Studentenraad, ondernemingsraad, college van bestuur; iedereen heeft de mond vol van het bindend studieadvies. Daar kwam vorige week nog een debat bij IO overheen. Voor- en tegenstander vonden elkaar niet.
Voor aanvang van de discussie lopen mensen heen-en-weer voor koffie en koekjes en vinden her en der al kleine voordiscussies plaats. “Heb je dit rapport uit eindhoven gelezen”, vraagt een docent aan één van zijn collega’s, wijzend op een stapel papier in zijn hand. “Ik wel, ik heb me goed voorbereid. Hier staan een hoop belangrijke cijfers in!”
Het ligt dus niet aan de wil van de deelnemers, dat er vandaag weinig nieuws te melden zal blijken over het bindend studieadvies (BSA). Aan de hand van vier stellingen gaan Daan van de Kamp (facultaire studentenraad, tegen) en Norbert Roozenburg (directeur onderwijs, voor) met elkaar en het publiek in discussie. Van de vier stellingen zijn de eerste drie te algemeen om tot nieuwe inzichten te komen (het BSA is dé oplossing om de student binnen één jaar op de juiste plek te krijgen; het BSA beperkt de ruimte voor ontplooiingsactiviteiten, waardoor veel studenten geen commissies of bestuur meer willen doen; het BSA stimuleert op een goede manier om harder te studeren).
In de discussie komen daarom alle greatest hits weer eens voorbij: de uitval moet naar voren, studenten worden in hun eerste jaar actief en durven door het BSA straks niet meer, de 30-punten norm is laag genoeg om ontplooiing desondanks mogelijk te maken, er moet een duidelijke hardheidsclausule komen voor bijzondere gevallen, studenten zullen ‘naar de norm’ gaan studeren, enzovoorts. Het enige originele geluid komt deze middag van van der Kamp, die stelt dat de TU een soort ‘exit poll’ zou moeten houden onder late uitvallers om te ontdekken waaróm zij stoppen. Zonder die informatie is volgens hem een maatregel als het BSA te voorbarig.
De vierde en laatste stelling blijkt specifieker en is toegespitst op de faculteit. IO-studenten moeten, volgens deze stelling, niet beoordeeld worden op het aantal behaalde ECTS, maar op kerncapaciteiten (één ontwerpoefening, één technisch vak; één vormgevend vak en één bedrijfskundig vak). Ondanks de originele invalshoek, leidt echter ook deze stelling tot weinig spannends: het nieuwe eerste jaar van IO (waar geen van de aanwezige studenten kennis van heeft), blijkt zo ingedeeld dat de kerncapaciteiten al goed verdeeld zijn. Studenten komen voordat zij hun BSA ontvangen dus al met alle aspecten in aanraking. Van der Kamp benadrukt vervolgens het belang van goede begeleiding bij het ontwerponderwijs, waar docenten snel kunnen zien hoe gemotiveerd hun studenten eigenlijk zijn. Op dit onderwerp blijken studenten en docenten elkaar dan eindelijk te vinden: een pilotproject voor betere begeleiding blijkt al gestart.
Uiteindelijk is de conclusie van deze door studievereniging i.d. georganiseerde middag simpel: weinig nieuws onder de zon. Toch kregen studenten en docenten die de discussie niet op de voet gevolgd hebben, een snel en helder overzicht van alle bekende argumenten. En voor alle anderen was er altijd nog een gezellige borrel na afloop.
Helaas geen internet versie van de rubriek mededelingen deze week in delta-online.
Het begint donderdag 5 februari al met de informele plaatsverdeling in ‘de kuil’, de in de vloer verzonken zaal in het pand van Industrieel Ontwerpen (IO). Studenten en docenten nemen voorafgaand aan een discussie over het bindend studieadvies (bsa) plaats aan weerszijden van het gangpad. Waarmee de toon direct gezet is: deze twee groepen gaan elkaar vandaag niet vinden.
Aan de hand van vier stellingen gaan Daan van de Kamp (facultaire studentenraad IO, tegen het bindend studieadvies) en Norbert Roozenburg (directeur onderwijs, voor) met elkaar en het publiek in discussie. Van de vier stellingen zijn de eerste drie te algemeen om tot nieuwe inzichten te komen (‘het bindend studieadvies (bsa) is dé oplossing om de student binnen één jaar op de juiste plek te krijgen’; ‘het bsa beperkt de ruimte voor ontplooiingsactiviteiten, waardoor veel studenten geen commissies of bestuur meer willen doen’; ‘het bsa stimuleert op een goede manier om harder te studeren’).
In de discussie komen daarom alle inmiddels oude argumenten weer eens voorbij: studenten durven straks niet meer actief aan het studentenleven mee te doen, de 30-punten norm is laag genoeg om ontplooiing desondanks mogelijk te maken, er moet een duidelijke hardheidsclausule komen voor bijzondere gevallen, studenten zullen ‘naar de norm’ gaan studeren, enzovoorts.
Het enige originele geluid komt deze middag van Van der Kamp, die stelt dat de TU een soort ‘exit poll’ zou moeten houden onder late uitvallers om te ontdekken waaróm zij stoppen. Zonder die informatie is volgens hem een maatregel als het bsa te voorbarig.
De vierde en laatste stelling is specifieker en is toegespitst op de faculteit. IO-studenten moeten volgens deze stelling niet beoordeeld worden op het aantal behaalde studiepunten, maar op kerncapaciteiten (één ontwerpoefening, één technisch vak; één vormgevend vak en één bedrijfskundig vak).
Ook deze stelling leidt echter tot weinig spannends: het nieuwe eerste jaar van IO blijkt zo ingedeeld dat de kerncapaciteiten al goed verdeeld zijn. Studenten komen voordat zij hun bsa ontvangen daardoor al met alle aspecten in aanraking.
Van der Kamp benadrukt vervolgens het belang van goede begeleiding bij het ontwerponderwijs, waar docenten makkelijker kunnen zien hoe gemotiveerd hun studenten eigenlijk zijn. Op dit onderwerp blijken studenten en docenten elkaar dan eindelijk te vinden: een pilotproject voor betere begeleiding is al gestart.
Uiteindelijk is de conclusie van deze middag simpel: weinig nieuws onder de zon. Al zijn alle argumenten wel weer eens helder samengebracht. En voor alle anderen rest slechts de borrel na afloop. Ook niks mis mee.
Comments are closed.