Onderwijs

Gevecht met het analytisch vermogen

Onder leiding van gastschrijver en bioloog Tijs Goldschmidt bezochten zes studenten afgelopen vrijdag het museumeiland Hombroich. In het Duitse Neuss, vlakbij Dússeldorf, werd het technisch brein een dag lang uitgeschakeld.

In het museum zonder naambordjes en uitleg mochten de studenten dwalen door hun fantasie en het drassige groene ‘eiland’.

Tijdens de masterclass wil Tijs Goldschmidt de beta’s losweken van hun technische vooronderstellingen en alles wat praktisch en nuttig is. Kunst moet ervoor zorgen dat het ijzeren analytisch vermogen een dagje thuis blijft. Vaag denken is het motto, het eiland Hombroich het reisdoel.

Museumeiland Hombroich is opgericht in 1982 door Karl-Heinrich Múller. De oude eilandbaron wilde een park creëren waar de geschilderde landschapstuin van Giverny door Claude Monet bij zou verbleken. De Duitse landschapsarchitect Bernard Korte toverde het voormalige maïsveld om in een prachtig moeras met knoestige wilgen, veel groen en zompige vijvers. En architect Erwin Heerich kreeg vrijspel om het onderdak voor de kunstbelevenis te verzorgen. De kunst moest er hoogtij vieren, en er mochten geen verlichting, zichtbare bewaking, bordjes en uitleg zijn. Kunst moest weer een belevenis worden door het ontbreken van achtergrond en toelichting.

“Hier móeten jullie wel op je eigen waarneming vertrouwen”, zegt Goldschmidt. “Je bent hier niet gericht op tekst, dus ook niet geconditioneerd. Je kunt slechts kijken en zo je eigen oordeel vormen.”

Dat spreekt de studenten wel aan. Tweedejaars bouwkundestudent Jules Schoonman heeft zich erg op de dag verheugd. “Ik ga wel eens naar een museum, maar ik ken lang niet alle schilders die ik zie. Daardoor moet ik steeds naar de bordjes turen. Dat maakt een bezoek soms erg lastig. Ik weet niet of ik op mijn eigen waarneming moet vertrouwen, of op de bordjes. Want vind je iets mooi omdat je het mooi hoort te vinden, of spreekt het je ook echt aan, en waarom dan? Op de TU hoor je bij bouwkunde al helemaal niet na te denken over of je een gebouw mooi of lelijk vindt. Gebouwen zijn slechts functioneel. Het wordt je meteen afgeleerd om gebouwen op die manier te beoordelen. ‘Als je dat wilt, ga je maar naar de kunstacademie’, zeggen ze dan.” Michiel van Raaij, masterstudent bouwkunde, vindt die starre houding van de TU ook ‘erg jammer’. “Maar ja, het is niet voor niets een technische universiteit.”
Roestig

Eenmaal binnen in het museum trekken de studenten meteen de digitale camera’s tevoorschijn. Ze staren naar felgekleurde doeken en roestige werken. Vitrines met kunstvoorwerpen uit het oude China worden zorgvuldig bekeken. De steigerende paarden en onthoofde beeldjes lichten op door het flitslicht. De studenten dwalen door de kronkelgangen van het Labyrinthgebouw, om uiteindelijk uit te komen in het drassige park. Daar fotograferen ze opkomende felgekleurde lentebloemen. Kunst en natuur gaan in elkaar over; achter sommige schilderijen zitten kleine beestjes. Vlakbij een tekening van Rembrandt zit een spin, en onder een gezaagd kunstwerk zit een groene sprinkhaan. De ondertitel van het museum is niet voor niets ‘Kunst parallel aan de natuur’.

Een beetje rozig van het eerste warme lenteweer lopen de studenten langs grote roestige ridders door naar het volgende gebouw. Daar blijkt al gauw dat het technische brein niet volledig is uitgeschakeld. Hoewel de studenten de objecten veelvuldig fotograferen, gaan de gesprekken onderling lang niet altijd over kunst. “De muren zijn van gebruikt baksteen”, merken meerdere studenten op. Het blijkt geen uitzondering op de regel. Regelmatig wordt de architectuur van de verschillende gebouwen onder de loep genomen. Schoonman en Van Raaij discussiëren over het gebouw waar ze doorheen lopen. “Die muur is even dik als de houten balk erboven”, wijst Schoonman naar Van Raaij.

