De ondernemersclub Yes!Delft bestaat nu ruim een jaar. Hoe vergaat het de jonge uitvinders in de incubator, de broedplaats voor innovatieve producten? Niet iedereen verovert de markt. "Maar dat is niet zo erg, zolang het ambitieniveau maar hoog is."
Wat doe je als multinationals in de rij staan om met je in zee te gaan? Je krijgt contracten aangeboden, maar je hebt geen idee of je een oor wordt aangenaaid. Het overkwam Crijn Bouman (28) en zijn collega’s van het bedrijf Epyon. De ingenieurs ontwikkelen snelladers voor lithium-ion batterijen, voor in een elektrische auto bijvoorbeeld of voor mobieltjes. Vorig jaar presenteerden ze hun gepatenteerde techniek tijdens een congres in Silicon Valley in de Verenigde Staten. Direct daarna werden ze benaderd door bedrijven als Hewlett Packard. Bouman: “Je moet dan als bedrijf sterk in je schoenen staan.”
Op zulke momenten kan het handig zijn meer ervaren ondernemers om advies te vragen. Mensen die meer verstand hebben van marketing en financiering dan de gemiddelde techneut. Tips en advies kregen Bouman en zijn collega’s van begeleiders van het ondernemersnetwerk Yes!Delft. Een netwerk voor startende innovatieve spin-offbedrijfjes van de TU, de zogenaamde technostarters, dat nu ruim een jaar bestaat.
Paraplu
In de zogeheten ‘incubator’ aan de Rotterdamseweg, het pand waar de jonge ingenieurs bureau houden, is een tiental bedrijven gevestigd. Een vierkante paraplu, een condoom dat je met één hand om kan doen, een systeem dat auto’s meer stabiliteit op de weg geeft: het zijn een aantal voorbeelden van de ideeën die uitgebroed worden. Qua reclame voor de starters doet Yes!Delft het goed. Veel innovatieve producten hebben al ruime aandacht in diverse media gekregen.
Voordat Yes!Delft werd opgericht, zaten Delftse technostarters verspreid over de campus. Een aantal zat al in het gebouw dat nu de incubator is geworden, zoals Epyon. Harde cijfers over het aantal spin-off bedrijfjes en de plekken waar ze zitten, zijn er niet. Er zijn starters die geheel zelfstandig aan de slag gaan. Er zijn starters die wel gelieerd zijn aan de universiteit, maar persoonlijke banden hebben met onderzoekers buiten het Yes!Delft-netwerk en gehuisvest zijn in faculteitsgebouwen.
De meeste starters die in de incubator terecht zijn gekomen, hebben vakken gevolgd als ‘writing a businessplan’ of ’turning technology into business’. Bij dat laatste vak leren studenten een Delfts patent nieuw leven in te blazen. Ze geven er een draai aan en proberen het vervolgens op de markt te brengen. De vakken worden dit jaar voor het eerst tweemaal gegeven in plaats van één keer per jaar.
Voor de starters in de incubator is het nut van Yes!Delft een uitgemaakte zaak. Vooral de toegang tot een netwerk van ondernemers vinden zij erg handig. “Zeker in het begin is het belangrijk om zoveel mogelijk in contact te komen met andere starters”, zegt Roy Campe (25) van het bedrijf Actiflow. “Je moet je plan zoveel mogelijk laten afkraken om in te zien waar het mis zou kunnen gaan. Helemaal in je eentje op een zolderkamer een product ontwikkelen van A tot Z lukt niet.”
Nietapparaat
Valt er nu al wat te zeggen over het succes van de ondernemers? Volgens Hessel Jongebreur (32) van de selectiecommissie van Yes!Delft, is het daar veel te vroeg voor. “Er is niemand failliet, dat kan ik wel zeggen. Maar het succes blijkt pas over jaren. Het ontwikkelen van nieuwe technieken duurt nu eenmaal erg lang. En omdat de producten nieuw zijn, is het ook erg lastig in te schatten of het zal aanslaan. Je hebt geen referenties. Er zullen dus zeker veel bedrijven omvallen.”
Jongebreur begon zelf zeven jaar geleden het bedrijf Tytecker. Dit bedrijf ontwerpt apparaten om betonwapening te vlechten. Zoals de Tytecker, een soort nietapparaat. Hij was nauw betrokken bij de oprichting van Yes!Delft. Echt succesvol worden weinig mensen, volgens hem. “We willen toe naar bedrijven met meer dan twintig werknemers en minimaal tien miljoen euro omzet. Dat zijn bedrijven die de Nederlandse economie helpen. Daarvoor moeten we de starters duidelijk maken is dat het mogelijk is met een gek idee, zoals onze Tytecker, vijf miljoen euro uit de markt te trekken. Je moet er dan wel helemaal voor gaan en het risico nemen dat je keihard op je bek gaat. Als je het half doet, gaat een concurrent er met het idee vandoor.”
