Campus

Men vindt het gek dat dit aan een universiteit wordt bestudeerd

De TU Delft is een van de weinige universiteiten met een baggerlaboratorium. In de nieuwe onderzoeksportefeuille is geen plaats meer voor het vak. Bij baggertechnologie staan ze er niet van te kijken.

br />
,,Het onderzoek in het baggeren-oude-stijl kent onvoldoende wetenschappelijke uitdaging en wordt omgebouwd naar deepwater dredging.” Zo stond het keihard en met een verkeerd voorzetsel in een besluit van de TU Delft. In maart van dit jaar besloot de TU zich te richten op dertien al dan niet ‘beoogde’ speerpunten zoals nanotechnologie, duurzame energie en levenswetenschappen. Die vormen samen de nieuwe onderzoeksportefeuille. Het gaat ten koste van een aantal eerlijke en traditionele bezigheden zoals koudetechniek, voertuigtechniek en baggertechnologie. Gevolg is dat mogelijk bij de sectie Baggertechnologie en Bulktransport van de afdeling Marine and Transport Technology van de faculteit Ontwerp, Constructie en Productie drie van de zes arbeidsplaatsen zullen verdwijnen.

Baggeren mag een vak van het grote gebaar zijn, het laboratorium is nog niet zo eenvoudig te vinden. In het uitgestrekte gebouw van OCP moet een route door vele klapdeuren worden gevolgd. Pas na enkele valse starts kom je in de juiste hal. Pontificaal in het midden van het Dredging Engineering Research Laboratory, zoals het tegenwoordig op zijn zondags heet, is een langwerpige bak gebouwd met iets erin dat met de beste wil van de wereld niet anders valt te omschrijven dan als: bagger – al spreekt de deskundige ook wel over slurry. In de hal wordt gelast aan een grofstoffelijke constructie in de buurt van de loopwagen die over de goot kan worden bewogen. Tussen de geluiden van hamers en haakse slijpschijven valt een gespreksflard op te vangen: ,, …misschien kan Chris hier even naar kijken, want die houdt zich bezig met erosie in pijpen…” Helemaal achterin de hal waar deze plezierig concrete bezigheden plaatsvinden is de kamer van de hoogleraar, die (de hoogleraar) kleiner is dan je van een baggertechnoloog zou verwachten.

Troon

De gestalte van prof.ir. Wim J. Vlasblom valt bijna in het niet bij de baggertroon, een aan hem opgedragen en uit baggerparafernalia vervaardigde leerstoel. Mooi is misschien niet de meest geëigende typering van het bizarre meubelstuk, hem geschonken door zijn vorige werkgever APC Marine, leerzaam is het wel. Je kunt er bijvoorbeeld van opsteken dat de keten van baggeremmers bovenaan de jakobsladder over een vijfhoekig rad loopt en onderaan over een zeshoekig rad.

Baggertechnologie wordt gezien als een nogal traditionele bezigheid en niet zonder reden. Baggeren doet de mensheid en het Nederlandse deel daarvan in het bijzonder immers lang, veel en graag. Een van de oudste uitvindingen waarvan we weet hebben is die van de ‘moddermolen’ uit 1589 door Cornelis Disksz Muys. Jacob Jacobsen verbeterde deze in 1622 tot een door paarden in plaats van mankracht aangedreven ‘rosmolen’. Eerlijkheidshalve moet worden toegegeven dat dit de enige twee Nederlandse baggervindingen zijn. De vertrouwde en sympathieke emmerbaggermolen en de subtiele baggerlepel zijn Franse uitvindingen, de Amerikanen tekenden voor de sleephopper- (1902) en de snijkopzuiger.

De wereldfaam van Nederland op baggergebied stamt uit het einde van de negentiende eeuw.Dat is vooral te danken aan de Nieuwe Waterweg (1872) en het Noordzeekanaal (1876) die werden gegraven met stoombaggermolens. Sliedrecht is, zoals iedereen weet, baggerhoofdstad van de wereld en de vestigingsplaats van ’s werelds enige baggermuseum. Overal in Nederland ‘zanikt bagger’, om een van de mooiste dichtregels van Lucebert te parafraseren.

