Education

‘Een nachtmerrie die je wilt vergeten, maar nooit vergeet’

Voor het heruitgegeven gedenkboek ‘Op Herhaling’, dat donderdag 4 mei verschijnt, ging publicist Roderick Hageman samen met studenten Annette Heijn, Arjan van der Palen en Renske van Slooten in Delft op zoek naar de sporen van het studentenverzet in de oorlog.

Van het hoofdgebouw lopen we naar Julianalaan 136, het gebouw van scheikundige technologie. Het verhaal gaat dat beide gebouwen verbonden zijn door een geheime tunnel. Het verzet zou via de buizen de Duitsers te grazen hebben genomen. Beheerder Herman Brons zal ons er naartoe brengen.

“Stel je er niet te veel van voor”, waarschuwt Brons. “Het is maar een klein gangetje. Maar misschien ligt er nog een ouwe Duitser.” We zijn benieuwd waar we uitkomen. Door een oude practicumzaal, langs roestige apparaten en kleine glazen potjes in een robuuste oven, komen we via een gangetje aan de achterkant van het gebouw naar buiten. We steken een parkeerplaats over en gaan een deur door, een trap af, de kelder in. In de hoek van een stoffige voorraadkamer is een halfhoog betonnen muurtje.

Hermans Brons vertelt. “Zie je daar die leidingen achter dat muurtje verdwijnen? Dat zijn de verwarmingsbuizen die onder de Mekelweg doorlopen. Vroeger kon je daardoor naar het hoofdgebouw lopen. Wie heeft het meeste lef?”

Renske daalt als eerste af. Als alleen haar hoofd nog zichtbaar is, zegt ze: “Het is fris hier. Gaat het verderop nog horizontaal?” Ze verdwijnt achter het muurtje. Na een korte stilte klinkt Renske’s stem vanuit de diepte: “Komen jullie nog? De tunnel houdt hier op, hij is dichtgemetseld.”

Arjan daalt af, en Annette volgt. Ook zij vinden geen doorgang, natuurlijk. Toch jammer. Het verhaal van de tunnel heeft altijd de ronde gedaan, vertelt Herman Brons. “Aan de overkant zat een hoofdkwartier van de Duitsers. Hier zaten verzetslieden, en misschien ook onderduikers. Ze zullen via die tunnel wel de voorraden van de Duitsers geplunderd hebben. Zeggen ze, zelf was ik er niet bij.” Eén van zijn voorgangers, oud-beheerder Van Schaik, was er misschien bij. “Maar hij zit in het bejaardentehuis, die man is 88.”

In het boek ‘Achter de schermen van de Technische Hogeschool Delft’ uit 1988 staat een interview met oud-beheerder Gerardus van Schaik. Daarin vertelt de voormalige bediende op de petroleumzaal dat een derdejaars student eens in de week twee liter glycerine en twee liter sterk salpeterzuur kwam halen. Hij maakte nitroglycerine en dan kon hij dynamiet maken. Daarmee werden voorraden van de Duitsers opgeblazen.
Geheimen

Even later staan we weer met beide benen bovengronds. We gaan naar mijnbouw, tegenwoordig voluit technische aardwetenschappen, om een glas-in-loodraam te bekijken. Op mijnbouw waren actieve verzetsgroepen, vooral dankzij professor Mekel, een naam die iedere Delftse student kent vanwege de straat die naar hem is vernoemd.

Het glas-in-lood bevindt zich halverwege de trap naar boven. Er staan de namen op van alle mijnbouwers die de oorlog niet overleefden. We checken in het Gedenkboek of we alle namen hebben. En of dit nou allemaal mensen uit de verzetsgroep van Mekel zijn. Er staan vraagtekens bij sommigen van de Mekelgroep, zo wordt geconstateerd. Het is niet zeker of ze tot de groep behoorden. Er was natuurlijk veel geheim en sommige geheimen zullen altijd geheim blijven.

