Campus

De kunst van het loslaten

Anderhalve maand geleden had Delft de primeur: een vierde lid van het college van bestuur. Ex Shell-topman dr. Jan Oele is de ‘bruggenbouwer’ die de daadkracht van het college moet gaan vergroten.

Een tikkeltje verrassend was de benoeming van Jan Oele tot vierde lid wel. De geoloog van origine leek immers vorig jaar te gaan vutten, na een drieëndertigjarige carrière bij Shell en de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Als NAM-directeur nam hij afscheid en liet toen weten betaalde functies af te houden. Hij maakte alleen een voorbehoud in het geval zich ‘een hele interessante’ functie aan zou dienen. Van die opening maakte de Delftse raad van toezicht gebruik. Oele toonde zijn interesse en kwam als winnaar uit de selectieprocedure. ,,Ik heb niet actief gezocht”, verzekert hij. ,,Maar ik wilde me nog graag inzetten voor de maatschappelijke zaak. Het lijkt misschien idealistisch, maar ik maak me graag dienstbaar aan de universiteit. Ik zou niet zo gauw ja hebben gezegd tegen een commissariaat bij een bedrijf.”

Hij wil, zegt hij, meehelpen de Delftse ambities % een plek in de top vijf van de technische universiteiten ter wereld % te verwezenlijken. ,,Ik moet daar een injectie aan kunnen geven. Het ambitieniveau van de TU is heel hoog, maar mijn eigen ambitieniveau niet. Ik hoef me niet zo nodig meer te profileren.”

Oele heeft er zijn wekelijkse gymnastieklessen voor op moeten geven. Zijn grote passie, het bergwandelen, hoeft niet onder zijn nieuwe functie te lijden.

Gemakkelijk lijkt de baan echter allerminst. Allereerst moest hij een stapje terug doen: niet meer ‘chief executive officer’, maar één van de bestuurders. Is dat niet lastig? ,,Daar heb ik me goed rekenschap van gegeven”, zegt hij, ,,maar het leek me juist een enorme uitdaging om met mijn achtergrond in een collegiaal bestuur te opereren.”

Collegiaal is het Delftse college van bestuur niet altijd, erkent hij, maar daar ligt juist een taak voor hem als ‘bruggenbouwer’. En zijn eerste indruk is dat zijn aanpak aanslaat. ,,Het begin is zeer bemoedigend. Ik ben er vrij soepel ingegleden. Tot nu toe heb ik nog geen egelachtige reacties ontmoet.” Met de critici uit de ondernemingsraad, die het creëren van een vierde lid ‘een brevet van onvermogen’ voor het college noemden, is hij het niet eens. ,,Wat is er beter dan tijdelijk hulp te vragen? Ik vind een bestuur van vier mensen ook bepaald geen waterhoofd voor een grote organisatie als de TU.”

Verwezenlijkt hij nu een stille wens om op de universiteit terug te keren? ,,Nee. Ik heb wetenschappelijk ook niets meer in te brengen, daarvoor ben ik te lang uit de geologie. De laatste vijftien jaar heb ik alleen maar bestuursfuncties vervuld. Ik heb mijn promotieonderzoek in Leiden met veel plezier gedaan, maar daarna trok de internationale carrière die Shell me bood. De romantisch-avontuurlijke aspecten van het werk spraken me erg aan. Ik heb inhet oerwoud van Borneo gezeten en ik heb de betovering van het Verre Oosten ondergaan. Vanuit Leiden ben ik nog een keer teruggevraagd, maar ik had het toen al veel te veel naar mijn zin tussen de olie en het gas.” Op een gegeven moment, zonder dat er van carrièreplanning sprake was, kwam hij in het management terecht. ,,En dan merk je dat je dat werk het meest waardeert % een kwestie van zelfontdekking. Hoewel een nieuw olie- of gasveld vinden natuurlijk ook fantastisch is.”

Zijn internationale activiteiten gaven Oele het besef dat ‘de West-Europese weg niet de enig mogelijke is’. ,,Je perspectief op de wereld verandert enorm. Ik heb geleerd andere culturen te appreciëren.” Ze leerden hem ook relativeren. ,,Nederlandse problemen worden kleiner in internationaal perspectief. Dat geldt ook voor de problemen van de TU. Ik wil ze absoluut niet minimaliseren. Maar enige relativering is af en toe zeker op zijn plaats.”