,,Maar laten we vooral de Belgen niet vergeten!”, roept Vlasblom. Onze zuiderburen weten sinds enige tijd ook van wanten, al kent het Vlaams het woord ‘bagger’ niet. De Belgen, verklaart Vlasblom nogal ondiplomatiek, ,,hebben van alles van ons afgekeken” en beschikken daarom tegenwoordig vaak over betere ‘hardware’ dan de Nederlandse bedrijven. Nederland en ‘onze Belgische vrienden’ (Vlasblom) samen hebben bijna de helft van de wereldmarkt van de ‘natte waterbouw’ in handen. Het Belgische bedrijf met de fraaie en betrouwbaar klinkende naam ‘Jan de Nul’ is de snelst groeiende baggermaatschappij.

De Nederlandse ‘baggercluster’ – Boskalis en meer van dat soort klinkende namen – zet per jaar zo’n miljard euro om en houdt vijfduizend mensen aan het werk. In het bouwen van baggervaartuigen is de werf IHC Holland in Sliedrecht en Kinderdijk volstrekt heer en meester met maar liefst zestig procent van de wereldmarkt.

Natte vinger

De wetenschappelijke aandacht voor het baggerwezen stamt uit het begin van de vorige eeuw. De leerstoel waarop Vlasblom nu zetelt, stamt uit 1922. De eerste hoogleraar was prof.ir. C.M. van Wijngaarden. Het ging toen om ‘het vak der baggerwerktuigen’. Sterkte en slijtage van de vaartuigen waren de voornaamste begrippen en de emmerbaggermolen was het belangrijkste studieobject. Van Wijngaarden bleef maar liefst veertig jaar hoogleraar. In 1963 volgde prof.ir. W.A. Bos (de Bos van Boskalis) hem op.

De aandacht van het vakgebied verplaatste in de jaren vijftig van de baggermolen naar de sleephopperzuiger, een werktuig dat al aan het einde van de negentiende eeuw in de VS werd gebruikt. Pas vanaf eind jaren zestig van de vorige eeuw interesseert de bedrijfstak zich echt voor wetenschappelijke aanpak: er kwam een hbo-opleiding – in Groningen, merkwaardig genoeg – en een stichting Combinatie Speurwerk Baggertechniek zag in 1969 het levenslicht. Daarin werken een aantal grote bedrijven en het Waterloopkundig Laboratorium samen. Tot dan toe was de wetenschappelijke methode niet bepaald gemeengoed onder de baggeraars: de temperatuur van een centrifugaalpomp werd gemeten door er de hand op te leggen en analyseren van de grond ging letterlijk met de natte vinger: door ervan te proeven. Geen wonder dat baggeraannemers er bij het maken van een bestek geregeld met honderd procent naast zaten.

Innovatief van nature kun je de baggerwereld niet noemen en dat valt haar misschien niet kwalijk te nemen. Met innovatieve bevliegingen hebben baggeraars weinig plezierige ervaringen. Wie een baggeraar wil sarren, moet het verhaal oprakelen van de Simon Stevin, het ‘wandelende baggerplatform’ van tweehonderd meter lang dat Volker-Stevin in 1978 bij RSV liet bouwen. Het schitterende, achtpotige gevaarte werd begroot op bijna honderd miljoen euro, kostte uiteindelijk het dubbele, heeft nooit gebaggerd, en werd uiteindelijk roemloos gesloopt in Taiwan. Mede door het fiasco met de Simon Stevin werd het nooit veel met de deininggecompenseerde snijkopzuiger, het graafwiel en de splijtsleephopperzuiger, om maar een paar baggerideeën te noemen. Voor specialistische werktuigen is er gewoon onvoldoende werk.

Kermisachtig

Tegenwoordig gaat het in de baggerwetenschap niet in de eerste plaats om werktuigen, maar om processen. Daarmee is de in baggerkringen wereldbefaamde Delftse hoogleraar Jan de Koningin 1976 begonnen. De Koning legde ook de basis voor het huidige laboratorium en gaf de ‘doe-activiteit met kermisachtige uitstraling’ een wetenschappelijk fundament. Vlasblom (60, maar dat is hem niet aan te zien) is zijn opvolger en hoogleraar sinds 1994. Zijn motto is: proces en machine zijn niet te scheiden. Hoewel promoveren in de baggertechnologie geen usance is – getuige alleen al het gegeven dat geen van de hoogleraren doctor is – heeft Vlasblom twee promovendi afgeleverd.