Sommige verhalen zullen altijd weer verteld worden, hopelijk. Over de Mekelgroep gaat het verhaal dat ze een aktetas met invasieplannen van de Duitsers uit een cabrio gejat hebben. De aktetas is via via naar de inlichtingendienst in Den Haag gesmokkeld. Zadelhoff, de laatste naam op het glas-in-lood, zat ook in de groep. De Mekelgroep werd in juli 1941 verraden door de negentienjarige Hugo de Man, portier van De Bolk, die voor diefstal was gearresteerd en doorsloeg tegen de Duitsers. De groep werd opgerold, De Man werd vervolgens geliquideerd door de studenten Jan van Blerkom en Charley Hugenholtz van de verzetsgroep Schoemaker. Als reactie is er een klopjacht op studenten. Een van de vele arrestanten is Frans van Hasselt. Van Blerkom en Hugenholtz ontkomen: Hugenholtz duikt onder en Van Blerkom neemt de schuilnaam Jan Verhagen aan en blijft gewoon in Delft.
Strop

Bij studentenroeivereniging Laga gaan we op zoek naar nog een verhaal over Jan van Blerkom. De verzetsheld was een talentvol roeier. Ook in de oorlog bleef hij wedstrijden roeien. Hij zou geroeid hebben onder het pseudoniem W. Wouters en wist zo onopgemerkt te blijven. Het verhaal gaat dat een journalist van de Delftsche Courant Van Blerkom herkende bij een wedstrijd en . per ongeluk of niet? . zijn echte naam bij de uitslag vermeldde in de krant. Bovendien wordt verteld dat de Duitsers erachter kwamen en jacht op Van Blerkom maakten. Het mooiste verhaal is dat Van Blerkom meedeed aan een wedstrijd, won, en na de finish doorroeide om aan zijn achtervolgers te ontsnappen.

De geschiedenis van Jan van Blerkom eindigt in een boot: hij deed op 14 november 1941 samen met Dik (ook bekend als Dirk) van Swaay een vluchtpoging naar Engeland met een zogenaamde vouwkano. Van Swaay werd een half jaar later op het strand van Noordwijk gevonden met een strop om zijn nek. Van Blerkom is nooit gevonden.

In 1995 is er een nieuwe Lagaboot naar Jan van Blerkom vernoemd. De boot werd gedoopt door zijn coach, die toen minstens 75 jaar oud moet zijn geweest. We dalen af naar het botenhuis om de tweepersoonsboot te zien. Als een boot een wedstrijd wint . ‘een blik trekt’ in studentenjargon . krijgt hij een turf op de boeg. Sommige boten hebben acht turfjes. De Jan van Blerkom niet één. Maar Jan zelf heeft in zijn roeicarrière dertien blikken getrokken, een topprestatie in die tijd. En zijn verhaal leeft.
Rijstpapier

We bezoeken het Delftsch Studenten Corps. In de bibliotheek zijn voor de gelegenheid enkele almanakken uitgestald. Ook ligt er een ‘Spiegel’ . officieel orgaan van het DSC . van net na de oorlog, met daarin de namen van alle gesneuvelde corpsleden en een beschrijving van wat er met hen is gebeurd. Diezelfde lijst van gesneuvelden staat op een glazen gedenkplaat aan de muur van de bibliotheek.

Pronkstuk van het corpsarchief is een handgeschreven almanak voor het jaar 1945 uit het Japanse krijgsgevangenenkamp Depot-bataljon Bandoeng. Ver weg, in een kamp in Indië, werden de herinneringen aan het DSC levend gehouden door te doen alsof het verenigingsleven gewoon was doorgegaan. Met een potloodje werd aan de andere kant van de wereld een Delfts jaarboek geschreven en getekend op rijstpapier. Alsof er geen oorlog was. De almanak staat vol verzonnen gebeurtenissen, waarin af en toe de grimmigheid van de situatie doorschemert. Een gedicht waaruit hoop op betere tijden spreekt, een duistere tekening of een toespeling op de fysieke ontberingen in het kamp.

Floris Wyers komt de bibliotheek binnen. Hij is één van de vier in Delft studerende kleinkinderen van H.C. Blauwkuip, die vijf minuten later arriveert. Blauwkuip is in 1942 in Delft gekomen. Als hij aan zijn kleinzoon over studeren in de oorlog vertelt, tussen oude almanakken in die ouderwetse zaal, komt de oude tijd tot leven.

