Het kabinet wil voor miljarden euro’s extra asfalt aanleggen. Met Zoab, ecoducten en groenvriendelijke aanvullingen vallen de vervuiling en ecologische schade van deze voornemens te beperken.
De groene actiegroepen zien doemscenario’s voor zich nu de asfaltplannen van het kabinet concrete vormen aannemen. Meer platgereden vogels, een laatste snipper natuurgebied die voor dieren ondoordringbaar in tweeën wordt gesneden door een stevige achtbaansweg. Terwijl er al ruim 125 duizend kilometer wegdek lag.
Deze horrorfilm voor de ecologisch begane medemens hoeft geen werkelijkheid te worden. De afgelopen twintig jaar zijn voldoende civieltechnische snufjes ontwikkeld om natuurschade door wegenbouw te beperken. Volgens optimisten bij de dienst Weg- en Waterbouwkunde van Rijkswaterstaat zou de natuur zelfs beter worden van wegenaanleg.
De voorkant van het proefschrift van – nu dr. – Hein van Bohemen toont alvast een kleurig plaatje van hoe de ecologisch verantwoorde weg van de toekomst er uit moet zien: groene wallen en overhangende bomen aan de wegkant om vogels en vleermuizen over het verkeer heen te dirigeren. Hop-overs, heten ze. Tunnels onder de weg door voor dassen en kleiner zoogdiergrut. En een viaduct over een beek met loopplanken aan de waterkant, zodat de dieren uit het bos gewoon langs het water kunnen doormigreren. Zelfs de tankstations op zijn kleurplaat hebben een groenbegroeid dak van gras. “Net als op het dak van de TU-bieb”, zegt Van Bohemen. “Dat scheelt 60 tot 85 procent in de hoeveelheid regenwater die je naar het riool moet afvoeren. De plantengroei neemt een deel op en de rest verdampt.”
Van Bohemen is de tweede in de reeks van tien promovendi die bij prof. Charles Hendriks promoveren op het thema ‘De ecologische stad’. De inmiddels bij Rijkswaterstaat werkzame ecologisch ingenieur verzamelde voor zijn promotie bijna alle gegevens die sinds ongeveer 1980 in Nederland beschikbaar zijn rond het thema wegenbouw, kustbouw en milieueffecten.
Het resultaat van dit werk is een lijvige pil met daarin een zo breed mogelijke lijst van ecologische aanbevelingen. Zoals een pleidooi voor een degelijk dubbellaags Zoab-asfalt. Dit open asfalt slurpt tachtig procent meer vervuiling van auto’s in het wegdek op en brengt het lawaai met acht decibel terug.
Sommige ingrepen verzachten niet alleen de aangebrachte landschapsschade, maar verbeteren een achtergelaten rommeltje. “Een goed voorbeeld hiervan is de A27 bij Breda”, zegt Van Bohemen. “Hier werd de aanleg van geluidswallen aangegrepen om tegelijk de nabijliggende beek schoon te maken met een helofytenfilter (plantaardige zeef). Op en rond de wal groeien nu zeldzame plantensoorten en het beekwater stroomt nu schoner Breda binnen.”
Toch ligt de nadruk bij Rijkswaterstaat op het zogenaamde mitigeren, verzachten. Een actueel voorbeeld is de omstreden aanleg van de A73 langs de oostelijke Maasoever. De weg doorklieft natuurgebieden en schiet rakelings langs landgoederen. Zestig faunatunnels, een ecoduct en nog twee wildbruggen worden hier daarom als ecopleisters op het veertig kilometer lange traject geplakt. Het ecologische plakwerk heeft ook zijn prijskaartje; het traject valt honderden miljoenen euro’s duurder uit dan in 1995 voorzien.
“De aanleg van zo’n weg is een politieke beslissing”, zegt Van Bohemen. “Die weg proberen we dan zo goed mogelijk in te passen in het landschap. Het kan altijd beter natuurlijk, maar in het geval van de A73 is dat redelijk gelukt. Bij landgoed Waterloo in de buurt van Bessel, onderdeel van de ecologische hoofdstructuur, hebben we de aanleg van de weg aangegrepen om een wildpassage bij een al bestaand knelpunt te maken. Nu kunnen dieren er beter langs dan voor de aanleg van de weg.”
