Hoe belangrijk is een gezamenlijk gebouw voor het wij-gevoel? In de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen wikken en wegen de bestuurders.
,,Ik vraag me af of je zoveel geld moet steken in een opeenstapeling van stenen.”
De bordjes zijn nog niet verhangen. Aan de Thijsseweg prijkt op de wegwijzer bij de volkstuinen ‘Faculteit der Geodesie’. Ook bij de entrees van Technische Aardwetenschappen en van Civiele Techniek klinken de oude faculteitsnamen nog. De facultaire homepage is al enige tijd ‘under construction’ en linkt nu nog door naar de websites van Geodesie, Civiele Techniek en Technische Aardwetenschappen. Is het symbolisch voor de stand van de clustering van Civiele Techniek en Geowetenschappen (CiTG)?
,,Er wordt nog wel eens geopereerd vanuit de oude bloedgroepen-gedachte, maar er is zeker grote bereidheid om iets van de clustering te maken”, zegt decaan Henk Jan Overbeek. ,,Het gevoel dat we samen meer zijn dan afzonderlijk wordt steeds breder gedragen.”
Bij de onderdeelscommissie klinkt een wat ander geluid: ,,We zijn open en enthousiast aan de clustering begonnen, maar onze motivatie is afgenomen”, aldus odc-lid van het eerste uur Theo Tijsssen. ,,We dachten dat we zelfstandig de algemene ondersteunende diensten vorm konden geven, maar er kwamen steeds meer directieven van het college. Dat heeft onze clusterbereidheid gefrustreerd. Bovendien hebben de ondersteunende diensten te lijden gehad van de invoering van nieuwe informatiesystemen. Financiële gegevens kwamen driekwart jaar te laat. Daardoor ontstond het gevoel dat we er alleen maar op achteruit zijn gegaan. En de inhoudelijke samenwerking in onderwijs en onderzoek is nog niet van de grond gekomen.”
Interessante fase
Het clusteren van civiele techniek, geodesie en aardwetenschappen is, kortom, niet eenvoudig. Overbeek wijst op de hobbels die sinds eind 1997 genomen moesten worden. ,,De drie onderdelen kenden allemaal een sterke eigen cultuur. Mijnbouwers, civielers en geodeten waren duidelijk onderscheiden types. De onderdelen zijn bovendien verschillend in omvang en ruimtelijk sterk gescheiden. Het was niet de meest voor de hand liggende clustering.” Voor Civiele Techniek bijvoorbeeld was Bouwkunde zeker zo’n geschikte partner, omdat ze allebei de bouwsector bedienen. De subfaculteiten hebben al lang hun natuurlijke partners buiten de TU, in het Delft Cluster met onder andere TNO Bouw en GeoDelft. Die samenwerking kwam gemakkelijker op de werkvloer tot stand, terwijl de facultaire clustering een centrale beslissing was.
Hoewel het clusterproces traag gaat, ziet Overbeek duidelijk voortgang. ,,We zijn nu in een interessante fase terechtgekomen. Vanaf 1 september vorig jaar hebben we geen vice-decanen meer voor de subfaculteiten maar een eenhoofdig leiderschap dat bij de decaan rust. We hebben zeven afdelingen opgericht, en de voorzittersdaarvan vormen met de drie opleidingsdirecteuren het managementteam. Dat was anderhalf jaar geleden nog een brug te ver.”
In het onderzoek zijn een aantal gemeenschappelijke thema’s geïdentificeerd: gis (geographical information systems), remote sensing, grondmechanica en ingenieursgeologie, geohydrologie en ondergronds bouwen. Ook in het onderwijs zijn er aanknopingspunten omdat de opleidingen op last van verschillende visitatiecommissies ‘breder’ moeten worden.
Haken en_ogen
Het tempo en de vorm van de clustering, zegt Overbeek, worden echter mede bepaald door het wel of niet betrekken van een gezamenlijke huisvesting. Zelf probeerde hij vorig jaar tevergeefs een dag per week bij Aardwetenschappen of Geodesie door te brengen. ,,Het meeslepen van mijn werk naar de andere subfaculteiten wordt in toenemende mate problematisch.”
Hij is er echter nog niet uit of een unilocatie ten koste van alles door moet gaan. ,,Vanzelfsprekend zet ik in op unilocatie. Maar ik besef tegelijkertijd dat de financiële consequenties voor de universiteit enorm zijn. Ik vraag me dan af of je zo veel geld moet steken in een opeenstapeling van stenen.”