Dat het succesvol introduceren van nieuwe producten lastig is, daar kan Bram van Driel (28) over mee praten. Samen met een aantal vrienden startte hij tweeëneenhalf jaar geleden het bedrijf DonnyCards. Dit is een systeem waarbij mensen in de supermarkt gemakkelijk kunnen doneren aan goede doelen door bij de kassa een kaartje te laten scannen. “Je hebt een goed idee, maar wordt dan toch geconfronteerd met de realiteit”, zegt Van Driel.
Avonduren
“We wilden een omzet maken van drie miljoen per jaar, maar we hebben nu een omzet van driehonderd euro per maand. Het lukte niet om grote ketens over de lijn trekken. Het systeem werkt nu in één C1000 en in een paar benzinestations. We hebben het bedrijf veranderd in een BV, en werken er nu verder aan in de avonduren en in het weekend.”
Spijt van zijn avontuur heeft Van Driel allerminst. “Veel mensen beschouwen het als falen”, zegt hij. “Maar in de consultancywereld wordt dat helemaal niet zo gezien. Wanneer je een eigen bedrijf hebt, trek je aan alle touwtjes. We hebben er veel van geleerd. In de Verenigde Staten waarderen geldschieters het zelfs als je een keer een bedrijf bent begonnen dat failliet ging. Vanwege de ervaring die je dan hebt opgedaan.”
Dat falen niet erg is, is ook de boodschap van Marco Waas, hoofd kennisvalorisatie van de TU en decaan van de faculteit 3mE. “Nederland ziet dat wel zo en dat is het hele probleem van dit land. Iedereen is bang om ambitieus te zijn. Je moet hier altijd maar ‘middle of the road’ zijn. Ken Morse, (directeur van het Entrepreneurship Center van het Massachusetts Institute of Technology, red.), zei ook dat Nederland niet ambitieus genoeg is. Hij was hier in april om een lezing te geven. Volgens hem is het niet meer dan normaal dat bedrijven het niet halen.”
Falen is één ding. Maar je moet wel goed van tevoren bedenken hoeveel tijd jezelf gunt om je bedrijf op de rails te zetten. Anders kunnen de schulden aardig oplopen. De meeste starters hebben een lening van ongeveer twaalfduizend euro per jaar van de TU. “En dit terwijl je vrienden bij grote bedrijven in loondienst werken en goede salarissen vangen”, zegt Roy Campe van Actiflow. “Die lopen wij mis. Als je die twee geldstromen tegen elkaar afzet, is het wel een groot verschil.”
Actiflow ontwikkelt een techniek waarbij lucht onder auto’s wordt weggezogen via een groot raster met minuscule gaatjes dat onder de wagens wordt gemonteerd. Hierdoor kleven auto’s beter aan de weg. De ondernemers hadden zichzelf anderhalf jaar de tijd gegeven om een succesvol research & development-contract met een producent van Formule-1-wagens te sluiten. “Die tijd is nu allang verstreken”, zegt Campe. “Het bleek dat onze toevoeging aan de racewagens niet reglementair was. We houden ons daarom nu met personenauto’s bezig. Vandaar de vertraging. Maar grote contracten zijn in zicht, dus we gaan zeker door.”
Condoom
Volgens Crijn Bouman is er een ander gevaar, en dat is dat technostarters hun studie niet afmaken. “Je bent zo bezig met het bedrijf, dat de studie erbij in kan schieten. Ik ben nu in deeltijd aan het studeren en in deeltijd met het bedrijf bezig.” Eén van de technostarters die zijn studie heeft stilgezet alvorens zelfs zijn bachelor te hebben gehaald, is Adnan Tunovic (26) van Mungosworks. Hij is de uitvinder van onder meer het condoom dat in een handomdraai om is. “Ik zou het anders willen formuleren”, zegt hij. “Ik ben nu een jaar gestopt om ideeën op te doen en bij bedrijven rond te kijken om te bepalen wat ik verder wil. Echt gestopt ben ik dus niet.”
Hoeveel studenten stoppen of hoe hoog studievertragingen oplopen, is aan de TU niet bekend. Ook Waas blijft het antwoord schuldig. Maar volgens hem valt het erg mee. “Het is in ieder geval zeker niet onze opzet dat de technostarters stoppen met hun studie”, stelt hij.
