De enorme bouwput op weg naar het centrum van Delft zorgt ervoor dat ik soms een stukje om moet fietsen. Om dat stukje af te snijden fietste ik over de stoep.
Een vrij algemene bezigheid in mijn kleuterjaren, maar de laatste jaren ben ik het een beetje verleerd. Op mijn weg kwam een bejaard echtpaar en ik kon mooi de ontwijk-de-voetgangers-tactiek toepassen, dacht ik, maar die mislukte. Het vrouwelijk deel van het echtpaar ging, gewapend met een boodschappenkar, precies op mijn pad staan. Ik fietste niet zo hard, maar moest nu toch stoppen en afstappen. Als een ware oom agent versperde ze mij de weg. ,,Je mag hier niet fietsen”, snauwde ze me toe. Dat ze voor mijn fiets bleef staan betekende blijkbaar dat ze behoefte had aan een antwoord. Ik niet. Terwijl ik mijn fiets opzij reed deed zij ook een stap opzij, dezelfde kant uit. Ik zag haar ineens als die student op het Plein van de Hemelse Vrede. Alleen de vergelijking tussen mijn fiets en een tank gaat een beetje mank.
,,Mevrouw, dat weet ik, maar zo snijd ik een stuk af. De bouwput, begrijpt u.” ,,Dan stap je maar af!” Zo’n reactie had ik kunnen verwachten. Wat ik ook gezegd had, het was nooit goed genoeg geweest. Ik vraag me af wat er was gebeurd als ik op mijn knieën was gevallen en om vergiffenis had gevraagd voor deze verschrikkelijke misdaad.
Na mij enige tijd aangekeken te hebben alsof ze me met haar blik kon bekeren, ging ze haar man achterna. Ik vervolgde mijn weg, fietsend natuurlijk, en hoorde haar iets te hard tegen haar man zeggen: ,,De brutaliteit!” Mijn besluit staat vast: volgende keer fiets ik gewoon door. De ambulancebroeders zullen het wel begrijpen.
De enorme bouwput op weg naar het centrum van Delft zorgt ervoor dat ik soms een stukje om moet fietsen. Om dat stukje af te snijden fietste ik over de stoep. Een vrij algemene bezigheid in mijn kleuterjaren, maar de laatste jaren ben ik het een beetje verleerd. Op mijn weg kwam een bejaard echtpaar en ik kon mooi de ontwijk-de-voetgangers-tactiek toepassen, dacht ik, maar die mislukte. Het vrouwelijk deel van het echtpaar ging, gewapend met een boodschappenkar, precies op mijn pad staan. Ik fietste niet zo hard, maar moest nu toch stoppen en afstappen. Als een ware oom agent versperde ze mij de weg. ,,Je mag hier niet fietsen”, snauwde ze me toe. Dat ze voor mijn fiets bleef staan betekende blijkbaar dat ze behoefte had aan een antwoord. Ik niet. Terwijl ik mijn fiets opzij reed deed zij ook een stap opzij, dezelfde kant uit. Ik zag haar ineens als die student op het Plein van de Hemelse Vrede. Alleen de vergelijking tussen mijn fiets en een tank gaat een beetje mank.
,,Mevrouw, dat weet ik, maar zo snijd ik een stuk af. De bouwput, begrijpt u.” ,,Dan stap je maar af!” Zo’n reactie had ik kunnen verwachten. Wat ik ook gezegd had, het was nooit goed genoeg geweest. Ik vraag me af wat er was gebeurd als ik op mijn knieën was gevallen en om vergiffenis had gevraagd voor deze verschrikkelijke misdaad.
Na mij enige tijd aangekeken te hebben alsof ze me met haar blik kon bekeren, ging ze haar man achterna. Ik vervolgde mijn weg, fietsend natuurlijk, en hoorde haar iets te hard tegen haar man zeggen: ,,De brutaliteit!” Mijn besluit staat vast: volgende keer fiets ik gewoon door. De ambulancebroeders zullen het wel begrijpen.
Comments are closed.