Ook een oude ketel krijgt uitgebreide aandacht. Het roestige ding lijkt verkeerd om te staan, met de ronde opening naar de grond gekeerd, waardoor de kikkervormige pootjes bovenop goed te zien zijn. De hersenen kraken. “De ketel kan daar nooit op steunen”, zegt Van Raaij gedecideerd. “En die kikkers zijn nog veel te gaaf om dat gewicht te hebben gedragen. Het zou een waar wonder zijn als dit de onderkant zou zijn.”

Het analytisch vermogen komt wéér bovendrijven bij het Tadeusz Pavillon. De studenten kunnen het niet laten om de twee schilderijen, die erg op elkaar lijken, lang met elkaar te vergelijken. De kunst verandert in een spelletje ‘zoek de verschillen’.

Maar het eiland Hombroich is voor de studenten vooral een zintuigenbelevenis. In het Graubner Pavillon, een ronde glasconstructie, hummen en zingen ze galmende echo’s. Vierdejaars industrieel ontwerpen Marjoleine van der Meij denkt alvast na over hoe ze haar indrukken van het museum in een ontwerp moet verwerken, wat het uiteindelijke doel van de masterclass is. “Ruiken, horen, zien, voelen. Alle zintuigen worden hier gestimuleerd. De kunst, de natuur, alles bij elkaar maakt dit eiland geweldig. Jammer dat er in Nederland geen soortgelijk museum is.”
Spanning

Hombroich is door de studenten niet in een kader te plaatsen. Hoewel ze opgaan in de kunst én de architectuur, is het de vraag of ze zonder bordjes en uitleg niet teveel zwemmen in de grote zee die kunst heet. Michiel van Raaij is dolenthousiast over de architectuur van het Schnecke Graphisches Kabinett, maar weet niet naar welke kunst hij kijkt. Hij heeft voornamelijk oog voor de dingen die hij wel kent: de architectuur. “Dit is een hoogstandje. Je ziet een hoekje, en denkt: hier is het. Maar dan komt er nog een hoekje. Ze hebben het spannend gemaakt. En daar in de hoek”, wijst hij naar schuine wanden die in een hoek samenkomen, “daar komt alle spanning samen.”

Wat in die speciale hoek aan de muur hangt, weet hij eigenlijk niet. De tekening van een ranke, slapende jonge vrouw met krullend haar en de letters G.K. zeggen hem niets. Ook bij het noemen van de naam haalt hij zijn schouders op. “Gustav Klimt? Is die bekend dan?”

Het verschil tussen een regulier museum en Eiland Hombroich lijkt niet zo groot als je een schilderij of een schilder niet kent. In beide gevallen treed je het schilderij open tegemoet. Maar wat is de meerwaarde als je op eiland Hombroich loopt, en Gustav Klimt niet kent? Op het museumeiland kun je slechts naar de tekening kijken en hem mooi of lelijk vinden, doorlopen en de naam direct weer vergeten. Geconditioneerd kijken en weten of onwetend beleven, dat is het dilemma voor de studenten.

Dit ‘vage denken’ bevalt de studenten goed. Want hoewel de meeste studenten feitenkennis missen, kijken ze open en enthousiast tegen kunst aan. Van Raaij en Schoonman volgden al eerder een masterclass bij Arnon Grunberg over ‘de techniek van het lijden’. Van Raaij maakte een boek dat zichzelf martelde door halverwege in brand te vliegen. Hij heeft bijna alles van Grunberg gelezen, en is samen met nog vier andere studenten bezig om een boek te schrijven over de techniek van het lijden. “Met inleiding van Arnon.” Van der Meij ging als zesjarige al met haar oom op museumontdekkingstocht, speelde als vierjarige viool en deed een jaar lang aan ballet. De masterclass vinden ze geweldig, maar Schoonman plaatst ook kritiek. “Ik denk dat de TU naïef is om te denken dat je studenten enthousiast maakt voor kunst met een dergelijke masterclass. Wij waren al enthousiast, wij deden al veel aan kunst. Onze zieltjes hoeven niet meer gewonnen te worden.” “Tijdens de lezing van Goldschmidt, afgelopen donderdag, zaten er alleen maar oude mensen in de zaal”, vult Van der Meij aan. “Het was gênant hoe weinig jongeren er waren.” Schoonman beaamt dat. “Als het over cultuur of kunst gaat, is er geen jongere te bekennen in Delft. Het is en blijft een technische universiteit.”

