Technofobie is hem vreemd, maar prof.dr.ir. Erik Jansen, hoogleraar computer graphics, omhelst niet blindelings alle hightech. ,,Nieuwe technologie ontwikkelen en toch voortdurend afvragen of het gebruik van die technologie wel zo wenselijk is % dat dilemma houdt me al zo’n dertig jaar bezig.’
‘
,,Technologie heeft een enorme impact op hoe we samenleven, met elkaar omgaan, wonen. Een katalysator van grote sociale veranderingen. Er bestaat tegenwoordig nauwelijks meer zoiets als lokale cultuur % weggevaagd door technologie. Maar heb ik heimwee naar vroeger? Nee.
Technologie is niet goed of slecht. Het gebruik van technologie kan slechte effecten hebben. Je kunt dat proberen af te remmen – brandstoffen duurder maken om de mensen minder auto te laten rijden. Maar mensen laten zich verworvenheden als mobiliteit niet meer afnemen.
Het is aan de politiek om te bepalen welke richting de technologie opgaat en hoe ver je mag gaan met bepaalde toepassingen. Maar ik zie eerlijk gezegd geen politiek draagvlak om, zeg, genetische manipulatie tegen te houden, omdat we niet voor god zouden mogen spelen. Ons democratisch bestel geeft technologie over het algemeen het voordeel van de twijfel, tenzij er rampen gebeuren. Het is wel aan de onderzoeker om criteria te bedenken waarmee je kunt bepalen of het gebruik van een technologie een goede of een slechte zaak is. Hoe ik zelf over genetische manipulatie denk? Riskant, maar ook een prachtige wetenschappelijke uitdaging. Ik zal niet snel een lijn trekken: tot hier en niet verder!”
Dylan
,,Op de middelbare zat ik voortdurend auto’s te tekenen en droomde ik ervan auto-ontwerper te worden. Delft was de logische keuze. Maar werktuigbouwkunde was in 1968 nog behoorlijk saai, er was weinig aandacht voor ontwerpen. Daarom stapte ik over naar IO.
Het was de tijd van de protesten tegen de Vietnamoorlog. Je ontwierp geen nieuw type elektrische tandenborstel, want zo’n luxeapparaat voldeed slechts aan een schijnbehoefte. We bouwden liever een systeem voor de Vietcong om de operatietafel te verlichten, dat had tenminste zin. En we lazen Herbert Marcuse, die het consumentisme van de ééndimensionale mens hekelde. Marcuse liet zien hoe de technologie de cultuur met een grote C – klassieke muziek, literatuur % tot op de bodem afbreekt ten gunste van de populaire cultuur. Ik deelde zijn analyse wel, maar ondertussen deden we natuurlijk zelf mee aan die trend, met onze liefde voor Dylan, Beatles en Stones.
Voor een jongen met een passie voor auto’s was die kritische blik op technologie nogal een ommezwaai. Voor mij geen auto meer. Auto’s zorgden maar voor vervuiling, files, verstopte steden. Ik probeerde te leven volgens een ideaal: jezelf ontwikkelen, en niet te veel afhankelijk zijn van het comfort dat de technologie biedt. Zelf gitaar spelen in plaats van een elpee opzetten. Toch bleef ik de ontwikkeling op autogebied volgen. Geheime liefde? Nou, laten we het een passieve belangstelling noemen.
Ik ontdekte dat ik het liefst onderzoek deed in een academische, intellectueel stimulerende omgeving. Ik heb ook een paar jaar bij een bedrijf gewerkt, maar dat draaide toch te veel om bouten en moeren. Ik miste het innovatief bezig zijn.
Toen ik eind jaren zeventig als onderzoeker aan de slag kon bij IO, dienden zich de eerste grafische mogelijkheden van de computer aan. Dat werd mijn onderzoeksgebied: modelleren en visualiseren van driedimensionale ontwerpen.
Na mijn promotie en een jaar in de Verenigde Staten als gastonderzoeker bij IBM, ben ik als hoogleraar informatica aangesteld aan de TU Delft. Het accent komt steeds meer op de dialoog tussen gebruiker en computer te liggen. Het opzetten van de nieuwe opleiding media- en kennistechnologie past in die ontwikkeling.
De computer wordt intelligenter, autonomer. Maar robots of computers die ons te slim af zijn, dat is zo’n overtrokken angst: Technophobia. De computer kan een aantal dingen heel goed, de mens blinkt weer uit in heel andere dingen.”