Hoewel de studentenverenigingen opgeheven waren, en de sociëteiten gesloten, ging het verenigingsleven op aangepaste wijze door. Blauwkuip schetst het toenmalige studentenleven. “Omdat er geen sociëteit was, ging je naar vrienden en als er tijd over was, ging je naar college.” Op de Technische Hogeschool werd in de bezettingjaren niet gesproken over groentijd of studentenverenigingen. Er werd over veel zaken gezwegen, vertelt Blauwkuip. “Simon van Groningen, een clubgenoot van mij, woonde op de Binnenwatersloot. Op een keer zag ik bij hem op de kamer een pijp. ‘Jij rookt toch geen pijp’, zei ik. ‘Nee, die is van Eddy’, zei hij. Eddy was zijn broer, dat wist ik, en dat zijn pijp er lag, betekende dat er mogelijk iets met hem was gebeurd. Maar wat? Dat heb ik nooit gehoord.” Daar werd verder ook niet naar gevraagd, dat deed je niet.

In februari 1943 moest de loyaliteitsverklaring getekend, “maar daar trokken we ons geen bal van aan”, aldus Blauwkuip. “Toen enkele weken later die razzia kwam, sloeg de schrik wel aan. Het was inpakken en boeken mee, om thuis bij mijn ouders verder te studeren. Ik heb niet getekend, nee, ik denk dat hooguit vijf procent van het corps de verklaring tekende. Na de oorlog vond er nog een zuiveringsonderzoek plaats. Als je verwijtbaar vuile handen had dan kon je geen corpslid meer worden.”

Om te voorkomen dat je voor tewerkstelling naar Duitsland gestuurd zou worden, moest je onmisbaar zijn in Nederland. Blauwkuip had via een directeur van het Werkspoor een Ausweis, een vrijstelling, gekregen. Hij werd aan het werk gezet in het tekenarchief, om elke tekening waar een vlek kalk opzat over te trekken. “Doe het niet te snel”, kreeg hij als advies mee van de chef, “want ik weet niet wat ik je daarna kan laten doen.” Na vijf maanden moest Blauwkuip toch weg, omdat NSB’ers ontdekt hadden dat er studenten werkten bij het Werkspoor en dat was niet de bedoeling. Blauwkuip is toen via een buurman nog bij een klein aannemingsbedrijf komen werken om niet naar Duitsland te hoeven.

‘Student zijn is meer dan studeeren’, zo hebben we gelezen in documenten uit het gemeentearchief. Blauwkuip hoeft niet te zeggen dat hij het ermee eens is, zijn verhalen illustreren dat er vanaf het begin van zijn studententijd nauwelijks gestudeerd kon worden.
Kamer delen

De studentenhuisvesting was na de oorlog een probleem. Iedereen wilde terugkeren naar zijn oude hospita, er kwam een nieuwe lichting bij, en dat moest allemaal tegelijk onderdak vinden. De oplossing: iedereen die een kamer had moest hem delen met iemand anders.

Er was één algemene drijfveer, weet Blauwkuip. “We moeten vooruit, opbouwen. We zijn vijf jaar afgesloten geweest van de wereld, we hebben tijd verloren en de techniek heeft stilgestaan. Er was een enorme honger naar wat we met z’n allen gemist hadden. We moesten inhalen en we wilden niet terug naar het oude, we wilden alleen vooruit.”

Zoals zijn clubgenoot Simon van Groningen nooit wilde praten over wat er met zijn broer Eddy was gebeurd, ook niet na de oorlog. “Je was beste vrienden, je stond dicht bij elkaar. Maar het was een nachtmerrie die je wilt vergeten, die je nooit vergeet.”

In de wijnkelder van sociëteit Phoenix zaten studenten uit het verzet terwijl de Duitsers daarboven zaten, gaat het verhaal. Het lijkt Blauwkuip vrij overmoedig. Als we naar de kelders lopen, vragen we ons af hoe je úberhaupt onopgemerkt beneden zou kunnen zitten.

