Campus

Groene daken en Hollandse bergen

Te oordelen naar het jaarboek 1998-1999 is de faculteit Bouwkunde er een stuk duurzamer op geworden. Op 7 April bood Bouwkunde-decaan Hans Beunderman de eerste exemplaren van het facultaire jaarboek aan, aan de directeur van het NAi Kristin Feiress en de decaan van het Berlage-instituut Wiel Arets (zie kader).

Wederom is het jaarboek een staalkaart van het kunnen van wetenschappers en studenten van de faculteit. Over details van de vormgeving valt te twisten (citaten worden bijvoorbeeld weergegeven in afschuwelijke koeienletters), maar als geheel maakt het boek een verzorgde en zelfs luxueuze indruk.

Opvallend in vergelijking met eerdere edities is de nadruk op duurzaamheid en duurzaam bouwen. Volgens de visitatiecommissie van de opleiding bouwkunde is dat nog te weinig in het onderwijs terug te vinden. In het onderzoek begint de duurzaamheid inmiddels aardig door te sijpelen. Het thema sustainability (ook bij Bouwkunde is de voertaal Engels) is zelfs tot aparte sectie in het jaarboek gepromoveerd. Daarbinnen blijkt veel mogelijk. Ook het laten staan van gebouwen valt bijvoorbeeld onder de noemer ‘duurzaamheid’. Zo lezen we verhalen over huizenbouw in de oude technische school in Dordrecht en over de mogelijkheid flexibele werkplekconcepten onder te brengen in bestaande gebouwen. Ook de aanleg van ondergrondse parkeergarages en het plannen van landhuizen in polders heeft blijkens het boek duurzame aspecten.

Obstakel

Meer traditioneel duurzaam lijkt het pleidooi voor groene daken van Peter Teeuw. Volgens hem verdienen begroeide daken een wijdere verspreiding. Hoewel de TU de trend heeft gezet(zie het bibliotheekdak), worden de daken helaas nog steeds geassocieerd met ‘ecologische freaks’ en ‘back-to-nature-types’, klaagt Teeuw. Vreemd genoeg prijken ze niet in de lijst van maatregelen voor duurzame bouw. Facultair onderzoek heeft echter geleerd dat ze % mits goed geconstrueerd % belangrijke voordelen kunnen hebben. De daken reguleren de temperatuur en vochtigheid van de lucht enigszins en vangen regenwater op. Daarnaast, zo leren we, reflecteren ze stedelijk lawaai en vergroten ze de biodiversiteit in de stad. In Duitsland hebben ze dat eind jaren zeventig al begrepen en zijn er normen geformuleerd waaraan gras- en plantendaken moeten voldoen. In ons land ontbreken die nog steeds. Het belangrijkste obstakel zit echter aan de financiële kant: groene daken sneuvelen vaak op het moment dat de bouwbegroting dreigt te worden overschreden. Maar dat, zegt Teeuw, heeft meer met onwetendheid te maken dan met de gigantische kosten van het groene dak.

Gevangenis

Niet veranderd zijn de grootse architectonische enstedenbouwkundige visies, die vanuit de faculteit de wereld in gaan. Haalbaarheid lijkt daarbij niet altijd de eerste vereiste. Het jaarboek biedt daar enkele fraaie voorbeelden van. Janjaap Ruijssenaars ontwierp een gevangenis, die midden op de Dam opgetrokken zou moeten worden. Achterliggende gedachte van deze vondst is dat de misdadiger niet moet vervreemden van de maatschappij en het publiek geconfronteerd moet worden met de consequenties van rechtspraak.

Liefst twee bijdragen wagen zich aan de meest onmogelijke aller opgaven: het bewoonbaar maken van Schiphol. Frank van Manen en Metin van Zijl presenteren een concept voor een airport city met torens van verschillende hoogte. Samen vormen die torens een ‘Dutch mountain’. Onderin de flats is ruimte voor parkeergarages, bovenin voor kantoren. Daartussenin kunnen mensen wonen. Om het lawaai draaglijk te houden moeten de torens bekleed worden met geluidsabsorberend materiaal.

