen proefschriften geschreven zoals ‘Discrete elements and nonlinearity in design of concrete structural walls’ door Peter Casper (15 september 1998) en ‘Dielectric properties of young concrete’ door Anton van Beek (21 maart 2000). Opvallend is de promotie van Danh Dai Bui van 19 januari 2001. Hij stelde voor om de as van verbrand rijstafval aan beton toe te voegen.

Tussen de harde overblijfselen van het Delftse betontijdperk treft onze archeologe ook een niet erg smakelijk ogende, groene kledder aan. Zou het een sediment zijn van de enige dissertatie over spinazie die ooit in Delft is gemaakt (‘Analytical aspects of technetium speciation in spinach plants’, Arend Harms, 17 maart 1998)?

Wanneer de onderzoekster uit 2906 zich een weg heeft gebaand door de resten van het Delftse betontijdperk, merkt ze het meteen. De overgang tussen verschillende archeologische lagen kan nauwelijks dramatischer zijn dan wat ze nu aantreft. Ze komt letterlijk in een andere wereld. Het lijkt wel of de drilboor in een leegte prikt. Direct onder het betonsediment ligt de windlaag, die volgens de overleveringen gedateerd kan worden op ongeveer 1993 tot 1998.

Het was de periode waarin werd gepromoveerd op ‘The aerodynamics of horizontal axis wind turbines rotors’ (Gerard van Bussel, 14 november 1995) of ‘Wind-induced dynamic behaviour of tall buildings’ (Gerard van Oosterhout, 23 september 1996). Proefschriften hadden korte, krachtige titels als ‘Wind-wave interaction’ (Cornelis Mastenbroek, 12 december 1996).
Silicium

Het kost onze denkbeeldige archeologe uit de toekomst vanzelfsprekend niet veel moeite om zich door het Delftse windtijdperk heen te werken. Maar dan stuit zij weer op iets metaalachtigs. Op het eerste gezicht lijkt het wel wat op de toplaag van glare, maar het dieper liggende, dus oudere sediment is brosser en harder. Ook mist hij de verfijnde laagstructuur. Zij is aangeland bij de afzetting uit het siliciumtijdperk, waarvan wordt aangenomen dat het zich uitstrekte van 1990 tot 1993.

Van alle materialen die de mensheid in de twintigste eeuw kende, zo weet onze archeologe uit de literatuur, was silicium misschien wel het meest bestudeerde. Aan alle universiteiten over de hele wereld verschenen aan de lopende band proefschriften over dit element. Het was natuurlijk omdat silicium als halfgeleider enorm veel toepassingen vond in de ‘computers’ waar toen zo veel van verwacht werd. Het Delftse siliciumtijdperk markeerde het begin van het informatietijdperk. In alle kantoren en zelfs bij mensen thuis stonden grote, lelijke machines die pc’s werden genoemd en die vol zaten met silicium chips. De technische ontwikkelingen met silicium gingen zo snel dat de mensheid dacht verwikkeld te zijn in een ‘informatierevolutie’. De archeologe uit 2906 moet onwillekeurig glimlachen als ze zich de opwinding van de twintigste-eeuwers over hun simpele besognes voor de geest tracht te halen. Ze hadden eens moeten weten wat er daarna nog allemaal stond te gebeuren.

Overigens was het zeker niet uitsluitend in het siliciumtijdperk dat er dissertaties werden geschreven over het materiaal. Al op 22 april 1953 promoveerde Heyme Breederveld op een ‘Bijdrage tot de kennis der organische siliciumverbindingen’, maar toen werd het nog vooral beschouwd als mineraal.

Het siliciumtijdperk is te beschouwen als de oudste van de ‘moderne’ Delftse perioden, waarin de legendarische Technische Universiteit Delft zich ontwikkelde tot onderzoeksuniversiteit van internationaal formaat. Direct onder het silicium stuit de archeologe uit 2906 op de eerste bewijzen van de vroeg-Delftse era. De laag die zij aantreft is weliswaar even dik als de siliciumafzetting, maar had aanzienlijk meer tijd nodig om zich te vormen. De kleur is roestbruin; het is de neerslag van de ijzertijd. Duurde het siliciumtijdperk nauwelijks drie jaar, de Delftse ijzertijd nam maar liefst twintig jaar in beslag en bestreek 1970 tot 1989.
Geboortegolf

De wetenschappelijke output van de TU lag in die periode dus zes keer zo laag, tenminste wanneer je zou afgaan op het aantal promoties. Het was de tijd waarin universiteiten snel groeiden, niet alleen door de geboortegolf van na de Tweede Wereldoorlog, maar ook omdat steeds grotere delen van de samenleving toegang kregen tot hoger onderwijs. Alle aandacht ging uit naar het opvangen van de aanstormende horden studenten, die ook nog eens een stuk mondiger en veeleisender waren dan de universiteiten gewend waren. Onderzoek werd tot in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw nogal stiefmoederlijk bedeeld.