Uiteindelijk moet Yes!Delft zichzelf overbodig maken, vindt Waas. “Ken Morse vertelde ook dat een club als Yes!Delft eigenlijk helemaal niet zou moeten bestaan. Er zou van nature al een netwerk moeten zijn.”
Een andere boodschap van Morse was dat incubators uitstralen dat starters niet op eigen benen kunnen staan. Waas is het hier maar ten dele mee eens: “Een reputatie van een universiteit waar het bruist van de goede ideeën, hebben we nog niet. Investeerders komen hierom niet uit zichzelf naar Delft. Wij organiseren ontmoetingen met technostarters. Zoals twee weken geleden. Toen kwamen er zeventig investeerders langs om kennis te maken. We zijn dus nog hoognodig omdat er in Delft geen ondernemerscultuur is en geen groot netwerk. Die moeten nog groeien.”
www.yesdelft.nl
Kennisvalorisatie
Naast directe ondersteuning van technostarters dient Yes!Delft een hoger doel. Het maakt onderdeel uit van het kennisvalorisatieprogramma van de TU Delft. Volgens dit plan moet Delft innovatieve bedrijven voortbrengen waarbij aan de universiteit opgedane kennis ‘vermarkt’ wordt. Marco Waas, hoofd kennisvalorisatie van de TU en decaan van de faculteit 3mE, hoopt dat de universiteit binnen vier â vijf jaar zo’n vijftig hightech spin-off-bedrijfjes per jaar aflevert. Tot 2005 waren het er nog maar zo’n vijftien per jaar, schat hij. Yes!Delft moet dit aantal helpen opkrikken. Waas: “Gezien het stijgende aantal aanmeldingen bij Yes!Delft verwacht ik dat er dit jaar in totaal zo’n 20 a’ 24 nieuwe technostarters bij zullen zijn.” Delft zou het dan ongeveer even goed doen als de TU Twente, die te boek staat als dé ondernemersuniversiteit van Nederland.
Crijn Bouman (28) van Epyon: “Je moet als bedrijf sterk in je schoenen staan.” (Foto’s: Sam Rentmeester/FMAX)
Roy Campe (25) van het Actiflow: “Je moet je plan zoveel mogelijk laten afkraken om in te zien waar het mis zou kunnen gaan.”
Hessel Jongebreur (32) van Tytecker: “Er zullen zeker veel bedrijven omvallen.”
Wat doe je als multinationals in de rij staan om met je in zee te gaan? Je krijgt contracten aangeboden, maar je hebt geen idee of je een oor wordt aangenaaid. Het overkwam Crijn Bouman (28) en zijn collega’s van het bedrijf Epyon. De ingenieurs ontwikkelen snelladers voor lithium-ion batterijen, voor in een elektrische auto bijvoorbeeld of voor mobieltjes. Vorig jaar presenteerden ze hun gepatenteerde techniek tijdens een congres in Silicon Valley in de Verenigde Staten. Direct daarna werden ze benaderd door bedrijven als Hewlett Packard. Bouman: “Je moet dan als bedrijf sterk in je schoenen staan.”
Op zulke momenten kan het handig zijn meer ervaren ondernemers om advies te vragen. Mensen die meer verstand hebben van marketing en financiering dan de gemiddelde techneut. Tips en advies kregen Bouman en zijn collega’s van begeleiders van het ondernemersnetwerk Yes!Delft. Een netwerk voor startende innovatieve spin-offbedrijfjes van de TU, de zogenaamde technostarters, dat nu ruim een jaar bestaat.
Paraplu
In de zogeheten ‘incubator’ aan de Rotterdamseweg, het pand waar de jonge ingenieurs bureau houden, is een tiental bedrijven gevestigd. Een vierkante paraplu, een condoom dat je met één hand om kan doen, een systeem dat auto’s meer stabiliteit op de weg geeft: het zijn een aantal voorbeelden van de ideeën die uitgebroed worden. Qua reclame voor de starters doet Yes!Delft het goed. Veel innovatieve producten hebben al ruime aandacht in diverse media gekregen.
Voordat Yes!Delft werd opgericht, zaten Delftse technostarters verspreid over de campus. Een aantal zat al in het gebouw dat nu de incubator is geworden, zoals Epyon. Harde cijfers over het aantal spin-off bedrijfjes en de plekken waar ze zitten, zijn er niet. Er zijn starters die geheel zelfstandig aan de slag gaan. Er zijn starters die wel gelieerd zijn aan de universiteit, maar persoonlijke banden hebben met onderzoekers buiten het Yes!Delft-netwerk en gehuisvest zijn in faculteitsgebouwen.