John van de Water maakt daar in zijn afstudeerproject ‘Schiphol-City’ geen probleem van: het geluidsniveau van Schiphol-centrum blijft nog onder het wettelijk toegestane maximum. Schiphol is voor hem een ideale woonomgeving, een stad zonder files, optimaal bereikbaar en met prachtige uitzichten. Van de Water schetst een woongebouw van vier torens met een atrium, dat tegelijk trappenhuis is. De muren tussen de individuele ruimtes zijn niet dragend en dus zijn er allerlei woonvormen mogelijk. Het woongebouw, ‘op een plek waar 103 landen elkaar ontmoeten’, kan volgens Van de Water worden gezien als een ‘diagonale global village, waar sociale interactie een keuze is’.

Het jaarboek illustreert het weer eens: de verbeelding krijgt nog steeds ruim baan bij Bouwkunde. Hopelijk hebben de Delftse afgestudeerden tijdens hun opleiding genoeg inspiratie opgedaan om daarna de saaiheid van het Nederlandse bouwen te lijf te kunnen gaan.

The architecture annual 1998-1999. Rotterdam 2000.

Gouden driehoek

De banden tussen de faculteit Bouwkunde, het Berlage-instituut voor postdoctoraal onderwijs en het Nederlands Architectuurinstituut worden verstevigd. Binnenkort zullen de faculteit en het Berlage-instituut al een samenwerkingsovereenkomst ondertekenen. Studenten van het Berlage-instituut krijgen daarbij de mogelijkheid bij Bouwkunde te promoveren, TU-studenten mogen aan master classes bij het Berlage-instituut deel gaan nemen.

Ook met het Nederlands Architectuur Instituut gaat Bouwkundeintensiever samenwerken. Delftse studenten krijgen toegang tot het NAi-documentatiecentrum. Eerder al werkte Bouwkunde mee aan een summer school van het NAi.

Bouwkunde-decaan prof.ir. H. Beunderman doopte de samenwerking al tot ‘Gouden Driehoek’, omdat straks het Berlage-instituut (nu nog Amsterdams) ook in Rotterdam gevestigd zal zijn. Dat klinkt nogal pretentieus: de vruchten van die driehoek moeten nog geplukt worden. Wel lijkt Bouwkunde hiermee % ook in de concurrentie met Eindhoven % een sterke troef in handen te hebben. (HA)

Op 7 April bood Bouwkunde-decaan Hans Beunderman de eerste exemplaren van het facultaire jaarboek aan, aan de directeur van het NAi Kristin Feiress en de decaan van het Berlage-instituut Wiel Arets (zie kader). Wederom is het jaarboek een staalkaart van het kunnen van wetenschappers en studenten van de faculteit. Over details van de vormgeving valt te twisten (citaten worden bijvoorbeeld weergegeven in afschuwelijke koeienletters), maar als geheel maakt het boek een verzorgde en zelfs luxueuze indruk.

Opvallend in vergelijking met eerdere edities is de nadruk op duurzaamheid en duurzaam bouwen. Volgens de visitatiecommissie van de opleiding bouwkunde is dat nog te weinig in het onderwijs terug te vinden. In het onderzoek begint de duurzaamheid inmiddels aardig door te sijpelen. Het thema sustainability (ook bij Bouwkunde is de voertaal Engels) is zelfs tot aparte sectie in het jaarboek gepromoveerd. Daarbinnen blijkt veel mogelijk. Ook het laten staan van gebouwen valt bijvoorbeeld onder de noemer ‘duurzaamheid’. Zo lezen we verhalen over huizenbouw in de oude technische school in Dordrecht en over de mogelijkheid flexibele werkplekconcepten onder te brengen in bestaande gebouwen. Ook de aanleg van ondergrondse parkeergarages en het plannen van landhuizen in polders heeft blijkens het boek duurzame aspecten.