Typische voorbeelden van dissertaties uit de Delftse ijzertijd zijn ‘Stollingsverschijnselen in grijs gietijzer’ (Hendrik Nieswaag, 11 oktober 1972) en ‘Stollingsverschijnselen in grote staalblokken’ (Huibert den Hartog, 1 oktober 1975), inderdaad met dezelfde promotor: prof.dr. A.J. Zuithoff. Het gebeurde in de eerste promotie-eeuw van de TU Delft vaker dat proefschriften nogal op elkaar leken. Een mooi voorbeeld van het massale karakter dat de wetenschap in de twintigste eeuw had gekregen. Niet langer was wetenschap het domein van enkele genieën. In plaats daarvan zaten aan honderden universiteiten over hele wereld duizenden promovendi bij te dragen aan het oplossen van kleine stukjes van de legpuzzel.

Ook in de ijzertijd was lang niet alle aandacht gericht op één materiaal. Eerlijk gezegd treft onze archeologe tussen het roestbruin aardig wat silicium aan, en ook weer wat onsmakelijke plekken: er werd gepromoveerd op vet en vuilnis (‘On the feasibility of concurrent garbage collection’ van Klaus Múller, 3 maart 1976). Akelig zuur ruikt het overblijfsel van het onderzoek van Cornelis Verrips (27 mei 1975), de enige aan de TU die ooit op melk promoveerde.
Steenkool

Onze archeologe graaft nog dieper en komt zo steeds verder in de vroeg-Delftse historie. Diepzwart glanzend is het materiaal nu, en het is dan ook een overblijfsel uit het steenkooltijdperk, lopend van 1950 tot 1969. Was voor de vorming van de ijzerlaag nog twintig jaar nodig, de vorming van deze laag vereiste het dubbele.

In de jaren vijftig en zestig van die lang vervlogen twintigste eeuw, zo weet de archeologe, had Nederland nog een bloeiende mijnstreek. Mijnbouwkunde was misschien wel de belangrijkste afdeling van de TU Delft . die toen overigens nog Technische Hogeschool heette. Zeker voordat de aardgasbel in Slochteren werd ontdekt (in 1959) was steenkool een uiterst belangrijk materiaal. In de wintermaanden rook het hele land ernaar. De archeologe brengt een brokje van de zwarte laag naar haar neus om zich er een voorstelling van te maken, maar ruikt alleen een beetje zwavel . een ander materiaal dat in deze laag valt aan te treffen. Misschien ontstond de typische steenkoolgeur pas bij de verbranding in ‘kachels’? Of zou haar 30ste-eeuwse neus zover zijn doorgeëvolueerd dat hij niet meer gevoelig is voor de stank van het verleden?

Nauwelijks meer te herkennen tussen het zwart zijn de individuele overblijfselen van proefschriften als ‘Constitutie van steenkool’ (Jan Meijs, 30 maart 1955), ‘De mijngasafgifte van steenkoollagen’ (Jan Stuffken, 4 juli 1957) en ‘Homogeniseren van stortgoederen, in het bijzonder steenkool’ (Aart van der Mooren, 21 juni 1967).

Overigens treft onze archeologe, dankzij de geavanceerde speurmiddelen die haar in 2906 ten dienste staan, zelfs in deze oud-Delftse laag al bewijzen aan van vroeg onderzoek naar het materiaal dat de loop van de wetenschap vanaf de 21ste eeuw zo sterk zou bepalen: DNA. De archeologe, wier DNA dankzij vernuftige manipulaties in de verste verte niet meer lijkt op dat van haar voorouders van negenhonderd jaar geleden, raakt er bijna door ontroerd. Vermoedelijk staat ze hier in handen met het laatste overblijfsel van het werk van Robert Beukers, die op 26 oktober 1960 de eerste was die in Delft op DNA promoveerde (‘Chemische omzettingen bij de bestraling van nucleïnezuren met ultraviolet licht’). Of zouden de in haar ogen opwellende tranen het gevolg zijn van een vleugje bongkrekzuur? Het is een gif dat sterker is dan cyanide. In het voormalige Nederlands-Indië ontstond het soms bij het bereiden van een bepaald soort tempé. Diederik Nugteren promoveerde op 31 oktober 1956 op de structuur van bongkrekzuur. Later, in het late steenkooltijdperk op 5 februari 1969, zou Gerard Lijmbach trouwens op dezelfde stof promoveren.
Rubber