Niels Noordzij, bestuurslid van de sociëteit, is in de kelder toevallig net bezig met een inventarisatie van de oude wijnvoorraad. Hij vertelt dat de ingang van de kelder aan de zijkant zat en dat de Duitsers daarom niet doorhadden dat studenten hier nog zaten. “Toen dat toch ontdekt werd, hebben de studenten zoveel mogelijk van de wijnvoorraad opgedronken. De rest van de flessen werd tegen de muur gestreept”, vertelt Noordzij. “Op één fles na, die is aan een touwtje in de gracht gehangen met een briefje eraan.” En die ene fles is wonder boven wonder gespaard gebleven en later teruggebracht naar de kelder waar hij vandaan kwam. Uit zijn hoofd citeert Noordzij de tekst die op het etiket staat. “Dat ik voor u lig is bof. In den oorlog ontkwam ik aan den mof. Dook in Arnhem ruim twee jaar onder. Dook weer op twee jaar later, wijzer en gezonder. Uw lof zal zijn het hoogste loon. Voor mij en mijn firma Reuchlin en Zoon.”

De fles ziet er oud uit, zoveel is zeker. Of het verhaal van de wijnkelder waar is . het wordt aan iedereen verteld die door de zalen van sociëteit Phoenix rondgeleid wordt . doet er niet zoveel toe. Misschien is de reden dat het verhaal doorverteld wordt, dat je zou willen dat het waar was. Dat die Duitsers zo stom waren, dat willen we horen, en dat ze geen druppel van onze wijn hebben gedronken, en dat wij die wijn nog steeds hebben.

Na de rondleiding biedt Blauwkuip een rondje aan. Zoals gebruikelijk is op het corps wensen we elkaar een goede morgen als we het glas heffen. Dat morgen een goede morgen is; vrij vertaald: we moeten vooruitkijken, net als toen.

‘Op herhaling’ bestaat uit een integrale heruitgave van het gedenkboek uit 1947, aangevuld met nieuwe teksten van o.a. H.J.A. Hofland, Anna Woltz en rector magnificus prof.dr.ir. J.T. Fokkema. ‘Op herhaling’ is vanaf 4 mei te koop voor € 10,- in de TU-shop in de aula, bij studentenvakbond VSSD en bij Studium Generale.

www.tudelft.nl/gedenkboek

Delta geeft een voorpublicatie. Over geheime tunnels onder de campus, ondergedoken flessen wijn en de student die door heel hard roeien aan de Duitsers ontkwam.


Van het hoofdgebouw lopen we naar Julianalaan 136, het gebouw van scheikundige technologie. Het verhaal gaat dat beide gebouwen verbonden zijn door een geheime tunnel. Het verzet zou via de buizen de Duitsers te grazen hebben genomen. Beheerder Herman Brons zal ons er naartoe brengen.



“Stel je er niet te veel van voor”, waarschuwt Brons. “Het is maar een klein gangetje. Maar misschien ligt er nog een ouwe Duitser.” We zijn benieuwd waar we uitkomen. Door een oude practicumzaal, langs roestige apparaten en kleine glazen potjes in een robuuste oven, komen we via een gangetje aan de achterkant van het gebouw naar buiten. We steken een parkeerplaats over en gaan een deur door, een trap af, de kelder in. In de hoek van een stoffige voorraadkamer is een halfhoog betonnen muurtje.



Hermans Brons vertelt. “Zie je daar die leidingen achter dat muurtje verdwijnen? Dat zijn de verwarmingsbuizen die onder de Mekelweg doorlopen. Vroeger kon je daardoor naar het hoofdgebouw lopen. Wie heeft het meeste lef?”



Renske daalt als eerste af. Als alleen haar hoofd nog zichtbaar is, zegt ze: “Het is fris hier. Gaat het verderop nog horizontaal?” Ze verdwijnt achter het muurtje. Na een korte stilte klinkt Renske’s stem vanuit de diepte: “Komen jullie nog? De tunnel houdt hier op, hij is dichtgemetseld.”