Obstakel

Meer traditioneel duurzaam lijkt het pleidooi voor groene daken van Peter Teeuw. Volgens hem verdienen begroeide daken een wijdere verspreiding. Hoewel de TU de trend heeft gezet(zie het bibliotheekdak), worden de daken helaas nog steeds geassocieerd met ‘ecologische freaks’ en ‘back-to-nature-types’, klaagt Teeuw. Vreemd genoeg prijken ze niet in de lijst van maatregelen voor duurzame bouw. Facultair onderzoek heeft echter geleerd dat ze % mits goed geconstrueerd % belangrijke voordelen kunnen hebben. De daken reguleren de temperatuur en vochtigheid van de lucht enigszins en vangen regenwater op. Daarnaast, zo leren we, reflecteren ze stedelijk lawaai en vergroten ze de biodiversiteit in de stad. In Duitsland hebben ze dat eind jaren zeventig al begrepen en zijn er normen geformuleerd waaraan gras- en plantendaken moeten voldoen. In ons land ontbreken die nog steeds. Het belangrijkste obstakel zit echter aan de financiële kant: groene daken sneuvelen vaak op het moment dat de bouwbegroting dreigt te worden overschreden. Maar dat, zegt Teeuw, heeft meer met onwetendheid te maken dan met de gigantische kosten van het groene dak.

Gevangenis

Niet veranderd zijn de grootse architectonische enstedenbouwkundige visies, die vanuit de faculteit de wereld in gaan. Haalbaarheid lijkt daarbij niet altijd de eerste vereiste. Het jaarboek biedt daar enkele fraaie voorbeelden van. Janjaap Ruijssenaars ontwierp een gevangenis, die midden op de Dam opgetrokken zou moeten worden. Achterliggende gedachte van deze vondst is dat de misdadiger niet moet vervreemden van de maatschappij en het publiek geconfronteerd moet worden met de consequenties van rechtspraak.

Liefst twee bijdragen wagen zich aan de meest onmogelijke aller opgaven: het bewoonbaar maken van Schiphol. Frank van Manen en Metin van Zijl presenteren een concept voor een airport city met torens van verschillende hoogte. Samen vormen die torens een ‘Dutch mountain’. Onderin de flats is ruimte voor parkeergarages, bovenin voor kantoren. Daartussenin kunnen mensen wonen. Om het lawaai draaglijk te houden moeten de torens bekleed worden met geluidsabsorberend materiaal.

John van de Water maakt daar in zijn afstudeerproject ‘Schiphol-City’ geen probleem van: het geluidsniveau van Schiphol-centrum blijft nog onder het wettelijk toegestane maximum. Schiphol is voor hem een ideale woonomgeving, een stad zonder files, optimaal bereikbaar en met prachtige uitzichten. Van de Water schetst een woongebouw van vier torens met een atrium, dat tegelijk trappenhuis is. De muren tussen de individuele ruimtes zijn niet dragend en dus zijn er allerlei woonvormen mogelijk. Het woongebouw, ‘op een plek waar 103 landen elkaar ontmoeten’, kan volgens Van de Water worden gezien als een ‘diagonale global village, waar sociale interactie een keuze is’.

Het jaarboek illustreert het weer eens: de verbeelding krijgt nog steeds ruim baan bij Bouwkunde. Hopelijk hebben de Delftse afgestudeerden tijdens hun opleiding genoeg inspiratie opgedaan om daarna de saaiheid van het Nederlandse bouwen te lijf te kunnen gaan.

The architecture annual 1998-1999. Rotterdam 2000.

Gouden driehoek

De banden tussen de faculteit Bouwkunde, het Berlage-instituut voor postdoctoraal onderwijs en het Nederlands Architectuurinstituut worden verstevigd. Binnenkort zullen de faculteit en het Berlage-instituut al een samenwerkingsovereenkomst ondertekenen. Studenten van het Berlage-instituut krijgen daarbij de mogelijkheid bij Bouwkunde te promoveren, TU-studenten mogen aan master classes bij het Berlage-instituut deel gaan nemen.

Ook met het Nederlands Architectuur Instituut gaat Bouwkundeintensiever samenwerken. Delftse studenten krijgen toegang tot het NAi-documentatiecentrum. Eerder al werkte Bouwkunde mee aan een summer school van het NAi.

Bouwkunde-decaan prof.ir. H. Beunderman doopte de samenwerking al tot ‘Gouden Driehoek’, omdat straks het Berlage-instituut (nu nog Amsterdams) ook in Rotterdam gevestigd zal zijn. Dat klinkt nogal pretentieus: de vruchten van die driehoek moeten nog geplukt worden. Wel lijkt Bouwkunde hiermee % ook in de concurrentie met Eindhoven % een sterke troef in handen te hebben. (HA)

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.