Zou er onder de steenkoollaag nog meer output van de Technische Universiteit Delft bewaard zijn gebleven? Onze archeologe kan het zich haast niet voorstellen, maar ze zou geen wetenschapper zijn als ze met een vermoeden tevreden was. Ze graaft dus verder. En waarachtig, haar houweel stuit op iets veerkrachtigs, met een zware, niet al te aangename geur. Ze is, beseft ze, aangeland in de allervroegste prehistorie van het Delftse onderzoek: het rubbertijdperk. Het is bijna niet voor te stellen dat deze laag, die niet dikker is dan de vorige, bijna evenveel tijd nodig had om zich te vormen als de andere zes lagen . glare, beton, wind, silicium, ijzer en steenkool . bij elkaar.

De rubberperiode beloopt bijna de helft van de eerste Delftse promotie-eeuw, van 1906 tot 1949. Hier zouden restanten te vinden moeten zijn van ‘Over sterk samendrukbare schroefveren en rubberstaven en over hun toepassing bij trillingsvrije opstellingen’ van Johannes Haringx (10 december 1947) en ‘Onderzoekingen omtrent het gedrag van autobanden op een effen weg’ van Hendrik Misset (20 januari 1932). Misschien zelfs nog van ‘Bijdrage tot de kennis van het vulkanisatieproces’ van Arnold van Rossem (29 september 1916).

Het Nederlands was in de diepe oudheid nog verreweg de belangrijkste taal voor proefschriften. Een wetenschapper die een mondje over de grens wilde spreken, deed dat in het Duits. Dat duurde tot de Tweede Wereldoorlog. Daarna was promoveren in het Duits een zeldzaamheid. Pas op 8 juli 1959 zou er weer een proefschrift in het Duits worden verdedigd (door Arno Schocher, over de groei van clostridia-bacteriën).
Beukennotenkoek

Opvallend is dat in de diepste lagen sedimenten bewaard zijn gebleven van onderzoek dat helemaal niet zo technisch is, maar eerder landbouwkundig. Zo treft onze archeologe heel diep de aangenaam ziltig geurende restanten aan van ‘De voeding der oester’ van Johan Heymann (20 mei 1914). Dat is natuurlijk omdat de Landbouwuniversiteit in Wageningen nog niet bestond. Die opende in 1918 zijn deuren en zou pas na de oorlog promotierecht krijgen. Zo waren er in Delft promoties over vergiftigde beukennotenkoek (George van Kampen, 7 oktober 1925) en over de pandanhoedenindustrie op Java (Hendrik Hofstede, 16 oktober 1925). Pandanhoeden worden gemaakt van het pandanblad. Ook de dissertatie met de kernachtige titel ‘Ontratting en desinfectie’ van Marinus de Bruyne (3 februari 1926) heeft iets Wagenings. Twee promoties over boter, een over cacao en een over caramel waren een stuk smakelijker.

Frits Fontein promoveerde op 22 oktober 1909 op een manier om de onaangenaam geurende foezelolie uit jenever te verwijderen. Op 15 mei 1914 promoveerde Albert Jan Kluyver (1888-1956) cum laude op ‘Biochemische suikerbepaling’. Later zou hij een beroemd onderzoeker worden en zou het Kluyverlaboratorium naar hem worden genoemd. Op 26 maart van het jaar erop promoveerde nog iemand die later beroemd zou worden: Felix Andries Vening Meinesz (1887-1966), op een onderzoek naar de invloed van zwaartekracht op slingeringen . een rechtstreeks vervolg op het werk van Christiaan Huygens. De onderzoeksschool voor geodynamica aan de Universiteit Utrecht zou later naar Vening Meinesz worden genoemd.

En dan treft onze archeologe een kleine, bijna onzichtbare leegte aan. Vermoedelijk gaat het om het restant van het aller-, allereerste proefschrift uit Delft. Het werd verdedigd op 6 juli 1906 door Nicolaas Louis Söhngen. Het gaat over het ontstaan en verdwijnen van waterstof en methaan.