Kunst en natuur gaan in elkaar over.

img:repo_01.jpg

(Foto: Jules Schoonman)

img:repo_03.jpg

De studenten fotograferen alles wat ze tegenkomen.

img:repo_02.jpg

Goldschmidt wil de beta’s losweken van hun technische vooronderstellingen en alles wat praktisch en nuttig is. (Foto’s: Martine Zeijlstra)

Onthoofde en ontplofte standbeelden. Plechtig doormidden gebroken amuletten. Met stanleymes en spuitbus bewerkte museumdoeken. De openingslezing van gastschrijver Tijs Goldschmidt was geen geleerd betoog met kop en staart, maar een losse, persoonlijke vogelvlucht langs de kunstgeschiedenis, aan de hand van het thema ‘agressie tegen kunst’.

Gewapend met talloze foto’s liet Goldschmidt zien dat er duizend en één redenen zijn om een kunstwerk te vernietigen. Uit rouw, uit woede, uit kunstzinnigheid, of uit afkeer van een als heidens bestempelde beschaving. “Net als een przewalskipaard dat zijn geurvlag over de mest van zijn rivaal heen plaatst”, zo noemde Goldschmidt het feit dat veel vroege christenen en zendelingen hun kerken over oude heiligdommen heen bouwden en antieke kunstschatten hergebruikten als bouwmateriaal.

Of er ook kunst is die de beest losmaakt in schrijver, bioloog en kunstliefhebber Goldschmidt zelf, zo wilde interviewster Joyce Roodnat in het nagesprek weten. “Het is slechte kunst, nepkunst die mijn agressie opwekt”, aldus Goldschmidt. “Kunst die aan de muur van het crematorium hangt. Kunst die niets mag zijn en daarom ook niets is. Die kunst zou ik wel willen cremeren.”

Hoe vurig Goldschmidt ook had gehoopt op een jong publiek; juist de studenten waren opvallend slecht vertegenwoordigd tijdens het openingscollege. Wél komen opdagen: de masterclass van vorig jaar, compleet met hun docent Arnon Grunberg. Jammer dat er niet meer studenten waren, vonden ook de masterclassers. “Ik had niet gedacht dat het zo leuk zou zijn. Ze hebben echt wat gemist.”

Tijs Goldschmidt houdt zijn openingslezing. (Foto: Hans Stakelbeek/FMAX)

Tijdens de masterclass wil Tijs Goldschmidt de beta’s losweken van hun technische vooronderstellingen en alles wat praktisch en nuttig is. Kunst moet ervoor zorgen dat het ijzeren analytisch vermogen een dagje thuis blijft. Vaag denken is het motto, het eiland Hombroich het reisdoel.

Museumeiland Hombroich is opgericht in 1982 door Karl-Heinrich Múller. De oude eilandbaron wilde een park creëren waar de geschilderde landschapstuin van Giverny door Claude Monet bij zou verbleken. De Duitse landschapsarchitect Bernard Korte toverde het voormalige maïsveld om in een prachtig moeras met knoestige wilgen, veel groen en zompige vijvers. En architect Erwin Heerich kreeg vrijspel om het onderdak voor de kunstbelevenis te verzorgen. De kunst moest er hoogtij vieren, en er mochten geen verlichting, zichtbare bewaking, bordjes en uitleg zijn. Kunst moest weer een belevenis worden door het ontbreken van achtergrond en toelichting.

“Hier móeten jullie wel op je eigen waarneming vertrouwen”, zegt Goldschmidt. “Je bent hier niet gericht op tekst, dus ook niet geconditioneerd. Je kunt slechts kijken en zo je eigen oordeel vormen.”

Dat spreekt de studenten wel aan. Tweedejaars bouwkundestudent Jules Schoonman heeft zich erg op de dag verheugd. “Ik ga wel eens naar een museum, maar ik ken lang niet alle schilders die ik zie. Daardoor moet ik steeds naar de bordjes turen. Dat maakt een bezoek soms erg lastig. Ik weet niet of ik op mijn eigen waarneming moet vertrouwen, of op de bordjes. Want vind je iets mooi omdat je het mooi hoort te vinden, of spreekt het je ook echt aan, en waarom dan? Op de TU hoor je bij bouwkunde al helemaal niet na te denken over of je een gebouw mooi of lelijk vindt. Gebouwen zijn slechts functioneel. Het wordt je meteen afgeleerd om gebouwen op die manier te beoordelen. ‘Als je dat wilt, ga je maar naar de kunstacademie’, zeggen ze dan.” Michiel van Raaij, masterstudent bouwkunde, vindt die starre houding van de TU ook ‘erg jammer’. “Maar ja, het is niet voor niets een technische universiteit.”
Roestig