Oeles kennis van de TU was van tevoren beperkt, geeft hij toe. ,,Ik wist alleen dat het een solide technisch opleidingsinstituut was.” Hij werd bij zijn aantreden verrast door de rol van het fundamentele onderzoek. ,,Er is hier een enorme slag gemaakt om vooraanstaand onderzoek te kunnen doen. Van een afstand had ik me dat niet gerealiseerd. Het lijkt me een uitstekende ontwikkeling. Het stelt je ook in staat je onderwijs op een hoger plan te brengen.”

Zijn Delftse taak ligt op andere gebieden: de verantwoordelijkheid voor het beleid op het gebied van het vastgoed, het personeel en de financiën. Op financieel vlak treft hem de spanning tussen het streven naar financiële zelfstandigheid van de faculteiten en de noodzaak van enige centrale regie. ,,Dat de faculteiten zich toch aan centrale afspraken moeten houden, geeft wel eens wrijving. Zo’n spanning is klassiek, je komt hem in het bedrijfsleven ook tegen. Op zich is ze niet ongezond, maar ik vraag me af of de faculteiten de centrale regels wel altijd goed toepassen.”

De grootste klus lijkt het vastgoed, waarbij de TU na jaren gebakkelei nog steeds in afwachting is van het stedenbouwkundig masterplan. Het is ook een terrein, waarop Oele weinig deskundigheid bezit. Hij zal zich dan ook niet en detail met het vastgoedbeleid bemoeien, meldt hij. ,,Ik ben geen manager vastgoed. Ik wil dat ik de voorstellen die van Vastgoedbeheer komen, goed begrijp en met verve kan verdedigen in het college. Je hoeft niet overal bovenop te zitten. Ik preek de kunst van het loslaten als managementstijl.”

Over twee jaar zit zijn taak er op, zo is de bedoeling. Wanneer is zijn missie geslaagd? ,,Dat is moeilijk te meten. Voor mij telt of er consensus bestaat dat we over twee jaar dichter bij de toppositie zijn dan op dit moment. Dat is het enige antwoord dat ik kan geven.”

Een tikkeltje verrassend was de benoeming van Jan Oele tot vierde lid wel. De geoloog van origine leek immers vorig jaar te gaan vutten, na een drieëndertigjarige carrière bij Shell en de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Als NAM-directeur nam hij afscheid en liet toen weten betaalde functies af te houden. Hij maakte alleen een voorbehoud in het geval zich ‘een hele interessante’ functie aan zou dienen. Van die opening maakte de Delftse raad van toezicht gebruik. Oele toonde zijn interesse en kwam als winnaar uit de selectieprocedure. ,,Ik heb niet actief gezocht”, verzekert hij. ,,Maar ik wilde me nog graag inzetten voor de maatschappelijke zaak. Het lijkt misschien idealistisch, maar ik maak me graag dienstbaar aan de universiteit. Ik zou niet zo gauw ja hebben gezegd tegen een commissariaat bij een bedrijf.”

Hij wil, zegt hij, meehelpen de Delftse ambities % een plek in de top vijf van de technische universiteiten ter wereld % te verwezenlijken. ,,Ik moet daar een injectie aan kunnen geven. Het ambitieniveau van de TU is heel hoog, maar mijn eigen ambitieniveau niet. Ik hoef me niet zo nodig meer te profileren.”

Oele heeft er zijn wekelijkse gymnastieklessen voor op moeten geven. Zijn grote passie, het bergwandelen, hoeft niet onder zijn nieuwe functie te lijden.

Gemakkelijk lijkt de baan echter allerminst. Allereerst moest hij een stapje terug doen: niet meer ‘chief executive officer’, maar één van de bestuurders. Is dat niet lastig? ,,Daar heb ik me goed rekenschap van gegeven”, zegt hij, ,,maar het leek me juist een enorme uitdaging om met mijn achtergrond in een collegiaal bestuur te opereren.”