Bedreiging
,,Wat zijn nu de werkelijke behoeften van mensen? Die vraag uit mijn begintijd als IO-student blijft terugkomen, of het nu om auto’s of om internetten via je mobieltje gaat. Ik herken in het werk van de techniekfilosoof AlbertBorgmann wel sommige van mijn eigen ideeën. Hij ziet de techniek als een bedreiging voor samen dingen doen. Samen eten, of samen musiceren. Je ziet de sociale verbanden inderdaad verbrokkelen, en dat heeft de technologie wel op zijn geweten, ja
Maar Borgmann moet ook niets hebben van de ‘hyperrealiteit’: voortdurend bereikbaar zijn, en middels internet je werk constant bij de hand hebben. Ik heb daar eerlijk gezegd niet zo’n moeite mee. Misschien omdat ik steeds met mijn werk bezig ben. Ik zit als onderzoeker al sinds 1985 op internet, en heb nooit iets van vervreemding of andere negatieve effecten gemerkt. Nee, zelf ben ik somberder over het lawaai van Schiphol, de verloederende steden, de onaantrekkelijkheid van het openbaar vervoer.
Over de technologie van ons eigen virtual reality-onderzoek kan ik enthousiast raken. Neem bijvoorbeeld een projectietafel die driedimensionaal natuurkundige data visualiseert: door bijvoorbeeld het ontstaan van wolken te simuleren, kun je snel zien welke effecten optreden. Vroeger moest je je door een brij van moeilijk te interpreteren getallen worstelen.
Over tien jaar zou jij voor dit interview misschien als een driedimensionale projectie tegenover of naast me zitten, de ideale vorm van teleconferencing. Een nog nuttigere toepassing van 3D-projecties: brandweermensen die in een rokerige ruimte toch kunnen zien waar alles zich bevindt. Nee, over zulke technologie heb ik geen gemengde gevoelens.
Veel van dit soort onderzoek gebeurt voor militaire doeleinden. Mocht ik ooit een opdracht krijgen die een militair karakter draagt, dan zal ik die niet zonder meer weigeren. Ik heb daar minder moeite mee dan vroeger: oorlog voeren is technologie. Wat dat betreft ben ik wel veranderd ten opzichte van de dienstweigeraar van dertig jaar geleden. Ik denk nu dat ingrijpen van een leger soms een rechtvaardig doel kan dienen. Denk aan ex-Joegoslavië. Ik vind nog steeds dat de Verenigde Staten fout zaten in Vietnam, maar ze zijn veranderd. Ja, daar blijf ik bij, ook in deze tijd. Terrorisme is bedreigend. Ik kan de reactie van de Amerikanen goed begrijpen.”
Als ik de wetenschapsbijlage van de Volkskrant lees, sla ik alles over sterrenkunde en kwantummechanica over. Waar komt die fascinatie van anderen toch vandaan? Onbegrijpelijk. Tastbare dingen ontwerpen: apparaten, auto’s, medische technologie % dat is pas interessant, ook voor de buitenwereld. Daarom is het kortzichtig dat de TU zo sterk inzet op technologische hoogstandjes als nanotechnologie.
Nee, informatica heeft zijn beste tijd niet gehad. We zitten nu in een economische dip. Maar wat betreft elektronische diensten begint het nu pas echt. We hebben nog minstens vijftig prachtjaren voor de boeg.”
Motor
,,Ik heb sinds twee jaar weer een auto. De veertien jaar oude Alfa van mijn vader. Sentimental value. Hij is vorig jaar overleden.
Dat laatste jaar van zijn leven had ik die auto echt nodig om elke week mijn ouders te bezoeken. Steeds per trein en fiets van Voorschoten naar Loosdrecht, dat ging niet meer.
Ach, bij vakanties waren we al begonnen auto’s te huren, en dat jaar bij IBM in de Verenigde Staten kon ik zonder wagen mijn werk niet eens bereiken.
Het is wel een auto met een zescilinder drielitermotor, en nog zonder katalysator. Ja inderdaad, heel erg fout. Ik ben overigens nooit zo naïef geweest om te denken dat je in je eentje het milieuprobleem kon oplossen door zelf geen auto te rijden. Ik vond het ook gewoon prettiger om te fietsen, te wandelen, te lezen in de trein.
Ik ben wat soepeler geworden. Als je door mijn huis loopt, tref je nu dezelfde apparatuur aan als in elk ander huishouden. Ik heb zelfs een installatie om muziek digitaal op te nemen en te monteren. Ik heb er helaas wel een rsi-schouder aan over gehouden, want je zit constant met de muis te werken.”