Op dit moment onderzoekt de dienst Vastgoedbeheer daarom ook een tweede optie naast de unilocatie. Daarin zou Geodesie verhuizen naar haar oude huisvesting aan de Kanaalweg. Technische Aardwetenschappen zou blijven zitten, het pand aan de Mijnbouwstraat zou worden opgeknapt.
Afzien van unilocatie levert wel besparingen op, maar is niet zonder haken en ogen. Als Aardwetenschappen en Geodesie TU-Noord bewonen, doorkruist dat het stedenbouwkundig masterplan van het college van bestuur.
Is er wel toekomst voor de clustering zonder gezamenlijk gebouw? Overbeek: ,,Ik denk het wel. Ook binnen een gebouw kunnen er trouwens fysieke belemmeringen voor contact zijn. En in de praktijk blijkt afstand samenwerking niet in de weg te hoeven staan. Je zult het nadeel van minder synergie moeten afwegen tegen het financiële voordeel. Onderwijs en onderzoek zouden belangrijker moeten zijn dan huisvesting.”
Mobiele personeelsfunctionaris
Ze noemt zich een uitgesproken voorstander van clustering van faculteiten. ,,Ik zag er snel de voordelen van om de ondersteunende diensten bij elkaar te zetten”, zegt senior P&O-adviseur RoseMary van Akkeren Sciarone. ,,Geodesie, waar ik werkte, was gewoon te klein om er een goed ondersteunend apparaat op na te kunnen houden.” Ze huist nu op de tweede verdieping van Civiel. Een mobieltje en e-mail verzorgen het contact met Geodesie. ,,Ik ben altijd te bereiken. Als ze me nodig hebben, ben ik daar binnen tien minuten. In het begin zat ik nog voor de helft op Geodesie, maar dat werkte niet. Ik heb al mijn documenten hier. Ik kon welinloggen op Geodesie, maar ik had telkens moeite bij mijn persoonlijke schijf te komen.”
Nu maakt ze deel uit van een hele afdeling P&O en profiteert van de schaalvoordelen. ,,P&O is gestart met het bij elkaar brengen van universitaire docenten om kennis en ervaring uit te wisselen. Bij Geodesie was dat niet van de grond gekomen.”
De bloedgroepen zijn in haar afdeling, anders dan in het facultaire onderwijs en onderzoek, wèl verdwenen. Iedere functionaris bemoeit zich met een dwarsdoorsnede van de faculteit. Zelf heeft ze haar kennis al verbreed. ,,Ik vind dat ik me als P&O-functionaris ook moet verdiepen in het primaire proces. Hier heb ik al het nodige geleerd over waterbouwkunde.”
De bruggenbouwer
Hij is aan het ‘aftasten’ of er binnen CiTG samenwerking mogelijk is op het gebied van remote sensing. Freek van der Meer (33) werd in november aangesteld als eerste facultaire hoogleraar. Zijn vakgebied is de hoge-spectrale resolutie remote sensing, maar hij is vooral binnengehaald om de clustering daadwerkelijk inhoud te gaan geven. Van decaan Overbeek ontving hij een lijstje met namen van wetenschappers die hij kon gaan bezoeken. Vooral bij Geodesie is het enthousiasme groot, zo luiden zijn eerste bevindingen. Civielers zijn niet ongenegen, maar voor hen is de techniek om gegevens in te winnen over het aardoppervlakte toch eerder een hulpmiddel dan hoofddoel van onderzoek. ,,Samen met Geodesie zie ik goede mogelijkheden in het werk aan gegevens van multi-sensor missions van ESA en NASA % verschillende sensors op een platform. De integratie van de data hiervan belooft veel op te leveren voor de kennis van gesteentes en bodemtypes. Bij Geodesie heeft men veel expertise op het gebied van de radar (InSAR) en lasermetrie, hoge-spectrale remote sensing kan daar een goede aanvulling op vormen.”
Overdreven verwachtingen mogen we niet van hem koesteren % ook al omdat hij zijn hoogleraarschap combineert met een baan bij het ITC (International institute for aerospace survey and earth sciences) in Enschede. ,,Ik ben hooguit de aanjager, niet de grote leider van het facultaire onderzoek. Vanuit de faculteit is ook een push nodig. Het kost al heel wat tijd om te inventariseren waar iedereen mee bezig is % regelmatig weet mensen dat binnen een afdeling niet eens van elkaar. In het onderwijs verwacht ik eerder resultaat. We bereiden een faculteitsbreed programma remote sensing voor. Nu maar hopen dat hiervoor op termijn voldoende draagvlak is.” (HA)
.aut Hans Ariëns
Hoe belangrijk is een gezamenlijk gebouw voor het wij-gevoel? In de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen wikken en wegen de bestuurders. ,,Ik vraag me af of je zoveel geld moet steken in een opeenstapeling van stenen.”
