Het aantal vrouwelijke hoogleraren aan de TU moet drastisch omhoog. Een netwerk van vrouwelijke wetenschappers wil uitkomst bieden.
Slechts 3,5 procent van de hoogleraren in Delft is vrouw, blijkt uit de jaarlijkse monitor van het Maastrichtse centrum voor gender en diversiteit. Dit komt neer op acht voltijdbanen. Alleen de Universiteit van Maastricht en de TU Eindhoven scoren slechter, met respectievelijk 3,25 en 2,4 procent.
Om het tij te keren wil Meike Buteijn van P&O een netwerk van vrouwelijke wetenschappers oprichten. Binnen enkele weken dient ze een plan in bij het college van bestuur. Buteijn: “Doordat er aan vrijwel alle universiteiten een tekort aan vrouwen in wetenschappelijke posities is, wordt er flink aan ze getrokken. Het is daarom niet alleen van belang te kijken hoe we nieuwe vrouwen kunnen aantrekken, maar ook hoe we ervoor zorgen dat vrouwen die nu aan de TU Delft werken hier goed vertoeven en hun werk goed kunnen verrichten. Ze moeten zich realiseren dat ze niet alleen zijn in dit mannenbolwerk en dat ze veel aan elkaar kunnen hebben. Een netwerk kan hier een belangrijke bijdrage aan leveren.”
Volgens de zogenaamde Lissabon-doelstellingen moeten universiteiten in 2010 25 procent vrouwelijke professoren in dienst hebben. Dit lijkt weinig reëel, gezien de huidige cijfers. Overigens ligt het percentage vrouwelijke hoogleraren in Delft volgens Buteijn sinds kort wat hoger. In fte zou het niet gaan om acht voltijdbanen, maar 9,6 – oftewel: veertien vrouwen van wie een aantal deeltijd werkt. Het neemt niet weg dat er nog een lange weg te gaan is.
“Een heel sympathiek idee, zo’n netwerk”, vindt prof.mr.dr. Helen Stout (TBM), pas benoemd tot hoogleraar. Volgens haar komt het lage percentage vrouwen aan de top met name door het feit dat vrouwen vooral op de inhoud van hun werk gericht zijn. “Zij hebben meer oog voor de collectieve uitkomst van het product waaraan zij werken en denken minder aan individuele carrièrestrategieën”, aldus Stout. “Het is goed dat vrouwen zich realiseren dat ze de obstakels die zij ervaren in hun carrière niet per se aan zichzelf te wijten hebben, maar dat deze kunnen voortvloeien uit impliciete en vaak zelfs verborgen mechanismen die structureel verankerd zijn in dominante opvattingen en verwachtingen. Eigenlijk zouden er meer vrouwelijke waarden binnen de universitaire cultuur moeten worden geïntroduceerd. Maar waar je wel erg voor moet oppassen is dat zo’n netwerk niet verzandt in een vrijblijvend praatclubje.”
Het centrum voor gender en diversiteit verspreidt binnenkort twee posters op de universiteiten om de onevenwichtige situatie onder de aandacht te brengen. Op de ene staat het huidige percentage vrouwelijke hoogleraren met daarnaast het aantal dat er volgens Europese afspraken bij zou moeten komen. De andere poster toont het percentage vrouwen onder universiteitsbestuurders, decanen en onderzoeksdirecteuren. De blauwe mannetjes domineren het beeld. In Delft zijn ze alleen maar blauw. Stout: “Delfts blauw, zullen we maar zeggen.”
Slechts 3,5 procent van de hoogleraren in Delft is vrouw, blijkt uit de jaarlijkse monitor van het Maastrichtse centrum voor gender en diversiteit. Dit komt neer op acht voltijdbanen. Alleen de Universiteit van Maastricht en de TU Eindhoven scoren slechter, met respectievelijk 3,25 en 2,4 procent.
Om het tij te keren wil Meike Buteijn van P&O een netwerk van vrouwelijke wetenschappers oprichten. Binnen enkele weken dient ze een plan in bij het college van bestuur. Buteijn: “Doordat er aan vrijwel alle universiteiten een tekort aan vrouwen in wetenschappelijke posities is, wordt er flink aan ze getrokken. Het is daarom niet alleen van belang te kijken hoe we nieuwe vrouwen kunnen aantrekken, maar ook hoe we ervoor zorgen dat vrouwen die nu aan de TU Delft werken hier goed vertoeven en hun werk goed kunnen verrichten. Ze moeten zich realiseren dat ze niet alleen zijn in dit mannenbolwerk en dat ze veel aan elkaar kunnen hebben. Een netwerk kan hier een belangrijke bijdrage aan leveren.”
Volgens de zogenaamde Lissabon-doelstellingen moeten universiteiten in 2010 25 procent vrouwelijke professoren in dienst hebben. Dit lijkt weinig reëel, gezien de huidige cijfers. Overigens ligt het percentage vrouwelijke hoogleraren in Delft volgens Buteijn sinds kort wat hoger. In fte zou het niet gaan om acht voltijdbanen, maar 9,6 – oftewel: veertien vrouwen van wie een aantal deeltijd werkt. Het neemt niet weg dat er nog een lange weg te gaan is.
“Een heel sympathiek idee, zo’n netwerk”, vindt prof.mr.dr. Helen Stout (TBM), pas benoemd tot hoogleraar. Volgens haar komt het lage percentage vrouwen aan de top met name door het feit dat vrouwen vooral op de inhoud van hun werk gericht zijn. “Zij hebben meer oog voor de collectieve uitkomst van het product waaraan zij werken en denken minder aan individuele carrièrestrategieën”, aldus Stout. “Het is goed dat vrouwen zich realiseren dat ze de obstakels die zij ervaren in hun carrière niet per se aan zichzelf te wijten hebben, maar dat deze kunnen voortvloeien uit impliciete en vaak zelfs verborgen mechanismen die structureel verankerd zijn in dominante opvattingen en verwachtingen. Eigenlijk zouden er meer vrouwelijke waarden binnen de universitaire cultuur moeten worden geïntroduceerd. Maar waar je wel erg voor moet oppassen is dat zo’n netwerk niet verzandt in een vrijblijvend praatclubje.”
Het centrum voor gender en diversiteit verspreidt binnenkort twee posters op de universiteiten om de onevenwichtige situatie onder de aandacht te brengen. Op de ene staat het huidige percentage vrouwelijke hoogleraren met daarnaast het aantal dat er volgens Europese afspraken bij zou moeten komen. De andere poster toont het percentage vrouwen onder universiteitsbestuurders, decanen en onderzoeksdirecteuren. De blauwe mannetjes domineren het beeld. In Delft zijn ze alleen maar blauw. Stout: “Delfts blauw, zullen we maar zeggen.”
Comments are closed.