Technofobie is hem vreemd, maar prof.dr.ir. Erik Jansen, hoogleraar computer graphics, omhelst niet blindelings alle hightech. ,,Nieuwe technologie ontwikkelen en toch voortdurend afvragen of het gebruik van die technologie wel zo wenselijk is % dat dilemma houdt me al zo’n dertig jaar bezig.”
,,Technologie heeft een enorme impact op hoe we samenleven, met elkaar omgaan, wonen. Een katalysator van grote sociale veranderingen. Er bestaat tegenwoordig nauwelijks meer zoiets als lokale cultuur % weggevaagd door technologie. Maar heb ik heimwee naar vroeger? Nee.
Technologie is niet goed of slecht. Het gebruik van technologie kan slechte effecten hebben. Je kunt dat proberen af te remmen – brandstoffen duurder maken om de mensen minder auto te laten rijden. Maar mensen laten zich verworvenheden als mobiliteit niet meer afnemen.
Het is aan de politiek om te bepalen welke richting de technologie opgaat en hoe ver je mag gaan met bepaalde toepassingen. Maar ik zie eerlijk gezegd geen politiek draagvlak om, zeg, genetische manipulatie tegen te houden, omdat we niet voor god zouden mogen spelen. Ons democratisch bestel geeft technologie over het algemeen het voordeel van de twijfel, tenzij er rampen gebeuren. Het is wel aan de onderzoeker om criteria te bedenken waarmee je kunt bepalen of het gebruik van een technologie een goede of een slechte zaak is. Hoe ik zelf over genetische manipulatie denk? Riskant, maar ook een prachtige wetenschappelijke uitdaging. Ik zal niet snel een lijn trekken: tot hier en niet verder!”
Dylan
,,Op de middelbare zat ik voortdurend auto’s te tekenen en droomde ik ervan auto-ontwerper te worden. Delft was de logische keuze. Maar werktuigbouwkunde was in 1968 nog behoorlijk saai, er was weinig aandacht voor ontwerpen. Daarom stapte ik over naar IO.
Het was de tijd van de protesten tegen de Vietnamoorlog. Je ontwierp geen nieuw type elektrische tandenborstel, want zo’n luxeapparaat voldeed slechts aan een schijnbehoefte. We bouwden liever een systeem voor de Vietcong om de operatietafel te verlichten, dat had tenminste zin. En we lazen Herbert Marcuse, die het consumentisme van de ééndimensionale mens hekelde. Marcuse liet zien hoe de technologie de cultuur met een grote C – klassieke muziek, literatuur % tot op de bodem afbreekt ten gunste van de populaire cultuur. Ik deelde zijn analyse wel, maar ondertussen deden we natuurlijk zelf mee aan die trend, met onze liefde voor Dylan, Beatles en Stones.
Voor een jongen met een passie voor auto’s was die kritische blik op technologie nogal een ommezwaai. Voor mij geen auto meer. Auto’s zorgden maar voor vervuiling, files, verstopte steden. Ik probeerde te leven volgens een ideaal: jezelf ontwikkelen, en niet te veel afhankelijk zijn van het comfort dat de technologie biedt. Zelf gitaar spelen in plaats van een elpee opzetten. Toch bleef ik de ontwikkeling op autogebied volgen. Geheime liefde? Nou, laten we het een passieve belangstelling noemen.
Ik ontdekte dat ik het liefst onderzoek deed in een academische, intellectueel stimulerende omgeving. Ik heb ook een paar jaar bij een bedrijf gewerkt, maar dat draaide toch te veel om bouten en moeren. Ik miste het innovatief bezig zijn.
Toen ik eind jaren zeventig als onderzoeker aan de slag kon bij IO, dienden zich de eerste grafische mogelijkheden van de computer aan. Dat werd mijn onderzoeksgebied: modelleren en visualiseren van driedimensionale ontwerpen.
Na mijn promotie en een jaar in de Verenigde Staten als gastonderzoeker bij IBM, ben ik als hoogleraar informatica aangesteld aan de TU Delft. Het accent komt steeds meer op de dialoog tussen gebruiker en computer te liggen. Het opzetten van de nieuwe opleiding media- en kennistechnologie past in die ontwikkeling.
De computer wordt intelligenter, autonomer. Maar robots of computers die ons te slim af zijn, dat is zo’n overtrokken angst: Technophobia. De computer kan een aantal dingen heel goed, de mens blinkt weer uit in heel andere dingen.”
