In Nederland hebben universiteiten minder vrijheid dan in veel andere Europese landen. Ze hebben weinig te zeggen over collegegeld en instroom van studenten. De Europese vereniging van universiteiten zou het liever anders zien.
In Estland en Groot-Brittannië kennen universiteiten de meeste autonomie en in Griekenland de minste, blijkt uit de ‘autonomy scorecard’ van de European University Association (EUA). In het rapport worden de universitaire stelsels in 26 Europese landen met elkaar vergeleken: hoeveel vrijheid hebben de universiteiten in hun organisatie, financiën, personeelsbeleid en academische structuur?
Vooral op dat laatste punt scoort Nederland laag met een 23e plaats. Alleen in Hongarije, Turkije, Litouwen, Griekenland en Frankrijk hebben universiteiten nog minder te zeggen over studentenaantallen, toelatingscriteria en het aanbieden en schrappen van opleidingen.
Die lage score is te verklaren doordat alle Nederlandse opleidingen gekeurd en herkeurd moeten worden door de NVAO om bekostiging te krijgen. In een flink aantal Europese landen is de kwaliteitsbewaking minder streng.
De EUA pleit ervoor om universiteiten hun eigen toelatingscriteria te laten kiezen. Ook waarschuwt ze dat universiteiten niet te veel aan banden moeten worden gelegd. Meer verantwoordingsmechanismen kunnen goed zijn, maar ook voor onnodige bemoeienis en bureaucratie zorgen. Overheden kunnen universiteiten beter aanmoedigen om hun interne controles te versterken, stelt de EUA.
Op de andere gebieden die in het rapport aan bod komen, scoort Nederland hoger. Nederlandse universiteiten mogen zelf weten hoeveel bestuurslagen en faculteiten ze hebben. Ook benoemen ze zelf het college van bestuur. In hun financiële huishouding hebben ze eveneens veel vrijheid: ze mogen geld opzij zetten en lenen, en kunnen het collegegeldtarief voor bepaalde groepen studenten zelf vaststellen. Daarmee staan ze op de vijfde plek.
Wat betreft personeelsbeleid staat Nederland op een gedeelde dertiende plaats. Dat de universiteiten hierop niet hoger scoren heeft ermee te maken dat salarissen en arbeidsvoorwaarden worden vastgelegd in een cao.
Hij hield een toespraak ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig jubileum van universiteitenvereniging VSNU. “Ik heb helaas geen Sinterklaascadeautjes bij me”, grapte Zijlstra, die momenteel onder vuur ligt vanwege de bezuinigingen op het hoger onderwijs.
Bezuinigingsbeleid Lubbers
De VVD-staatssecretaris zag overeenkomsten tussen de recessie van de jaren tachtig, toen de VSNU werd opgericht, en de economische tegenspoed van vandaag. Hij wees erop dat het krachtige bezuinigingsbeleid van CDA-premier Ruud Lubbers achteraf steeds meer is geprezen. “In tijden van crisis moeten we allemaal een pas op de plaats maken of een stapje terug doen.”
Serieus nemen
Daarmee oogstte hij geen applaus van de universiteitsbestuurders. Maar hij drukte hen op het hart dat hij hen serieus neemt en dat het kabinet het belang inziet van hun universiteitenvereniging. Ook hoopte hij samen de systeemverandering te kunnen doorvoeren die de commissie Veerman bepleit, met selectie van studenten en verregaande profilering van onderwijsinstellingen.
Elfstedentocht
Overigens kon hij zich de oprichting van de VSNU niet meer herinneren: “Ik zat destijds op de middelbare school. De Elfstedentocht maakte meer indruk op me. Net als Wubbo Ockels, de eerste Nederlander in de ruimte. En Joop Zoetemelk die wereldkampioen wielrennen werd, terwijl niemand dat nog had verwacht.”
Uitholling
Zijlstra reageerde niet op kritiek van voormalig onderwijsminister Wim Deetman, die eerder op de dagsprak. Volgens Deetman is de studiefinanciering intussen te veel uitgehold. De staatssecretaris arriveerde pas toen hij zelf moest spreken en had de toespraak van Deetman niet gehoord.
Comments are closed.