Campus

Leeggevist aquarium

Hij staat er een beetje ongemakkelijk bij, in zijn grijze jasje en grijze broek. Een paars sjaaltje hangt om zijn nek. Jan Wolkers (76) hoort hier niet.

Jan Wolkers hoort in de tuin te staan, tussen de kikkers, de padden en de regenwormen. Hij hoort met glasplaten, luciferdoosjes en koeienstront door zijn atelier te scharrelen. Of hij hoort achter zijn oude typmachine tienvingerig te typen met uitzicht op rondvliegende zwaluwen, die moeiteloos in zijn verhaal worden opgenomen. Maar hij hoort niet achter het spreekgestoelte in de fragiele atmosfeer van de collegezaal van Technische Bestuurskunde en Management.

Maar juist ómdat hij hier niet past, is hij uitgenodigd bij de managementworkshops met thema ‘Ict: smeermiddel of hinderpaal’, deze donderdagmiddag in mei bij technische bestuurskunde. Jan Wolkers staat hier om te vertellen over zijn ervaringen met het monster dat technologie heet.

Het wordt geen vurig pleidooi tegen alles dat knopjes heeft. Integendeel, Wolkers heeft eigenlijk niet zo veel tegen technologie. ,,Ik ben geen gekke kluizenaar. Mijn zoons doen van alles met de computer. Zij weten er heel veel vanaf. Zelf maak ik er nauwelijks gebruik van. Ze moeten me ook niet proberen te leren hoe ik een computer aan moet zetten. Ik zeg altijd: als je me dat leert, pak ik dat ding op en gooi ik het in de vijver.”

Wolkers moet er niet aan denken dat zijn boeken op zo’n ‘leeggevist aquarium’ tot stand moeten komen. ,,Iedereen kan een boek schrijven met een computer. Eén druk op de knop en je hebt een gedrukt velletje. Dan lijkt het meteen heel wat. Ik krijg regelmatig manuscripten thuisgestuurd van huisvrouwen, die hun jeugd in kaart gebracht hebben. Sigmund Freud is tot en met het kruidenrek gemeengoed geworden.”

En dan volgt het pleidooi voor de typmachine en het gedrukte boek. ,,Laatst zag ik in de krant een advertentie voor een laptop. Op het scherm stond de eerste pagina van Moby Dick. Toen heb ik dat boek uit mijn boekenkast gepakt. Het is toch heerlijk, zo’n boek waarin je kunt bladeren. De zeespetters lijken wel tussen de bladzijden uit te komen. Geef mij maar de gedrukte teksten. Ik loop ook graag naar de brievenbus om de krant eruit te halen. Dan wandel ik al lezend terug, en heb ik de keuze of ik met mijn krant in het mos of bij de open haard ga liggen, of zelfs op het toilet ga zitten.”

Wolkers’ pleidooi valt in goede aarde. Wanneer hij klaar is met zijn lezing loopt de zaal leeg. Maar nauwelijks buiten zetten de studenten hun mobiele telefoons aan, bij de computers in de hal vormt zich een rij. En Jan Wolkers? Die keert terug naar Texel. Naar de kikkers, de padden en de regenwormen.

Hij staat er een beetje ongemakkelijk bij, in zijn grijze jasje en grijze broek. Een paars sjaaltje hangt om zijn nek. Jan Wolkers (76) hoort hier niet. Jan Wolkers hoort in de tuin te staan, tussen de kikkers, de padden en de regenwormen. Hij hoort met glasplaten, luciferdoosjes en koeienstront door zijn atelier te scharrelen. Of hij hoort achter zijn oude typmachine tienvingerig te typen met uitzicht op rondvliegende zwaluwen, die moeiteloos in zijn verhaal worden opgenomen. Maar hij hoort niet achter het spreekgestoelte in de fragiele atmosfeer van de collegezaal van Technische Bestuurskunde en Management.

Maar juist ómdat hij hier niet past, is hij uitgenodigd bij de managementworkshops met thema ‘Ict: smeermiddel of hinderpaal’, deze donderdagmiddag in mei bij technische bestuurskunde. Jan Wolkers staat hier om te vertellen over zijn ervaringen met het monster dat technologie heet.

Het wordt geen vurig pleidooi tegen alles dat knopjes heeft. Integendeel, Wolkers heeft eigenlijk niet zo veel tegen technologie. ,,Ik ben geen gekke kluizenaar. Mijn zoons doen van alles met de computer. Zij weten er heel veel vanaf. Zelf maak ik er nauwelijks gebruik van. Ze moeten me ook niet proberen te leren hoe ik een computer aan moet zetten. Ik zeg altijd: als je me dat leert, pak ik dat ding op en gooi ik het in de vijver.”

Wolkers moet er niet aan denken dat zijn boeken op zo’n ‘leeggevist aquarium’ tot stand moeten komen. ,,Iedereen kan een boek schrijven met een computer. Eén druk op de knop en je hebt een gedrukt velletje. Dan lijkt het meteen heel wat. Ik krijg regelmatig manuscripten thuisgestuurd van huisvrouwen, die hun jeugd in kaart gebracht hebben. Sigmund Freud is tot en met het kruidenrek gemeengoed geworden.”

En dan volgt het pleidooi voor de typmachine en het gedrukte boek. ,,Laatst zag ik in de krant een advertentie voor een laptop. Op het scherm stond de eerste pagina van Moby Dick. Toen heb ik dat boek uit mijn boekenkast gepakt. Het is toch heerlijk, zo’n boek waarin je kunt bladeren. De zeespetters lijken wel tussen de bladzijden uit te komen. Geef mij maar de gedrukte teksten. Ik loop ook graag naar de brievenbus om de krant eruit te halen. Dan wandel ik al lezend terug, en heb ik de keuze of ik met mijn krant in het mos of bij de open haard ga liggen, of zelfs op het toilet ga zitten.”

Wolkers’ pleidooi valt in goede aarde. Wanneer hij klaar is met zijn lezing loopt de zaal leeg. Maar nauwelijks buiten zetten de studenten hun mobiele telefoons aan, bij de computers in de hal vormt zich een rij. En Jan Wolkers? Die keert terug naar Texel. Naar de kikkers, de padden en de regenwormen.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.