Drie andere promovendi zijn momenteel bezig. Ir. Marco den Burger buigt zich over het gedrag van ruw materiaal zoals harde klei en rotsen op een blad van een snijkopzuiger. Ir. Cees van Rhee verdiept zich in de zogeheten overvloeiverliezen die kunnen optreden als met een sleephopperzuiger fijn zand wordt opgebaggerd. Omdat fijn zand niet snel genoeg bezinkt, spoelt het gewoon weer overboord. Dat prangt des te meer aangezien de sleephopperzuiger tegenwoordig hoe langer hoe meer voor grote projecten wordt gebruikt. Beide promovendi zijn gefinancierd door de industrie.

De derde promovendus, ir. Dingena L. Schott, geeft er invulling aan dat de groep voluit ‘sectie Baggertechnologie en Bulktransport’ heet. Ze bestudeert hoe je enorme hoeveelheden bulkmateriaal in zogeheten mammoetsilo’s kunt homogeniseren. Met materialen zoals steenkool en erts is daarvoor een bekende techniek, maar de industrie wil het ook graag kunnen met goedjes die de neiging hebben aan elkaar te kleven, zoals aardappelmeel. Schott werkt samen met een ingenieursbureau in Purmerend, dat over de hele wereld grote silo’s bouwt. Bulktransport is niet het enige aanpalende terrein: men mag de baggertechnoloog ook aanspreken als het gaat om het boren van tunnels.

Baggeren wordt niet aan veel andere universiteiten bestudeerd. Behalve de Delftse sectie is er het Center for Dredging Studies aan Texas A&M University. In China is de Hohai University in Changzhou en Nanjing van betekenis. Belangrijke onderwerpen in het hedendaagse baggeronderzoek zijn bijvoorbeeld het ontgassen van sedimenten, baggeren in diep water of bij sterke golfslag. Ook wint het winnen van beton- en metselzand door een diepe afdeklaag heen aan betekenis.

Diamant

Het is trouwens een veel voorkomend misverstand dat je voornamelijk zou baggeren om water uit te diepen. Dat is maar in weinig gevallen de reden. Het winnen van materiaal is veel belangrijker. Daarbij gaat het meestal om zand, maar het kan ook gaan om ertsen. In Namibië wordt zelfs gebaggerd naar diamanten. Vlasblom denkt aan de mogelijkheid om uit opgebaggerde sedimenten methaangas te winnen. De andere belangrijke reden om te baggeren is het winnen van nieuw land. Dat zijn de grootste, en commercieel interessantste werken. Voor zoiets spectaculairs als het buitengaatse vliegveld Chek Lap Kok van Hongkong, waarbij Vlasblom nauw betrokken is geweest, is tweehonderdvijftig miljoen kubieke meter grond verplaatst. In Singapore wordt op dit moment zelfs zevenhonderd miljoen kuub zand opgespoten.

De betekenis van baggeronderzoek in Nederland wordt misschien nog het beste onderstreept doordat er in Delft niet één, maar twee baggerlaboratoria zijn. Het in 1927 opgerichte Waterloopkundig Laboratorium heeft ook een baggergoot en een flinke ook. Eerlijk gezegd is de baggergoot van het Waterloopkundig Laboratorium beter dan die van de TU Delft en klopte het bedrijfsleven met zijn opdrachtonderzoek in het verleden vooral daar aan. ,,Onze baggergoot”, aldus een openhartige Vlasblom, ,,is een strop om onze nek. Hij is veel te duur, zeker nu de bijdrage voor deze infrastuctuur is komen te vervallen. Maar je kunt hem niet weg doen, want dan gaat er kennis van je weg.”

Dat de TU Delft de toch tamelijk unieke expertise niet in haar ‘portfolio’ van veelbelovende kennisgebieden heeft opgenomen, vermag Vlasblom niet te verbazen. Op zichzelf vindt hij het helemaal niet zo gek dat de TU Delft ‘de kussens eens opschudt’ door een nieuwe onderzoeksportefeuille op te stellen. ,,Men vindt het sinds jaar en dag al gek dat baggeren aan een universiteit wordt bestudeerd”, zegt hij. Misschien is het vakgebied ook te weinig uitgesproken, zo tussen werktuigbouwkunde, civiele techniek, mijnbouwkunde en scheepsbouwkunde in. ,,Ik zag met de nieuwe onderzoeksportefeuille de bui al hangen. In overleg met de decaan en de industrie is het onderzoeksprogramma omgebouwd naar deepwater dredging. Na de zoveelste veranderplannen hoop ik dat wij nu eens onze tijd mogen besteden aan onderzoek, want dat is er door alle plannen wel wat bij ingeschoten.”