De meeste starters die in de incubator terecht zijn gekomen, hebben vakken gevolgd als ‘writing a businessplan’ of ’turning technology into business’. Bij dat laatste vak leren studenten een Delfts patent nieuw leven in te blazen. Ze geven er een draai aan en proberen het vervolgens op de markt te brengen. De vakken worden dit jaar voor het eerst tweemaal gegeven in plaats van één keer per jaar.
Voor de starters in de incubator is het nut van Yes!Delft een uitgemaakte zaak. Vooral de toegang tot een netwerk van ondernemers vinden zij erg handig. “Zeker in het begin is het belangrijk om zoveel mogelijk in contact te komen met andere starters”, zegt Roy Campe (25) van het bedrijf Actiflow. “Je moet je plan zoveel mogelijk laten afkraken om in te zien waar het mis zou kunnen gaan. Helemaal in je eentje op een zolderkamer een product ontwikkelen van A tot Z lukt niet.”
Nietapparaat
Valt er nu al wat te zeggen over het succes van de ondernemers? Volgens Hessel Jongebreur (32) van de selectiecommissie van Yes!Delft, is het daar veel te vroeg voor. “Er is niemand failliet, dat kan ik wel zeggen. Maar het succes blijkt pas over jaren. Het ontwikkelen van nieuwe technieken duurt nu eenmaal erg lang. En omdat de producten nieuw zijn, is het ook erg lastig in te schatten of het zal aanslaan. Je hebt geen referenties. Er zullen dus zeker veel bedrijven omvallen.”
Jongebreur begon zelf zeven jaar geleden het bedrijf Tytecker. Dit bedrijf ontwerpt apparaten om betonwapening te vlechten. Zoals de Tytecker, een soort nietapparaat. Hij was nauw betrokken bij de oprichting van Yes!Delft. Echt succesvol worden weinig mensen, volgens hem. “We willen toe naar bedrijven met meer dan twintig werknemers en minimaal tien miljoen euro omzet. Dat zijn bedrijven die de Nederlandse economie helpen. Daarvoor moeten we de starters duidelijk maken is dat het mogelijk is met een gek idee, zoals onze Tytecker, vijf miljoen euro uit de markt te trekken. Je moet er dan wel helemaal voor gaan en het risico nemen dat je keihard op je bek gaat. Als je het half doet, gaat een concurrent er met het idee vandoor.”
Dat het succesvol introduceren van nieuwe producten lastig is, daar kan Bram van Driel (28) over mee praten. Samen met een aantal vrienden startte hij tweeëneenhalf jaar geleden het bedrijf DonnyCards. Dit is een systeem waarbij mensen in de supermarkt gemakkelijk kunnen doneren aan goede doelen door bij de kassa een kaartje te laten scannen. “Je hebt een goed idee, maar wordt dan toch geconfronteerd met de realiteit”, zegt Van Driel.
Avonduren
“We wilden een omzet maken van drie miljoen per jaar, maar we hebben nu een omzet van driehonderd euro per maand. Het lukte niet om grote ketens over de lijn trekken. Het systeem werkt nu in één C1000 en in een paar benzinestations. We hebben het bedrijf veranderd in een BV, en werken er nu verder aan in de avonduren en in het weekend.”
Spijt van zijn avontuur heeft Van Driel allerminst. “Veel mensen beschouwen het als falen”, zegt hij. “Maar in de consultancywereld wordt dat helemaal niet zo gezien. Wanneer je een eigen bedrijf hebt, trek je aan alle touwtjes. We hebben er veel van geleerd. In de Verenigde Staten waarderen geldschieters het zelfs als je een keer een bedrijf bent begonnen dat failliet ging. Vanwege de ervaring die je dan hebt opgedaan.”
Dat falen niet erg is, is ook de boodschap van Marco Waas, hoofd kennisvalorisatie van de TU en decaan van de faculteit 3mE. “Nederland ziet dat wel zo en dat is het hele probleem van dit land. Iedereen is bang om ambitieus te zijn. Je moet hier altijd maar ‘middle of the road’ zijn. Ken Morse, (directeur van het Entrepreneurship Center van het Massachusetts Institute of Technology, red.), zei ook dat Nederland niet ambitieus genoeg is. Hij was hier in april om een lezing te geven. Volgens hem is het niet meer dan normaal dat bedrijven het niet halen.”