De bordjes zijn nog niet verhangen. Aan de Thijsseweg prijkt op de wegwijzer bij de volkstuinen ‘Faculteit der Geodesie’. Ook bij de entrees van Technische Aardwetenschappen en van Civiele Techniek klinken de oude faculteitsnamen nog. De facultaire homepage is al enige tijd ‘under construction’ en linkt nu nog door naar de websites van Geodesie, Civiele Techniek en Technische Aardwetenschappen. Is het symbolisch voor de stand van de clustering van Civiele Techniek en Geowetenschappen (CiTG)?
,,Er wordt nog wel eens geopereerd vanuit de oude bloedgroepen-gedachte, maar er is zeker grote bereidheid om iets van de clustering te maken”, zegt decaan Henk Jan Overbeek. ,,Het gevoel dat we samen meer zijn dan afzonderlijk wordt steeds breder gedragen.”
Bij de onderdeelscommissie klinkt een wat ander geluid: ,,We zijn open en enthousiast aan de clustering begonnen, maar onze motivatie is afgenomen”, aldus odc-lid van het eerste uur Theo Tijsssen. ,,We dachten dat we zelfstandig de algemene ondersteunende diensten vorm konden geven, maar er kwamen steeds meer directieven van het college. Dat heeft onze clusterbereidheid gefrustreerd. Bovendien hebben de ondersteunende diensten te lijden gehad van de invoering van nieuwe informatiesystemen. Financiële gegevens kwamen driekwart jaar te laat. Daardoor ontstond het gevoel dat we er alleen maar op achteruit zijn gegaan. En de inhoudelijke samenwerking in onderwijs en onderzoek is nog niet van de grond gekomen.”
Interessante fase
Het clusteren van civiele techniek, geodesie en aardwetenschappen is, kortom, niet eenvoudig. Overbeek wijst op de hobbels die sinds eind 1997 genomen moesten worden. ,,De drie onderdelen kenden allemaal een sterke eigen cultuur. Mijnbouwers, civielers en geodeten waren duidelijk onderscheiden types. De onderdelen zijn bovendien verschillend in omvang en ruimtelijk sterk gescheiden. Het was niet de meest voor de hand liggende clustering.” Voor Civiele Techniek bijvoorbeeld was Bouwkunde zeker zo’n geschikte partner, omdat ze allebei de bouwsector bedienen. De subfaculteiten hebben al lang hun natuurlijke partners buiten de TU, in het Delft Cluster met onder andere TNO Bouw en GeoDelft. Die samenwerking kwam gemakkelijker op de werkvloer tot stand, terwijl de facultaire clustering een centrale beslissing was.
Hoewel het clusterproces traag gaat, ziet Overbeek duidelijk voortgang. ,,We zijn nu in een interessante fase terechtgekomen. Vanaf 1 september vorig jaar hebben we geen vice-decanen meer voor de subfaculteiten maar een eenhoofdig leiderschap dat bij de decaan rust. We hebben zeven afdelingen opgericht, en de voorzittersdaarvan vormen met de drie opleidingsdirecteuren het managementteam. Dat was anderhalf jaar geleden nog een brug te ver.”
In het onderzoek zijn een aantal gemeenschappelijke thema’s geïdentificeerd: gis (geographical information systems), remote sensing, grondmechanica en ingenieursgeologie, geohydrologie en ondergronds bouwen. Ook in het onderwijs zijn er aanknopingspunten omdat de opleidingen op last van verschillende visitatiecommissies ‘breder’ moeten worden.
Haken en_ogen
Het tempo en de vorm van de clustering, zegt Overbeek, worden echter mede bepaald door het wel of niet betrekken van een gezamenlijke huisvesting. Zelf probeerde hij vorig jaar tevergeefs een dag per week bij Aardwetenschappen of Geodesie door te brengen. ,,Het meeslepen van mijn werk naar de andere subfaculteiten wordt in toenemende mate problematisch.”
Hij is er echter nog niet uit of een unilocatie ten koste van alles door moet gaan. ,,Vanzelfsprekend zet ik in op unilocatie. Maar ik besef tegelijkertijd dat de financiële consequenties voor de universiteit enorm zijn. Ik vraag me dan af of je zo veel geld moet steken in een opeenstapeling van stenen.”