De TU Delft is een van de weinige universiteiten met een baggerlaboratorium. In de nieuwe onderzoeksportefeuille is geen plaats meer voor het vak. Bij baggertechnologie staan ze er niet van te kijken.

,,Het onderzoek in het baggeren-oude-stijl kent onvoldoende wetenschappelijke uitdaging en wordt omgebouwd naar deepwater dredging.” Zo stond het keihard en met een verkeerd voorzetsel in een besluit van de TU Delft. In maart van dit jaar besloot de TU zich te richten op dertien al dan niet ‘beoogde’ speerpunten zoals nanotechnologie, duurzame energie en levenswetenschappen. Die vormen samen de nieuwe onderzoeksportefeuille. Het gaat ten koste van een aantal eerlijke en traditionele bezigheden zoals koudetechniek, voertuigtechniek en baggertechnologie. Gevolg is dat mogelijk bij de sectie Baggertechnologie en Bulktransport van de afdeling Marine and Transport Technology van de faculteit Ontwerp, Constructie en Productie drie van de zes arbeidsplaatsen zullen verdwijnen.

Baggeren mag een vak van het grote gebaar zijn, het laboratorium is nog niet zo eenvoudig te vinden. In het uitgestrekte gebouw van OCP moet een route door vele klapdeuren worden gevolgd. Pas na enkele valse starts kom je in de juiste hal. Pontificaal in het midden van het Dredging Engineering Research Laboratory, zoals het tegenwoordig op zijn zondags heet, is een langwerpige bak gebouwd met iets erin dat met de beste wil van de wereld niet anders valt te omschrijven dan als: bagger – al spreekt de deskundige ook wel over slurry. In de hal wordt gelast aan een grofstoffelijke constructie in de buurt van de loopwagen die over de goot kan worden bewogen. Tussen de geluiden van hamers en haakse slijpschijven valt een gespreksflard op te vangen: ,, …misschien kan Chris hier even naar kijken, want die houdt zich bezig met erosie in pijpen…” Helemaal achterin de hal waar deze plezierig concrete bezigheden plaatsvinden is de kamer van de hoogleraar, die (de hoogleraar) kleiner is dan je van een baggertechnoloog zou verwachten.

Troon

De gestalte van prof.ir. Wim J. Vlasblom valt bijna in het niet bij de baggertroon, een aan hem opgedragen en uit baggerparafernalia vervaardigde leerstoel. Mooi is misschien niet de meest geëigende typering van het bizarre meubelstuk, hem geschonken door zijn vorige werkgever APC Marine, leerzaam is het wel. Je kunt er bijvoorbeeld van opsteken dat de keten van baggeremmers bovenaan de jakobsladder over een vijfhoekig rad loopt en onderaan over een zeshoekig rad.

Baggertechnologie wordt gezien als een nogal traditionele bezigheid en niet zonder reden. Baggeren doet de mensheid en het Nederlandse deel daarvan in het bijzonder immers lang, veel en graag. Een van de oudste uitvindingen waarvan we weet hebben is die van de ‘moddermolen’ uit 1589 door Cornelis Disksz Muys. Jacob Jacobsen verbeterde deze in 1622 tot een door paarden in plaats van mankracht aangedreven ‘rosmolen’. Eerlijkheidshalve moet worden toegegeven dat dit de enige twee Nederlandse baggervindingen zijn. De vertrouwde en sympathieke emmerbaggermolen en de subtiele baggerlepel zijn Franse uitvindingen, de Amerikanen tekenden voor de sleephopper- (1902) en de snijkopzuiger.

De wereldfaam van Nederland op baggergebied stamt uit het einde van de negentiende eeuw.Dat is vooral te danken aan de Nieuwe Waterweg (1872) en het Noordzeekanaal (1876) die werden gegraven met stoombaggermolens. Sliedrecht is, zoals iedereen weet, baggerhoofdstad van de wereld en de vestigingsplaats van ’s werelds enige baggermuseum. Overal in Nederland ‘zanikt bagger’, om een van de mooiste dichtregels van Lucebert te parafraseren.

