Misschien is het allemaal maar een boze droom. Opgewonden sprint ik naar de televisie. Maar nee, geen Kluivert, geen Van Nistelrooij. De marteling duurt nu al bijna drie weken: wir sind nicht dabei.
Samen met alle andere mannen die hun genetische krijgslust projecteren op nationaal voetbal huil ik bij het zien van het WK voetbal 2002. En net als al die andere mannen die nagelbijtend Nederland de beslissende kwalificatiewedstrijd zagen verliezen van Ierland, denk ik: ik had hem er wél ingeschoten! Ik had daar moeten staan!
De fout van mijn leven: dat ik mijn voetbalcarrière heb laten schieten voor een loopbaan in de wetenschap. En dat terwijl mijn land % deserteur die ik ben – om mijn linkerwreef schreeuwde, niet om mijn linker hersenhelft.
Ja, lach maar. Ik was toevallig wel topscorer van het zevende elftal van de F-jes van de Amersfoortse Boys. Samen met de andere high potentials dribbelde ik in een kluitje achter de bal aan. Overspelen deden we niet, dat was voor softies. Mijn specialiteit, de dubbele schaarbeweging, was gevreesd van Leusden tot Hoevelaken. Ik scoorde aan de lopende band, was een ware doelpuntenmachine. Eigenlijk waren alle ouders langs de zijlijn het erover eens: hier staat de nieuwe Marco van Basten.
Ik zet de televisie teleurgesteld uit, loop naar mijn klerenkast en zoek. Ja, daar is mijn oude clubshirtje. Een vervaagde nummer negen op de rug. Ik druk het t-shirt tegen mijn gezicht en hou mezelf voor dat ik het pasgemaaide gras nog kan ruiken. Als ik mijn ogen sluit, sta ik aan de rand van het strafschopgebied. De finale van het WK. Negentigste minuut. Nederland-Duitsland. De commentator schreeuwt met overslaande stem: ”Mudde aan de bal. Draait soepel weg. Komt dat schóóót!”
Rechterkruising, de keeper zág hem niet eens. Ik cirkel mijn t-shirt boven mijn hoofd en dompel mij onder in het orgastisch gebulder van duizenden uitzinnige fans. Ja, zo had het moeten zijn.
Misschien is het allemaal maar een boze droom. Opgewonden sprint ik naar de televisie. Maar nee, geen Kluivert, geen Van Nistelrooij. De marteling duurt nu al bijna drie weken: wir sind nicht dabei. Samen met alle andere mannen die hun genetische krijgslust projecteren op nationaal voetbal huil ik bij het zien van het WK voetbal 2002. En net als al die andere mannen die nagelbijtend Nederland de beslissende kwalificatiewedstrijd zagen verliezen van Ierland, denk ik: ik had hem er wél ingeschoten! Ik had daar moeten staan!
De fout van mijn leven: dat ik mijn voetbalcarrière heb laten schieten voor een loopbaan in de wetenschap. En dat terwijl mijn land % deserteur die ik ben – om mijn linkerwreef schreeuwde, niet om mijn linker hersenhelft.
Ja, lach maar. Ik was toevallig wel topscorer van het zevende elftal van de F-jes van de Amersfoortse Boys. Samen met de andere high potentials dribbelde ik in een kluitje achter de bal aan. Overspelen deden we niet, dat was voor softies. Mijn specialiteit, de dubbele schaarbeweging, was gevreesd van Leusden tot Hoevelaken. Ik scoorde aan de lopende band, was een ware doelpuntenmachine. Eigenlijk waren alle ouders langs de zijlijn het erover eens: hier staat de nieuwe Marco van Basten.
Ik zet de televisie teleurgesteld uit, loop naar mijn klerenkast en zoek. Ja, daar is mijn oude clubshirtje. Een vervaagde nummer negen op de rug. Ik druk het t-shirt tegen mijn gezicht en hou mezelf voor dat ik het pasgemaaide gras nog kan ruiken. Als ik mijn ogen sluit, sta ik aan de rand van het strafschopgebied. De finale van het WK. Negentigste minuut. Nederland-Duitsland. De commentator schreeuwt met overslaande stem: ”Mudde aan de bal. Draait soepel weg. Komt dat schóóót!”
Rechterkruising, de keeper zág hem niet eens. Ik cirkel mijn t-shirt boven mijn hoofd en dompel mij onder in het orgastisch gebulder van duizenden uitzinnige fans. Ja, zo had het moeten zijn.
Comments are closed.