Op dit moment onderzoekt de dienst Vastgoedbeheer daarom ook een tweede optie naast de unilocatie. Daarin zou Geodesie verhuizen naar haar oude huisvesting aan de Kanaalweg. Technische Aardwetenschappen zou blijven zitten, het pand aan de Mijnbouwstraat zou worden opgeknapt.
Afzien van unilocatie levert wel besparingen op, maar is niet zonder haken en ogen. Als Aardwetenschappen en Geodesie TU-Noord bewonen, doorkruist dat het stedenbouwkundig masterplan van het college van bestuur.
Is er wel toekomst voor de clustering zonder gezamenlijk gebouw? Overbeek: ,,Ik denk het wel. Ook binnen een gebouw kunnen er trouwens fysieke belemmeringen voor contact zijn. En in de praktijk blijkt afstand samenwerking niet in de weg te hoeven staan. Je zult het nadeel van minder synergie moeten afwegen tegen het financiële voordeel. Onderwijs en onderzoek zouden belangrijker moeten zijn dan huisvesting.”
Mobiele personeelsfunctionaris
Ze noemt zich een uitgesproken voorstander van clustering van faculteiten. ,,Ik zag er snel de voordelen van om de ondersteunende diensten bij elkaar te zetten”, zegt senior P&O-adviseur RoseMary van Akkeren Sciarone. ,,Geodesie, waar ik werkte, was gewoon te klein om er een goed ondersteunend apparaat op na te kunnen houden.” Ze huist nu op de tweede verdieping van Civiel. Een mobieltje en e-mail verzorgen het contact met Geodesie. ,,Ik ben altijd te bereiken. Als ze me nodig hebben, ben ik daar binnen tien minuten. In het begin zat ik nog voor de helft op Geodesie, maar dat werkte niet. Ik heb al mijn documenten hier. Ik kon welinloggen op Geodesie, maar ik had telkens moeite bij mijn persoonlijke schijf te komen.”
Nu maakt ze deel uit van een hele afdeling P&O en profiteert van de schaalvoordelen. ,,P&O is gestart met het bij elkaar brengen van universitaire docenten om kennis en ervaring uit te wisselen. Bij Geodesie was dat niet van de grond gekomen.”
De bloedgroepen zijn in haar afdeling, anders dan in het facultaire onderwijs en onderzoek, wèl verdwenen. Iedere functionaris bemoeit zich met een dwarsdoorsnede van de faculteit. Zelf heeft ze haar kennis al verbreed. ,,Ik vind dat ik me als P&O-functionaris ook moet verdiepen in het primaire proces. Hier heb ik al het nodige geleerd over waterbouwkunde.”
De bruggenbouwer
Hij is aan het ‘aftasten’ of er binnen CiTG samenwerking mogelijk is op het gebied van remote sensing. Freek van der Meer (33) werd in november aangesteld als eerste facultaire hoogleraar. Zijn vakgebied is de hoge-spectrale resolutie remote sensing, maar hij is vooral binnengehaald om de clustering daadwerkelijk inhoud te gaan geven. Van decaan Overbeek ontving hij een lijstje met namen van wetenschappers die hij kon gaan bezoeken. Vooral bij Geodesie is het enthousiasme groot, zo luiden zijn eerste bevindingen. Civielers zijn niet ongenegen, maar voor hen is de techniek om gegevens in te winnen over het aardoppervlakte toch eerder een hulpmiddel dan hoofddoel van onderzoek. ,,Samen met Geodesie zie ik goede mogelijkheden in het werk aan gegevens van multi-sensor missions van ESA en NASA % verschillende sensors op een platform. De integratie van de data hiervan belooft veel op te leveren voor de kennis van gesteentes en bodemtypes. Bij Geodesie heeft men veel expertise op het gebied van de radar (InSAR) en lasermetrie, hoge-spectrale remote sensing kan daar een goede aanvulling op vormen.”
Overdreven verwachtingen mogen we niet van hem koesteren % ook al omdat hij zijn hoogleraarschap combineert met een baan bij het ITC (International institute for aerospace survey and earth sciences) in Enschede. ,,Ik ben hooguit de aanjager, niet de grote leider van het facultaire onderzoek. Vanuit de faculteit is ook een push nodig. Het kost al heel wat tijd om te inventariseren waar iedereen mee bezig is % regelmatig weet mensen dat binnen een afdeling niet eens van elkaar. In het onderwijs verwacht ik eerder resultaat. We bereiden een faculteitsbreed programma remote sensing voor. Nu maar hopen dat hiervoor op termijn voldoende draagvlak is.” (HA)
.aut Hans Ariëns
Comments are closed.