Werd in de jaren tachtig door sommige wegenbouwers nog gelachen om een ecoduct, inmiddels lijkt geen einde te komen aan de diervriendelijkheid van Rijkswaterstaat. Zo wordt de A12 bij Ede vijftien meter verlegd voor een groepje kamsalamanders, en tussen Best en Boxtel begint Ballast Nedam dit jaar aan een nieuwe variant op het ecoduct: de groene brug. Dit is een viaduct dat dierlijk snelverkeer over de A2 moet faciliteren.
‘Ontsnipperen’ noemt men dat bij Rijkswaterstaat. In 2010 moet negentig procent van de knelpunten opgelost zijn. Een veelgebruikt middel hierbij is de dassentunnel. Er liggen inmiddels zevenhonderd doorgangen onder het Nederlandse wegdek om het dassenverkeer te stroomlijnen.
Ecotunnels vragen al gauw vijf procent van het totaalbudget van een nieuw wegenproject. Maar ook kleine tunnels kosten het nodige. Drie kleine faunatunnels onder de A12 in het zompige Groene Hart kosten al driekwart miljoen euro. Helpen deze tunnels nu ook?
“Ecologisch bureau Alterra heeft voor Rijkswaterstaat het effect onderzocht op dassen”, zegt Van Bohemen. “Het blijkt dat er meer nieuwe burchten gevormd worden waar tunnels onder een wegdek zijn aangelegd, en de dassenpopulaties nemen toe.” De dassen worden inmiddels ook met minder publiciteit bij tunnels losgelaten. De eerste das die in de jaren tachtig richting dassentunnel werd gedirigeerd bezweek voor de camera’s van het journaal aan een hartverlamming.
Ondanks alle mooie maatregelen is er toch maar één weg die echt ecologisch is, en dat is een weg die nooit wordt aangelegd. “Mobiliteit is een menselijke behoefte”, zegt Van Bohemen. “Ik rijd ook auto. Maar mensen moeten willen zien wat het oplevert om bijvoorbeeld niet meer te hoeven forenzen. Dat zou al veel asfalt schelen. Ik ben zelf ook van Nieuwegein naar Delft verhuisd met mijn vrouw. Het huis was hier een stuk duurder, maar ik heb per dag nu wel twee uur extra tijd over.”
De groene actiegroepen zien doemscenario’s voor zich nu de asfaltplannen van het kabinet concrete vormen aannemen. Meer platgereden vogels, een laatste snipper natuurgebied die voor dieren ondoordringbaar in tweeën wordt gesneden door een stevige achtbaansweg. Terwijl er al ruim 125 duizend kilometer wegdek lag.
Deze horrorfilm voor de ecologisch begane medemens hoeft geen werkelijkheid te worden. De afgelopen twintig jaar zijn voldoende civieltechnische snufjes ontwikkeld om natuurschade door wegenbouw te beperken. Volgens optimisten bij de dienst Weg- en Waterbouwkunde van Rijkswaterstaat zou de natuur zelfs beter worden van wegenaanleg.
De voorkant van het proefschrift van – nu dr. – Hein van Bohemen toont alvast een kleurig plaatje van hoe de ecologisch verantwoorde weg van de toekomst er uit moet zien: groene wallen en overhangende bomen aan de wegkant om vogels en vleermuizen over het verkeer heen te dirigeren. Hop-overs, heten ze. Tunnels onder de weg door voor dassen en kleiner zoogdiergrut. En een viaduct over een beek met loopplanken aan de waterkant, zodat de dieren uit het bos gewoon langs het water kunnen doormigreren. Zelfs de tankstations op zijn kleurplaat hebben een groenbegroeid dak van gras. “Net als op het dak van de TU-bieb”, zegt Van Bohemen. “Dat scheelt 60 tot 85 procent in de hoeveelheid regenwater die je naar het riool moet afvoeren. De plantengroei neemt een deel op en de rest verdampt.”
Van Bohemen is de tweede in de reeks van tien promovendi die bij prof. Charles Hendriks promoveren op het thema ‘De ecologische stad’. De inmiddels bij Rijkswaterstaat werkzame ecologisch ingenieur verzamelde voor zijn promotie bijna alle gegevens die sinds ongeveer 1980 in Nederland beschikbaar zijn rond het thema wegenbouw, kustbouw en milieueffecten.
