Het is niet de eerste keer dat ik mijn geweten tegen het lijf loop op de Brabantse Turfmarkt. Ze is gekleed in felgekleurde jas en gewapend met folders en inschrijfformulieren.
Tientallen meters voor de confrontatie dacht ik al na over mijn vluchtplan. Een straatje om? Achter die meneer met die grote paraplu lopen? Maar ook deze keer eindigde ik weer onnozel glimlachend tegenover een meisje dat mij vraagt: ,,Mag ik u wat vertellen over het werk van Novib?”
Snel bedenk ik argumenten om deze sluwe aanslag op mijn portemonnee te verijdelen. Eén: ik ben student, ik heb geen geld voor liefdadigheid. Twee: als ik ergens lid van wil worden, vraag ik daar zelf wel om. En drie: ach, het is toch allemaal zinloos, mijn paar euro’s zijn niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat.
Ik heb mijzelf overtuigd, ik vind dat ik mag doorlopen.
,,Doe voor mij geen moeite: Ik ben al lid”, antwoord ik. Natuurlijk lieg ik. Dat weet zij, dat weet ik. Het is een smoesje van het kaliber ‘Nee, het ligt niet aan jou, ik ben zelf gewoon nog niet toe aan een relatie.’ Laf, maar effectief.
Ze forceert een glimlach en draait zich dan om. Op zoek naar de volgende potentiële donateur. ,,Mevrouw”, probeert ze, ,,heeft u een minuutje voor…? Nee?”
Een stukje verder, in dezelfde straat, passeer ik een jongen voor een Canal Plus-standje. Voordat hij me iets kan vragen, zeg ik al: ,,Doe geen moeite: ik ben al lid.”
Maar deze keer lieg ik niet. Dat weet ik en % ik zie het in zijn ogen % dat weet hij. Hij steekt zijn duim op: ,,Klasse.”
En pas dan houdt mijn geweten me een spiegel voor. Ergens in mijn lichaam huist een monster, een materialistische veelvraat. Het hoont idealen weg, hijgt ‘hebbenhebbenhebben’ in mijn oor. Ik draai me om en zie het meisje met de Novib-jas staan. Het is maar dertig meter. Ik twijfel, het monster laat zich niet makkelijk temmen.
Het is niet de eerste keer dat ik mijn geweten tegen het lijf loop op de Brabantse Turfmarkt. Ze is gekleed in felgekleurde jas en gewapend met folders en inschrijfformulieren. Tientallen meters voor de confrontatie dacht ik al na over mijn vluchtplan. Een straatje om? Achter die meneer met die grote paraplu lopen? Maar ook deze keer eindigde ik weer onnozel glimlachend tegenover een meisje dat mij vraagt: ,,Mag ik u wat vertellen over het werk van Novib?”
Snel bedenk ik argumenten om deze sluwe aanslag op mijn portemonnee te verijdelen. Eén: ik ben student, ik heb geen geld voor liefdadigheid. Twee: als ik ergens lid van wil worden, vraag ik daar zelf wel om. En drie: ach, het is toch allemaal zinloos, mijn paar euro’s zijn niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat.
Ik heb mijzelf overtuigd, ik vind dat ik mag doorlopen.
,,Doe voor mij geen moeite: Ik ben al lid”, antwoord ik. Natuurlijk lieg ik. Dat weet zij, dat weet ik. Het is een smoesje van het kaliber ‘Nee, het ligt niet aan jou, ik ben zelf gewoon nog niet toe aan een relatie.’ Laf, maar effectief.
Ze forceert een glimlach en draait zich dan om. Op zoek naar de volgende potentiële donateur. ,,Mevrouw”, probeert ze, ,,heeft u een minuutje voor…? Nee?”
Een stukje verder, in dezelfde straat, passeer ik een jongen voor een Canal Plus-standje. Voordat hij me iets kan vragen, zeg ik al: ,,Doe geen moeite: ik ben al lid.”
Maar deze keer lieg ik niet. Dat weet ik en % ik zie het in zijn ogen % dat weet hij. Hij steekt zijn duim op: ,,Klasse.”
En pas dan houdt mijn geweten me een spiegel voor. Ergens in mijn lichaam huist een monster, een materialistische veelvraat. Het hoont idealen weg, hijgt ‘hebbenhebbenhebben’ in mijn oor. Ik draai me om en zie het meisje met de Novib-jas staan. Het is maar dertig meter. Ik twijfel, het monster laat zich niet makkelijk temmen.
Comments are closed.