Eenmaal binnen in het museum trekken de studenten meteen de digitale camera’s tevoorschijn. Ze staren naar felgekleurde doeken en roestige werken. Vitrines met kunstvoorwerpen uit het oude China worden zorgvuldig bekeken. De steigerende paarden en onthoofde beeldjes lichten op door het flitslicht. De studenten dwalen door de kronkelgangen van het Labyrinthgebouw, om uiteindelijk uit te komen in het drassige park. Daar fotograferen ze opkomende felgekleurde lentebloemen. Kunst en natuur gaan in elkaar over; achter sommige schilderijen zitten kleine beestjes. Vlakbij een tekening van Rembrandt zit een spin, en onder een gezaagd kunstwerk zit een groene sprinkhaan. De ondertitel van het museum is niet voor niets ‘Kunst parallel aan de natuur’.

Een beetje rozig van het eerste warme lenteweer lopen de studenten langs grote roestige ridders door naar het volgende gebouw. Daar blijkt al gauw dat het technische brein niet volledig is uitgeschakeld. Hoewel de studenten de objecten veelvuldig fotograferen, gaan de gesprekken onderling lang niet altijd over kunst. “De muren zijn van gebruikt baksteen”, merken meerdere studenten op. Het blijkt geen uitzondering op de regel. Regelmatig wordt de architectuur van de verschillende gebouwen onder de loep genomen. Schoonman en Van Raaij discussiëren over het gebouw waar ze doorheen lopen. “Die muur is even dik als de houten balk erboven”, wijst Schoonman naar Van Raaij.

Ook een oude ketel krijgt uitgebreide aandacht. Het roestige ding lijkt verkeerd om te staan, met de ronde opening naar de grond gekeerd, waardoor de kikkervormige pootjes bovenop goed te zien zijn. De hersenen kraken. “De ketel kan daar nooit op steunen”, zegt Van Raaij gedecideerd. “En die kikkers zijn nog veel te gaaf om dat gewicht te hebben gedragen. Het zou een waar wonder zijn als dit de onderkant zou zijn.”

Het analytisch vermogen komt wéér bovendrijven bij het Tadeusz Pavillon. De studenten kunnen het niet laten om de twee schilderijen, die erg op elkaar lijken, lang met elkaar te vergelijken. De kunst verandert in een spelletje ‘zoek de verschillen’.

Maar het eiland Hombroich is voor de studenten vooral een zintuigenbelevenis. In het Graubner Pavillon, een ronde glasconstructie, hummen en zingen ze galmende echo’s. Vierdejaars industrieel ontwerpen Marjoleine van der Meij denkt alvast na over hoe ze haar indrukken van het museum in een ontwerp moet verwerken, wat het uiteindelijke doel van de masterclass is. “Ruiken, horen, zien, voelen. Alle zintuigen worden hier gestimuleerd. De kunst, de natuur, alles bij elkaar maakt dit eiland geweldig. Jammer dat er in Nederland geen soortgelijk museum is.”
Spanning

Hombroich is door de studenten niet in een kader te plaatsen. Hoewel ze opgaan in de kunst én de architectuur, is het de vraag of ze zonder bordjes en uitleg niet teveel zwemmen in de grote zee die kunst heet. Michiel van Raaij is dolenthousiast over de architectuur van het Schnecke Graphisches Kabinett, maar weet niet naar welke kunst hij kijkt. Hij heeft voornamelijk oog voor de dingen die hij wel kent: de architectuur. “Dit is een hoogstandje. Je ziet een hoekje, en denkt: hier is het. Maar dan komt er nog een hoekje. Ze hebben het spannend gemaakt. En daar in de hoek”, wijst hij naar schuine wanden die in een hoek samenkomen, “daar komt alle spanning samen.”

Wat in die speciale hoek aan de muur hangt, weet hij eigenlijk niet. De tekening van een ranke, slapende jonge vrouw met krullend haar en de letters G.K. zeggen hem niets. Ook bij het noemen van de naam haalt hij zijn schouders op. “Gustav Klimt? Is die bekend dan?”