Arjan daalt af, en Annette volgt. Ook zij vinden geen doorgang, natuurlijk. Toch jammer. Het verhaal van de tunnel heeft altijd de ronde gedaan, vertelt Herman Brons. “Aan de overkant zat een hoofdkwartier van de Duitsers. Hier zaten verzetslieden, en misschien ook onderduikers. Ze zullen via die tunnel wel de voorraden van de Duitsers geplunderd hebben. Zeggen ze, zelf was ik er niet bij.” Eén van zijn voorgangers, oud-beheerder Van Schaik, was er misschien bij. “Maar hij zit in het bejaardentehuis, die man is 88.”



In het boek ‘Achter de schermen van de Technische Hogeschool Delft’ uit 1988 staat een interview met oud-beheerder Gerardus van Schaik. Daarin vertelt de voormalige bediende op de petroleumzaal dat een derdejaars student eens in de week twee liter glycerine en twee liter sterk salpeterzuur kwam halen. Hij maakte nitroglycerine en dan kon hij dynamiet maken. Daarmee werden voorraden van de Duitsers opgeblazen.

Geheimen



Even later staan we weer met beide benen bovengronds. We gaan naar mijnbouw, tegenwoordig voluit technische aardwetenschappen, om een glas-in-loodraam te bekijken. Op mijnbouw waren actieve verzetsgroepen, vooral dankzij professor Mekel, een naam die iedere Delftse student kent vanwege de straat die naar hem is vernoemd.



Het glas-in-lood bevindt zich halverwege de trap naar boven. Er staan de namen op van alle mijnbouwers die de oorlog niet overleefden. We checken in het Gedenkboek of we alle namen hebben. En of dit nou allemaal mensen uit de verzetsgroep van Mekel zijn. Er staan vraagtekens bij sommigen van de Mekelgroep, zo wordt geconstateerd. Het is niet zeker of ze tot de groep behoorden. Er was natuurlijk veel geheim en sommige geheimen zullen altijd geheim blijven.



Sommige verhalen zullen altijd weer verteld worden, hopelijk. Over de Mekelgroep gaat het verhaal dat ze een aktetas met invasieplannen van de Duitsers uit een cabrio gejat hebben. De aktetas is via via naar de inlichtingendienst in Den Haag gesmokkeld. Zadelhoff, de laatste naam op het glas-in-lood, zat ook in de groep. De Mekelgroep werd in juli 1941 verraden door de negentienjarige Hugo de Man, portier van De Bolk, die voor diefstal was gearresteerd en doorsloeg tegen de Duitsers. De groep werd opgerold, De Man werd vervolgens geliquideerd door de studenten Jan van Blerkom en Charley Hugenholtz van de verzetsgroep Schoemaker. Als reactie is er een klopjacht op studenten. Een van de vele arrestanten is Frans van Hasselt. Van Blerkom en Hugenholtz ontkomen: Hugenholtz duikt onder en Van Blerkom neemt de schuilnaam Jan Verhagen aan en blijft gewoon in Delft.

Strop



Bij studentenroeivereniging Laga gaan we op zoek naar nog een verhaal over Jan van Blerkom. De verzetsheld was een talentvol roeier. Ook in de oorlog bleef hij wedstrijden roeien. Hij zou geroeid hebben onder het pseudoniem W. Wouters en wist zo onopgemerkt te blijven. Het verhaal gaat dat een journalist van de Delftsche Courant Van Blerkom herkende bij een wedstrijd en . per ongeluk of niet? . zijn echte naam bij de uitslag vermeldde in de krant. Bovendien wordt verteld dat de Duitsers erachter kwamen en jacht op Van Blerkom maakten. Het mooiste verhaal is dat Van Blerkom meedeed aan een wedstrijd, won, en na de finish doorroeide om aan zijn achtervolgers te ontsnappen.



De geschiedenis van Jan van Blerkom eindigt in een boot: hij deed op 14 november 1941 samen met Dik (ook bekend als Dirk) van Swaay een vluchtpoging naar Engeland met een zogenaamde vouwkano. Van Swaay werd een half jaar later op het strand van Noordwijk gevonden met een strop om zijn nek. Van Blerkom is nooit gevonden.