,,Maar laten we vooral de Belgen niet vergeten!”, roept Vlasblom. Onze zuiderburen weten sinds enige tijd ook van wanten, al kent het Vlaams het woord ‘bagger’ niet. De Belgen, verklaart Vlasblom nogal ondiplomatiek, ,,hebben van alles van ons afgekeken” en beschikken daarom tegenwoordig vaak over betere ‘hardware’ dan de Nederlandse bedrijven. Nederland en ‘onze Belgische vrienden’ (Vlasblom) samen hebben bijna de helft van de wereldmarkt van de ‘natte waterbouw’ in handen. Het Belgische bedrijf met de fraaie en betrouwbaar klinkende naam ‘Jan de Nul’ is de snelst groeiende baggermaatschappij.

De Nederlandse ‘baggercluster’ – Boskalis en meer van dat soort klinkende namen – zet per jaar zo’n miljard euro om en houdt vijfduizend mensen aan het werk. In het bouwen van baggervaartuigen is de werf IHC Holland in Sliedrecht en Kinderdijk volstrekt heer en meester met maar liefst zestig procent van de wereldmarkt.

Natte vinger

De wetenschappelijke aandacht voor het baggerwezen stamt uit het begin van de vorige eeuw. De leerstoel waarop Vlasblom nu zetelt, stamt uit 1922. De eerste hoogleraar was prof.ir. C.M. van Wijngaarden. Het ging toen om ‘het vak der baggerwerktuigen’. Sterkte en slijtage van de vaartuigen waren de voornaamste begrippen en de emmerbaggermolen was het belangrijkste studieobject. Van Wijngaarden bleef maar liefst veertig jaar hoogleraar. In 1963 volgde prof.ir. W.A. Bos (de Bos van Boskalis) hem op.

De aandacht van het vakgebied verplaatste in de jaren vijftig van de baggermolen naar de sleephopperzuiger, een werktuig dat al aan het einde van de negentiende eeuw in de VS werd gebruikt. Pas vanaf eind jaren zestig van de vorige eeuw interesseert de bedrijfstak zich echt voor wetenschappelijke aanpak: er kwam een hbo-opleiding – in Groningen, merkwaardig genoeg – en een stichting Combinatie Speurwerk Baggertechniek zag in 1969 het levenslicht. Daarin werken een aantal grote bedrijven en het Waterloopkundig Laboratorium samen. Tot dan toe was de wetenschappelijke methode niet bepaald gemeengoed onder de baggeraars: de temperatuur van een centrifugaalpomp werd gemeten door er de hand op te leggen en analyseren van de grond ging letterlijk met de natte vinger: door ervan te proeven. Geen wonder dat baggeraannemers er bij het maken van een bestek geregeld met honderd procent naast zaten.

Innovatief van nature kun je de baggerwereld niet noemen en dat valt haar misschien niet kwalijk te nemen. Met innovatieve bevliegingen hebben baggeraars weinig plezierige ervaringen. Wie een baggeraar wil sarren, moet het verhaal oprakelen van de Simon Stevin, het ‘wandelende baggerplatform’ van tweehonderd meter lang dat Volker-Stevin in 1978 bij RSV liet bouwen. Het schitterende, achtpotige gevaarte werd begroot op bijna honderd miljoen euro, kostte uiteindelijk het dubbele, heeft nooit gebaggerd, en werd uiteindelijk roemloos gesloopt in Taiwan. Mede door het fiasco met de Simon Stevin werd het nooit veel met de deininggecompenseerde snijkopzuiger, het graafwiel en de splijtsleephopperzuiger, om maar een paar baggerideeën te noemen. Voor specialistische werktuigen is er gewoon onvoldoende werk.

Kermisachtig

Tegenwoordig gaat het in de baggerwetenschap niet in de eerste plaats om werktuigen, maar om processen. Daarmee is de in baggerkringen wereldbefaamde Delftse hoogleraar Jan de Koningin 1976 begonnen. De Koning legde ook de basis voor het huidige laboratorium en gaf de ‘doe-activiteit met kermisachtige uitstraling’ een wetenschappelijk fundament. Vlasblom (60, maar dat is hem niet aan te zien) is zijn opvolger en hoogleraar sinds 1994. Zijn motto is: proces en machine zijn niet te scheiden. Hoewel promoveren in de baggertechnologie geen usance is – getuige alleen al het gegeven dat geen van de hoogleraren doctor is – heeft Vlasblom twee promovendi afgeleverd.