Falen is één ding. Maar je moet wel goed van tevoren bedenken hoeveel tijd jezelf gunt om je bedrijf op de rails te zetten. Anders kunnen de schulden aardig oplopen. De meeste starters hebben een lening van ongeveer twaalfduizend euro per jaar van de TU. “En dit terwijl je vrienden bij grote bedrijven in loondienst werken en goede salarissen vangen”, zegt Roy Campe van Actiflow. “Die lopen wij mis. Als je die twee geldstromen tegen elkaar afzet, is het wel een groot verschil.”
Actiflow ontwikkelt een techniek waarbij lucht onder auto’s wordt weggezogen via een groot raster met minuscule gaatjes dat onder de wagens wordt gemonteerd. Hierdoor kleven auto’s beter aan de weg. De ondernemers hadden zichzelf anderhalf jaar de tijd gegeven om een succesvol research & development-contract met een producent van Formule-1-wagens te sluiten. “Die tijd is nu allang verstreken”, zegt Campe. “Het bleek dat onze toevoeging aan de racewagens niet reglementair was. We houden ons daarom nu met personenauto’s bezig. Vandaar de vertraging. Maar grote contracten zijn in zicht, dus we gaan zeker door.”
Condoom
Volgens Crijn Bouman is er een ander gevaar, en dat is dat technostarters hun studie niet afmaken. “Je bent zo bezig met het bedrijf, dat de studie erbij in kan schieten. Ik ben nu in deeltijd aan het studeren en in deeltijd met het bedrijf bezig.” Eén van de technostarters die zijn studie heeft stilgezet alvorens zelfs zijn bachelor te hebben gehaald, is Adnan Tunovic (26) van Mungosworks. Hij is de uitvinder van onder meer het condoom dat in een handomdraai om is. “Ik zou het anders willen formuleren”, zegt hij. “Ik ben nu een jaar gestopt om ideeën op te doen en bij bedrijven rond te kijken om te bepalen wat ik verder wil. Echt gestopt ben ik dus niet.”
Hoeveel studenten stoppen of hoe hoog studievertragingen oplopen, is aan de TU niet bekend. Ook Waas blijft het antwoord schuldig. Maar volgens hem valt het erg mee. “Het is in ieder geval zeker niet onze opzet dat de technostarters stoppen met hun studie”, stelt hij.
Uiteindelijk moet Yes!Delft zichzelf overbodig maken, vindt Waas. “Ken Morse vertelde ook dat een club als Yes!Delft eigenlijk helemaal niet zou moeten bestaan. Er zou van nature al een netwerk moeten zijn.”
Een andere boodschap van Morse was dat incubators uitstralen dat starters niet op eigen benen kunnen staan. Waas is het hier maar ten dele mee eens: “Een reputatie van een universiteit waar het bruist van de goede ideeën, hebben we nog niet. Investeerders komen hierom niet uit zichzelf naar Delft. Wij organiseren ontmoetingen met technostarters. Zoals twee weken geleden. Toen kwamen er zeventig investeerders langs om kennis te maken. We zijn dus nog hoognodig omdat er in Delft geen ondernemerscultuur is en geen groot netwerk. Die moeten nog groeien.”
www.yesdelft.nl
Kennisvalorisatie
Naast directe ondersteuning van technostarters dient Yes!Delft een hoger doel. Het maakt onderdeel uit van het kennisvalorisatieprogramma van de TU Delft. Volgens dit plan moet Delft innovatieve bedrijven voortbrengen waarbij aan de universiteit opgedane kennis ‘vermarkt’ wordt. Marco Waas, hoofd kennisvalorisatie van de TU en decaan van de faculteit 3mE, hoopt dat de universiteit binnen vier â vijf jaar zo’n vijftig hightech spin-off-bedrijfjes per jaar aflevert. Tot 2005 waren het er nog maar zo’n vijftien per jaar, schat hij. Yes!Delft moet dit aantal helpen opkrikken. Waas: “Gezien het stijgende aantal aanmeldingen bij Yes!Delft verwacht ik dat er dit jaar in totaal zo’n 20 a’ 24 nieuwe technostarters bij zullen zijn.” Delft zou het dan ongeveer even goed doen als de TU Twente, die te boek staat als dé ondernemersuniversiteit van Nederland.
Crijn Bouman (28) van Epyon: “Je moet als bedrijf sterk in je schoenen staan.” (Foto’s: Sam Rentmeester/FMAX)
Roy Campe (25) van het Actiflow: “Je moet je plan zoveel mogelijk laten afkraken om in te zien waar het mis zou kunnen gaan.”
Hessel Jongebreur (32) van Tytecker: “Er zullen zeker veel bedrijven omvallen.”
Comments are closed.