In 1995 is er een nieuwe Lagaboot naar Jan van Blerkom vernoemd. De boot werd gedoopt door zijn coach, die toen minstens 75 jaar oud moet zijn geweest. We dalen af naar het botenhuis om de tweepersoonsboot te zien. Als een boot een wedstrijd wint . ‘een blik trekt’ in studentenjargon . krijgt hij een turf op de boeg. Sommige boten hebben acht turfjes. De Jan van Blerkom niet één. Maar Jan zelf heeft in zijn roeicarrière dertien blikken getrokken, een topprestatie in die tijd. En zijn verhaal leeft.

Rijstpapier



We bezoeken het Delftsch Studenten Corps. In de bibliotheek zijn voor de gelegenheid enkele almanakken uitgestald. Ook ligt er een ‘Spiegel’ . officieel orgaan van het DSC . van net na de oorlog, met daarin de namen van alle gesneuvelde corpsleden en een beschrijving van wat er met hen is gebeurd. Diezelfde lijst van gesneuvelden staat op een glazen gedenkplaat aan de muur van de bibliotheek.



Pronkstuk van het corpsarchief is een handgeschreven almanak voor het jaar 1945 uit het Japanse krijgsgevangenenkamp Depot-bataljon Bandoeng. Ver weg, in een kamp in Indië, werden de herinneringen aan het DSC levend gehouden door te doen alsof het verenigingsleven gewoon was doorgegaan. Met een potloodje werd aan de andere kant van de wereld een Delfts jaarboek geschreven en getekend op rijstpapier. Alsof er geen oorlog was. De almanak staat vol verzonnen gebeurtenissen, waarin af en toe de grimmigheid van de situatie doorschemert. Een gedicht waaruit hoop op betere tijden spreekt, een duistere tekening of een toespeling op de fysieke ontberingen in het kamp.



Floris Wyers komt de bibliotheek binnen. Hij is één van de vier in Delft studerende kleinkinderen van H.C. Blauwkuip, die vijf minuten later arriveert. Blauwkuip is in 1942 in Delft gekomen. Als hij aan zijn kleinzoon over studeren in de oorlog vertelt, tussen oude almanakken in die ouderwetse zaal, komt de oude tijd tot leven.



Hoewel de studentenverenigingen opgeheven waren, en de sociëteiten gesloten, ging het verenigingsleven op aangepaste wijze door. Blauwkuip schetst het toenmalige studentenleven. “Omdat er geen sociëteit was, ging je naar vrienden en als er tijd over was, ging je naar college.” Op de Technische Hogeschool werd in de bezettingjaren niet gesproken over groentijd of studentenverenigingen. Er werd over veel zaken gezwegen, vertelt Blauwkuip. “Simon van Groningen, een clubgenoot van mij, woonde op de Binnenwatersloot. Op een keer zag ik bij hem op de kamer een pijp. ‘Jij rookt toch geen pijp’, zei ik. ‘Nee, die is van Eddy’, zei hij. Eddy was zijn broer, dat wist ik, en dat zijn pijp er lag, betekende dat er mogelijk iets met hem was gebeurd. Maar wat? Dat heb ik nooit gehoord.” Daar werd verder ook niet naar gevraagd, dat deed je niet.



In februari 1943 moest de loyaliteitsverklaring getekend, “maar daar trokken we ons geen bal van aan”, aldus Blauwkuip. “Toen enkele weken later die razzia kwam, sloeg de schrik wel aan. Het was inpakken en boeken mee, om thuis bij mijn ouders verder te studeren. Ik heb niet getekend, nee, ik denk dat hooguit vijf procent van het corps de verklaring tekende. Na de oorlog vond er nog een zuiveringsonderzoek plaats. Als je verwijtbaar vuile handen had dan kon je geen corpslid meer worden.”



Om te voorkomen dat je voor tewerkstelling naar Duitsland gestuurd zou worden, moest je onmisbaar zijn in Nederland. Blauwkuip had via een directeur van het Werkspoor een Ausweis, een vrijstelling, gekregen. Hij werd aan het werk gezet in het tekenarchief, om elke tekening waar een vlek kalk opzat over te trekken. “Doe het niet te snel”, kreeg hij als advies mee van de chef, “want ik weet niet wat ik je daarna kan laten doen.” Na vijf maanden moest Blauwkuip toch weg, omdat NSB’ers ontdekt hadden dat er studenten werkten bij het Werkspoor en dat was niet de bedoeling. Blauwkuip is toen via een buurman nog bij een klein aannemingsbedrijf komen werken om niet naar Duitsland te hoeven.