Drie andere promovendi zijn momenteel bezig. Ir. Marco den Burger buigt zich over het gedrag van ruw materiaal zoals harde klei en rotsen op een blad van een snijkopzuiger. Ir. Cees van Rhee verdiept zich in de zogeheten overvloeiverliezen die kunnen optreden als met een sleephopperzuiger fijn zand wordt opgebaggerd. Omdat fijn zand niet snel genoeg bezinkt, spoelt het gewoon weer overboord. Dat prangt des te meer aangezien de sleephopperzuiger tegenwoordig hoe langer hoe meer voor grote projecten wordt gebruikt. Beide promovendi zijn gefinancierd door de industrie.

De derde promovendus, ir. Dingena L. Schott, geeft er invulling aan dat de groep voluit ‘sectie Baggertechnologie en Bulktransport’ heet. Ze bestudeert hoe je enorme hoeveelheden bulkmateriaal in zogeheten mammoetsilo’s kunt homogeniseren. Met materialen zoals steenkool en erts is daarvoor een bekende techniek, maar de industrie wil het ook graag kunnen met goedjes die de neiging hebben aan elkaar te kleven, zoals aardappelmeel. Schott werkt samen met een ingenieursbureau in Purmerend, dat over de hele wereld grote silo’s bouwt. Bulktransport is niet het enige aanpalende terrein: men mag de baggertechnoloog ook aanspreken als het gaat om het boren van tunnels.

Baggeren wordt niet aan veel andere universiteiten bestudeerd. Behalve de Delftse sectie is er het Center for Dredging Studies aan Texas A&M University. In China is de Hohai University in Changzhou en Nanjing van betekenis. Belangrijke onderwerpen in het hedendaagse baggeronderzoek zijn bijvoorbeeld het ontgassen van sedimenten, baggeren in diep water of bij sterke golfslag. Ook wint het winnen van beton- en metselzand door een diepe afdeklaag heen aan betekenis.

Diamant

Het is trouwens een veel voorkomend misverstand dat je voornamelijk zou baggeren om water uit te diepen. Dat is maar in weinig gevallen de reden. Het winnen van materiaal is veel belangrijker. Daarbij gaat het meestal om zand, maar het kan ook gaan om ertsen. In Namibië wordt zelfs gebaggerd naar diamanten. Vlasblom denkt aan de mogelijkheid om uit opgebaggerde sedimenten methaangas te winnen. De andere belangrijke reden om te baggeren is het winnen van nieuw land. Dat zijn de grootste, en commercieel interessantste werken. Voor zoiets spectaculairs als het buitengaatse vliegveld Chek Lap Kok van Hongkong, waarbij Vlasblom nauw betrokken is geweest, is tweehonderdvijftig miljoen kubieke meter grond verplaatst. In Singapore wordt op dit moment zelfs zevenhonderd miljoen kuub zand opgespoten.

De betekenis van baggeronderzoek in Nederland wordt misschien nog het beste onderstreept doordat er in Delft niet één, maar twee baggerlaboratoria zijn. Het in 1927 opgerichte Waterloopkundig Laboratorium heeft ook een baggergoot en een flinke ook. Eerlijk gezegd is de baggergoot van het Waterloopkundig Laboratorium beter dan die van de TU Delft en klopte het bedrijfsleven met zijn opdrachtonderzoek in het verleden vooral daar aan. ,,Onze baggergoot”, aldus een openhartige Vlasblom, ,,is een strop om onze nek. Hij is veel te duur, zeker nu de bijdrage voor deze infrastuctuur is komen te vervallen. Maar je kunt hem niet weg doen, want dan gaat er kennis van je weg.”

Dat de TU Delft de toch tamelijk unieke expertise niet in haar ‘portfolio’ van veelbelovende kennisgebieden heeft opgenomen, vermag Vlasblom niet te verbazen. Op zichzelf vindt hij het helemaal niet zo gek dat de TU Delft ‘de kussens eens opschudt’ door een nieuwe onderzoeksportefeuille op te stellen. ,,Men vindt het sinds jaar en dag al gek dat baggeren aan een universiteit wordt bestudeerd”, zegt hij. Misschien is het vakgebied ook te weinig uitgesproken, zo tussen werktuigbouwkunde, civiele techniek, mijnbouwkunde en scheepsbouwkunde in. ,,Ik zag met de nieuwe onderzoeksportefeuille de bui al hangen. In overleg met de decaan en de industrie is het onderzoeksprogramma omgebouwd naar deepwater dredging. Na de zoveelste veranderplannen hoop ik dat wij nu eens onze tijd mogen besteden aan onderzoek, want dat is er door alle plannen wel wat bij ingeschoten.”

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.