Het resultaat van dit werk is een lijvige pil met daarin een zo breed mogelijke lijst van ecologische aanbevelingen. Zoals een pleidooi voor een degelijk dubbellaags Zoab-asfalt. Dit open asfalt slurpt tachtig procent meer vervuiling van auto’s in het wegdek op en brengt het lawaai met acht decibel terug.
Sommige ingrepen verzachten niet alleen de aangebrachte landschapsschade, maar verbeteren een achtergelaten rommeltje. “Een goed voorbeeld hiervan is de A27 bij Breda”, zegt Van Bohemen. “Hier werd de aanleg van geluidswallen aangegrepen om tegelijk de nabijliggende beek schoon te maken met een helofytenfilter (plantaardige zeef). Op en rond de wal groeien nu zeldzame plantensoorten en het beekwater stroomt nu schoner Breda binnen.”
Toch ligt de nadruk bij Rijkswaterstaat op het zogenaamde mitigeren, verzachten. Een actueel voorbeeld is de omstreden aanleg van de A73 langs de oostelijke Maasoever. De weg doorklieft natuurgebieden en schiet rakelings langs landgoederen. Zestig faunatunnels, een ecoduct en nog twee wildbruggen worden hier daarom als ecopleisters op het veertig kilometer lange traject geplakt. Het ecologische plakwerk heeft ook zijn prijskaartje; het traject valt honderden miljoenen euro’s duurder uit dan in 1995 voorzien.
“De aanleg van zo’n weg is een politieke beslissing”, zegt Van Bohemen. “Die weg proberen we dan zo goed mogelijk in te passen in het landschap. Het kan altijd beter natuurlijk, maar in het geval van de A73 is dat redelijk gelukt. Bij landgoed Waterloo in de buurt van Bessel, onderdeel van de ecologische hoofdstructuur, hebben we de aanleg van de weg aangegrepen om een wildpassage bij een al bestaand knelpunt te maken. Nu kunnen dieren er beter langs dan voor de aanleg van de weg.”
Werd in de jaren tachtig door sommige wegenbouwers nog gelachen om een ecoduct, inmiddels lijkt geen einde te komen aan de diervriendelijkheid van Rijkswaterstaat. Zo wordt de A12 bij Ede vijftien meter verlegd voor een groepje kamsalamanders, en tussen Best en Boxtel begint Ballast Nedam dit jaar aan een nieuwe variant op het ecoduct: de groene brug. Dit is een viaduct dat dierlijk snelverkeer over de A2 moet faciliteren.
‘Ontsnipperen’ noemt men dat bij Rijkswaterstaat. In 2010 moet negentig procent van de knelpunten opgelost zijn. Een veelgebruikt middel hierbij is de dassentunnel. Er liggen inmiddels zevenhonderd doorgangen onder het Nederlandse wegdek om het dassenverkeer te stroomlijnen.
Ecotunnels vragen al gauw vijf procent van het totaalbudget van een nieuw wegenproject. Maar ook kleine tunnels kosten het nodige. Drie kleine faunatunnels onder de A12 in het zompige Groene Hart kosten al driekwart miljoen euro. Helpen deze tunnels nu ook?
“Ecologisch bureau Alterra heeft voor Rijkswaterstaat het effect onderzocht op dassen”, zegt Van Bohemen. “Het blijkt dat er meer nieuwe burchten gevormd worden waar tunnels onder een wegdek zijn aangelegd, en de dassenpopulaties nemen toe.” De dassen worden inmiddels ook met minder publiciteit bij tunnels losgelaten. De eerste das die in de jaren tachtig richting dassentunnel werd gedirigeerd bezweek voor de camera’s van het journaal aan een hartverlamming.
Ondanks alle mooie maatregelen is er toch maar één weg die echt ecologisch is, en dat is een weg die nooit wordt aangelegd. “Mobiliteit is een menselijke behoefte”, zegt Van Bohemen. “Ik rijd ook auto. Maar mensen moeten willen zien wat het oplevert om bijvoorbeeld niet meer te hoeven forenzen. Dat zou al veel asfalt schelen. Ik ben zelf ook van Nieuwegein naar Delft verhuisd met mijn vrouw. Het huis was hier een stuk duurder, maar ik heb per dag nu wel twee uur extra tijd over.”
Comments are closed.