‘Student zijn is meer dan studeeren’, zo hebben we gelezen in documenten uit het gemeentearchief. Blauwkuip hoeft niet te zeggen dat hij het ermee eens is, zijn verhalen illustreren dat er vanaf het begin van zijn studententijd nauwelijks gestudeerd kon worden.

Kamer delen



De studentenhuisvesting was na de oorlog een probleem. Iedereen wilde terugkeren naar zijn oude hospita, er kwam een nieuwe lichting bij, en dat moest allemaal tegelijk onderdak vinden. De oplossing: iedereen die een kamer had moest hem delen met iemand anders.



Er was één algemene drijfveer, weet Blauwkuip. “We moeten vooruit, opbouwen. We zijn vijf jaar afgesloten geweest van de wereld, we hebben tijd verloren en de techniek heeft stilgestaan. Er was een enorme honger naar wat we met z’n allen gemist hadden. We moesten inhalen en we wilden niet terug naar het oude, we wilden alleen vooruit.”



Zoals zijn clubgenoot Simon van Groningen nooit wilde praten over wat er met zijn broer Eddy was gebeurd, ook niet na de oorlog. “Je was beste vrienden, je stond dicht bij elkaar. Maar het was een nachtmerrie die je wilt vergeten, die je nooit vergeet.”



In de wijnkelder van sociëteit Phoenix zaten studenten uit het verzet terwijl de Duitsers daarboven zaten, gaat het verhaal. Het lijkt Blauwkuip vrij overmoedig. Als we naar de kelders lopen, vragen we ons af hoe je úberhaupt onopgemerkt beneden zou kunnen zitten.



Niels Noordzij, bestuurslid van de sociëteit, is in de kelder toevallig net bezig met een inventarisatie van de oude wijnvoorraad. Hij vertelt dat de ingang van de kelder aan de zijkant zat en dat de Duitsers daarom niet doorhadden dat studenten hier nog zaten. “Toen dat toch ontdekt werd, hebben de studenten zoveel mogelijk van de wijnvoorraad opgedronken. De rest van de flessen werd tegen de muur gestreept”, vertelt Noordzij. “Op één fles na, die is aan een touwtje in de gracht gehangen met een briefje eraan.” En die ene fles is wonder boven wonder gespaard gebleven en later teruggebracht naar de kelder waar hij vandaan kwam. Uit zijn hoofd citeert Noordzij de tekst die op het etiket staat. “Dat ik voor u lig is bof. In den oorlog ontkwam ik aan den mof. Dook in Arnhem ruim twee jaar onder. Dook weer op twee jaar later, wijzer en gezonder. Uw lof zal zijn het hoogste loon. Voor mij en mijn firma Reuchlin en Zoon.”



De fles ziet er oud uit, zoveel is zeker. Of het verhaal van de wijnkelder waar is . het wordt aan iedereen verteld die door de zalen van sociëteit Phoenix rondgeleid wordt . doet er niet zoveel toe. Misschien is de reden dat het verhaal doorverteld wordt, dat je zou willen dat het waar was. Dat die Duitsers zo stom waren, dat willen we horen, en dat ze geen druppel van onze wijn hebben gedronken, en dat wij die wijn nog steeds hebben.



Na de rondleiding biedt Blauwkuip een rondje aan. Zoals gebruikelijk is op het corps wensen we elkaar een goede morgen als we het glas heffen. Dat morgen een goede morgen is; vrij vertaald: we moeten vooruitkijken, net als toen.



‘Op herhaling’ bestaat uit een integrale heruitgave van het gedenkboek uit 1947, aangevuld met nieuwe teksten van o.a. H.J.A. Hofland, Anna Woltz en rector magnificus prof.dr.ir. J.T. Fokkema. ‘Op herhaling’ is vanaf 4 mei te koop voor € 10,- in de TU-shop in de aula, bij studentenvakbond VSSD en bij Studium Generale.



www.tudelft.nl/gedenkboek

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.