Bedreiging
,,Wat zijn nu de werkelijke behoeften van mensen? Die vraag uit mijn begintijd als IO-student blijft terugkomen, of het nu om auto’s of om internetten via je mobieltje gaat. Ik herken in het werk van de techniekfilosoof AlbertBorgmann wel sommige van mijn eigen ideeën. Hij ziet de techniek als een bedreiging voor samen dingen doen. Samen eten, of samen musiceren. Je ziet de sociale verbanden inderdaad verbrokkelen, en dat heeft de technologie wel op zijn geweten, ja
Maar Borgmann moet ook niets hebben van de ‘hyperrealiteit’: voortdurend bereikbaar zijn, en middels internet je werk constant bij de hand hebben. Ik heb daar eerlijk gezegd niet zo’n moeite mee. Misschien omdat ik steeds met mijn werk bezig ben. Ik zit als onderzoeker al sinds 1985 op internet, en heb nooit iets van vervreemding of andere negatieve effecten gemerkt. Nee, zelf ben ik somberder over het lawaai van Schiphol, de verloederende steden, de onaantrekkelijkheid van het openbaar vervoer.
Over de technologie van ons eigen virtual reality-onderzoek kan ik enthousiast raken. Neem bijvoorbeeld een projectietafel die driedimensionaal natuurkundige data visualiseert: door bijvoorbeeld het ontstaan van wolken te simuleren, kun je snel zien welke effecten optreden. Vroeger moest je je door een brij van moeilijk te interpreteren getallen worstelen.
Over tien jaar zou jij voor dit interview misschien als een driedimensionale projectie tegenover of naast me zitten, de ideale vorm van teleconferencing. Een nog nuttigere toepassing van 3D-projecties: brandweermensen die in een rokerige ruimte toch kunnen zien waar alles zich bevindt. Nee, over zulke technologie heb ik geen gemengde gevoelens.
Veel van dit soort onderzoek gebeurt voor militaire doeleinden. Mocht ik ooit een opdracht krijgen die een militair karakter draagt, dan zal ik die niet zonder meer weigeren. Ik heb daar minder moeite mee dan vroeger: oorlog voeren is technologie. Wat dat betreft ben ik wel veranderd ten opzichte van de dienstweigeraar van dertig jaar geleden. Ik denk nu dat ingrijpen van een leger soms een rechtvaardig doel kan dienen. Denk aan ex-Joegoslavië. Ik vind nog steeds dat de Verenigde Staten fout zaten in Vietnam, maar ze zijn veranderd. Ja, daar blijf ik bij, ook in deze tijd. Terrorisme is bedreigend. Ik kan de reactie van de Amerikanen goed begrijpen.”
Als ik de wetenschapsbijlage van de Volkskrant lees, sla ik alles over sterrenkunde en kwantummechanica over. Waar komt die fascinatie van anderen toch vandaan? Onbegrijpelijk. Tastbare dingen ontwerpen: apparaten, auto’s, medische technologie % dat is pas interessant, ook voor de buitenwereld. Daarom is het kortzichtig dat de TU zo sterk inzet op technologische hoogstandjes als nanotechnologie.
Nee, informatica heeft zijn beste tijd niet gehad. We zitten nu in een economische dip. Maar wat betreft elektronische diensten begint het nu pas echt. We hebben nog minstens vijftig prachtjaren voor de boeg.”
Motor
,,Ik heb sinds twee jaar weer een auto. De veertien jaar oude Alfa van mijn vader. Sentimental value. Hij is vorig jaar overleden.
Dat laatste jaar van zijn leven had ik die auto echt nodig om elke week mijn ouders te bezoeken. Steeds per trein en fiets van Voorschoten naar Loosdrecht, dat ging niet meer.
Ach, bij vakanties waren we al begonnen auto’s te huren, en dat jaar bij IBM in de Verenigde Staten kon ik zonder wagen mijn werk niet eens bereiken.
Het is wel een auto met een zescilinder drielitermotor, en nog zonder katalysator. Ja inderdaad, heel erg fout. Ik ben overigens nooit zo naïef geweest om te denken dat je in je eentje het milieuprobleem kon oplossen door zelf geen auto te rijden. Ik vond het ook gewoon prettiger om te fietsen, te wandelen, te lezen in de trein.
Ik ben wat soepeler geworden. Als je door mijn huis loopt, tref je nu dezelfde apparatuur aan als in elk ander huishouden. Ik heb zelfs een installatie om muziek digitaal op te nemen en te monteren. Ik heb er helaas wel een rsi-schouder aan over gehouden, want je zit constant met de muis te werken.”
Comments are closed.