Collegiaal is het Delftse college van bestuur niet altijd, erkent hij, maar daar ligt juist een taak voor hem als ‘bruggenbouwer’. En zijn eerste indruk is dat zijn aanpak aanslaat. ,,Het begin is zeer bemoedigend. Ik ben er vrij soepel ingegleden. Tot nu toe heb ik nog geen egelachtige reacties ontmoet.” Met de critici uit de ondernemingsraad, die het creëren van een vierde lid ‘een brevet van onvermogen’ voor het college noemden, is hij het niet eens. ,,Wat is er beter dan tijdelijk hulp te vragen? Ik vind een bestuur van vier mensen ook bepaald geen waterhoofd voor een grote organisatie als de TU.”

Verwezenlijkt hij nu een stille wens om op de universiteit terug te keren? ,,Nee. Ik heb wetenschappelijk ook niets meer in te brengen, daarvoor ben ik te lang uit de geologie. De laatste vijftien jaar heb ik alleen maar bestuursfuncties vervuld. Ik heb mijn promotieonderzoek in Leiden met veel plezier gedaan, maar daarna trok de internationale carrière die Shell me bood. De romantisch-avontuurlijke aspecten van het werk spraken me erg aan. Ik heb inhet oerwoud van Borneo gezeten en ik heb de betovering van het Verre Oosten ondergaan. Vanuit Leiden ben ik nog een keer teruggevraagd, maar ik had het toen al veel te veel naar mijn zin tussen de olie en het gas.” Op een gegeven moment, zonder dat er van carrièreplanning sprake was, kwam hij in het management terecht. ,,En dan merk je dat je dat werk het meest waardeert % een kwestie van zelfontdekking. Hoewel een nieuw olie- of gasveld vinden natuurlijk ook fantastisch is.”

Zijn internationale activiteiten gaven Oele het besef dat ‘de West-Europese weg niet de enig mogelijke is’. ,,Je perspectief op de wereld verandert enorm. Ik heb geleerd andere culturen te appreciëren.” Ze leerden hem ook relativeren. ,,Nederlandse problemen worden kleiner in internationaal perspectief. Dat geldt ook voor de problemen van de TU. Ik wil ze absoluut niet minimaliseren. Maar enige relativering is af en toe zeker op zijn plaats.”

Oeles kennis van de TU was van tevoren beperkt, geeft hij toe. ,,Ik wist alleen dat het een solide technisch opleidingsinstituut was.” Hij werd bij zijn aantreden verrast door de rol van het fundamentele onderzoek. ,,Er is hier een enorme slag gemaakt om vooraanstaand onderzoek te kunnen doen. Van een afstand had ik me dat niet gerealiseerd. Het lijkt me een uitstekende ontwikkeling. Het stelt je ook in staat je onderwijs op een hoger plan te brengen.”

Zijn Delftse taak ligt op andere gebieden: de verantwoordelijkheid voor het beleid op het gebied van het vastgoed, het personeel en de financiën. Op financieel vlak treft hem de spanning tussen het streven naar financiële zelfstandigheid van de faculteiten en de noodzaak van enige centrale regie. ,,Dat de faculteiten zich toch aan centrale afspraken moeten houden, geeft wel eens wrijving. Zo’n spanning is klassiek, je komt hem in het bedrijfsleven ook tegen. Op zich is ze niet ongezond, maar ik vraag me af of de faculteiten de centrale regels wel altijd goed toepassen.”

De grootste klus lijkt het vastgoed, waarbij de TU na jaren gebakkelei nog steeds in afwachting is van het stedenbouwkundig masterplan. Het is ook een terrein, waarop Oele weinig deskundigheid bezit. Hij zal zich dan ook niet en detail met het vastgoedbeleid bemoeien, meldt hij. ,,Ik ben geen manager vastgoed. Ik wil dat ik de voorstellen die van Vastgoedbeheer komen, goed begrijp en met verve kan verdedigen in het college. Je hoeft niet overal bovenop te zitten. Ik preek de kunst van het loslaten als managementstijl.”

Over twee jaar zit zijn taak er op, zo is de bedoeling. Wanneer is zijn missie geslaagd? ,,Dat is moeilijk te meten. Voor mij telt of er consensus bestaat dat we over twee jaar dichter bij de toppositie zijn dan op dit moment. Dat is het enige antwoord dat ik kan geven.”

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.