Al die moeite, al die kennis, vervat in wat bodemafzettingen. En ontroerd pinkt de archeologe uit 2906 een 30e-eeuwse traan weg.

Illustratie: Paul Börchers)
Kennisimport

Dat wetenschap steeds internationaler wordt, is aan weinig dingen zo goed te zien als aan de promoties. Wie de agenda’s van de universiteiten bekijkt, wordt af en toe besprongen door de gedachte dat wetenschappelijke kennis een importproduct is geworden. Promovendi komen uit allerlei windstreken, zo lijkt het, behalve uit Nederland.

Maar zo erg is het nu ook weer niet. Zelfs aan de bij uitstek op exacte en internationale wetenschap gerichte TU Delft is nog ruim de helft van de promovendi afgestudeerd aan een Nederlandse universiteit. Dat hoeft natuurlijk niet te betekenen dat ze ook de Nederlandse nationaliteit hebben. Immers, ook gewone studenten komen hoe langer hoe vaker uit het buitenland.

In het vorige academische jaar (2004-2005) waren er 214 promoties in Delft. Van de promovendi waren 128 (60 procent) afgestudeerd in het Nederlandse hoger onderwijs . meestal, maar lang niet altijd de TU Delft zelf.

De grootste buitenlandse leverancier van promovendi is China. Van de 128 nieuwe doctores kwamen er 10 uit dat enorme land. Verrassend is de tweede plaats voor Italië, waar acht promovendi vandaan kwamen. Uit Bulgarije kwamen zes promovendi.

Duitsland, Portugal, Roemenië en voormalig Joegoslavië met de landen die daaruit voortkwamen leverden elk vijf promovendi. Vier kwamen er uit Iran en drie uit Indonesië, Polen en Rusland. België, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten vaardigden ieder twee promovendi af.

De landen met één Delftse promovendus in 2004-2005 zijn Argentinië, Canada, Colombia, Egypte, Griekenland, Hongarije, India, Israël, Oekraïne, Oostenrijk, Pakistan (een master in natuurkunde en ‘nuclear engineering’ van de Quaid-I-Azam universiteit, om het pikant te maken), Verenigd Koninkrijk, Vietnam en Zuid-Afrika.
Hora est

Tot 1986 heette de TU Delft nog Technische Hogeschool Delft. In dat jaar werden de hogescholen bevorderd tot universiteit en mochten instituten in het hoger beroepsonderwijs zich hogeschool noemen. Eigenlijk pas vanaf dat jaar stonden de TU’s op gelijkwaardig niveau met de klassieke, algemene universiteiten zoals die in Leiden en Utrecht. Het leidde ook tot een subtiele aanpassing in het ritueel rond de verdediging van het proefschrift. Tachtig jaar lang maakte de pedel, de ceremoniemeester bij promoties, een einde aan de beproeving van de promovendus door met zijn rinkelstaf binnen te treden en met krachtige stem te roepen: ‘Het uur is verstreken!’ Na 1986 werd deze uitroep in Delft dezelfde als aan klassieke universiteiten en roept de pedel in het Latijn: ‘Hora est!’
Structureel

Op 17 februari 1987 promoveerde Jilt Sietsma op ‘Structural investigations of some metallic glasses’. Zijn promotor was prof.dr.ir. S. Radelaar. Drie maanden later, op 19 mei 1987, promoveerde Erik Huizer op ‘Structural relaxation in some metallic glasses’. Zijn promotor was prof.dr.ir. A. van den Beukel. Twee promovendi, twee promotoren, en praktisch dezelfde titel . zouden ze dat van elkaar hebben geweten?
Geigerteller

In de Tweede Wereldoorlog kwam het wetenschapsbedrijf in Nederland vrijwel geheel stil te liggen. Toch waren er nog 24 Delftse promoties in de jaren 1941 tot 1943. Ze waren allemaal Nederlandstalig en behandelden gewone onderwerpen, van ‘Stereofonische geluidsweergave’ (Kornelis de Boer, 10 april 1941) tot de vorming van rietsuiker uit zetmeel (Bastiaan Jacob Dirk Meeuse, 23 juli 1943). Onwillekeurig vraagt men zich wel af waarom de latere hoogleraar (in Twente) Arjen Nawijn op 24 mei 1943 uitgerekend op een Geiger-Múllerteller moest promoveren.

img:repo.jpg

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.