Het verschil tussen een regulier museum en Eiland Hombroich lijkt niet zo groot als je een schilderij of een schilder niet kent. In beide gevallen treed je het schilderij open tegemoet. Maar wat is de meerwaarde als je op eiland Hombroich loopt, en Gustav Klimt niet kent? Op het museumeiland kun je slechts naar de tekening kijken en hem mooi of lelijk vinden, doorlopen en de naam direct weer vergeten. Geconditioneerd kijken en weten of onwetend beleven, dat is het dilemma voor de studenten.

Dit ‘vage denken’ bevalt de studenten goed. Want hoewel de meeste studenten feitenkennis missen, kijken ze open en enthousiast tegen kunst aan. Van Raaij en Schoonman volgden al eerder een masterclass bij Arnon Grunberg over ‘de techniek van het lijden’. Van Raaij maakte een boek dat zichzelf martelde door halverwege in brand te vliegen. Hij heeft bijna alles van Grunberg gelezen, en is samen met nog vier andere studenten bezig om een boek te schrijven over de techniek van het lijden. “Met inleiding van Arnon.” Van der Meij ging als zesjarige al met haar oom op museumontdekkingstocht, speelde als vierjarige viool en deed een jaar lang aan ballet. De masterclass vinden ze geweldig, maar Schoonman plaatst ook kritiek. “Ik denk dat de TU naïef is om te denken dat je studenten enthousiast maakt voor kunst met een dergelijke masterclass. Wij waren al enthousiast, wij deden al veel aan kunst. Onze zieltjes hoeven niet meer gewonnen te worden.” “Tijdens de lezing van Goldschmidt, afgelopen donderdag, zaten er alleen maar oude mensen in de zaal”, vult Van der Meij aan. “Het was gênant hoe weinig jongeren er waren.” Schoonman beaamt dat. “Als het over cultuur of kunst gaat, is er geen jongere te bekennen in Delft. Het is en blijft een technische universiteit.”

Kunst en natuur gaan in elkaar over.

img:repo_01.jpg

(Foto: Jules Schoonman)

img:repo_03.jpg

De studenten fotograferen alles wat ze tegenkomen.

img:repo_02.jpg

Goldschmidt wil de beta’s losweken van hun technische vooronderstellingen en alles wat praktisch en nuttig is. (Foto’s: Martine Zeijlstra)

Onthoofde en ontplofte standbeelden. Plechtig doormidden gebroken amuletten. Met stanleymes en spuitbus bewerkte museumdoeken. De openingslezing van gastschrijver Tijs Goldschmidt was geen geleerd betoog met kop en staart, maar een losse, persoonlijke vogelvlucht langs de kunstgeschiedenis, aan de hand van het thema ‘agressie tegen kunst’.

Gewapend met talloze foto’s liet Goldschmidt zien dat er duizend en één redenen zijn om een kunstwerk te vernietigen. Uit rouw, uit woede, uit kunstzinnigheid, of uit afkeer van een als heidens bestempelde beschaving. “Net als een przewalskipaard dat zijn geurvlag over de mest van zijn rivaal heen plaatst”, zo noemde Goldschmidt het feit dat veel vroege christenen en zendelingen hun kerken over oude heiligdommen heen bouwden en antieke kunstschatten hergebruikten als bouwmateriaal.

Of er ook kunst is die de beest losmaakt in schrijver, bioloog en kunstliefhebber Goldschmidt zelf, zo wilde interviewster Joyce Roodnat in het nagesprek weten. “Het is slechte kunst, nepkunst die mijn agressie opwekt”, aldus Goldschmidt. “Kunst die aan de muur van het crematorium hangt. Kunst die niets mag zijn en daarom ook niets is. Die kunst zou ik wel willen cremeren.”

Hoe vurig Goldschmidt ook had gehoopt op een jong publiek; juist de studenten waren opvallend slecht vertegenwoordigd tijdens het openingscollege. Wél komen opdagen: de masterclass van vorig jaar, compleet met hun docent Arnon Grunberg. Jammer dat er niet meer studenten waren, vonden ook de masterclassers. “Ik had niet gedacht dat het zo leuk zou zijn. Ze hebben echt wat gemist.”

Tijs Goldschmidt houdt zijn openingslezing. (Foto: Hans Stakelbeek/FMAX)

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.