Campus

Spagaat

Ik ben begonnen met afstuderen; het begin van het einde van mijn studentenleven. Opeens ben ik forens, reis elke dag van woonplaats naar werkplaats en weer terug.

Daar sta ik in de trein. Het ruikt naar doucheschuim en deodorant. Ik zie mijzelf tussen mijn nieuwe lotgenoten in de reflectie van het raam. Ze bladeren % net als ik – slaperig in Spits of Metro. Angst grijpt me naar de keel: ik lijk op hen, verdomme ik lijk op hen. Mijn hele studententijd leek de kloof tussen ‘wij de studenten’ en ‘zij de burgers’ onoverbrugbaar. Ben ik na drie weken forenzen ongemerkt getransformeerd? Is het nu opeens ‘wij de burgers’?

We klagen als de trein stilstaat vanwege een seinstoring, we gaan onze overstap missen. Op het werk zitten we achter onze computers en klikken en tikken. Tijdens de lunch zitten we aan onze vaste tafel (die precies hetzelfde is als alle andere) en praten over promoties, files en tuinieren. We adviseren elkaar waar we de beste hypotheek kunnen krijgen. Om half zes nemen we de trein terug. Weer geen zitplaats. We ruiken naar koffie en kantoorzweet. Pas als ik thuis mijn huisgenoten op het dakterras zie niksen in de avondzon voel ik mij weer een beetje mezelf, een beetje student. Wat nou ‘wij de burgers’? Het is ‘wij de studenten’! We trekken flesjes Grolsch uit het plastic zwembadje dat we op de vrijmarkt voor tien eurocent gekocht hebben. We praten over de liefde, over angst, over verwachtingen. We lachen. Veel en hardop. Vallen slechts even stil als er een huisgenote in bikini langsloopt. We vinden dat het leven niet mooier dan hier en nu kan zijn.

Maar als de klok op de markt twaalf uur slaat, forceert mijn rolconflict me in de zoveelste pijnlijke spagaat. Onder luid boegeroep laat ik de zalige oase van ‘wij de studenten’ achter me, want ‘wij de burgers’ moeten morgen vroeg weer op.

Ik ben begonnen met afstuderen; het begin van het einde van mijn studentenleven. Opeens ben ik forens, reis elke dag van woonplaats naar werkplaats en weer terug. Daar sta ik in de trein. Het ruikt naar doucheschuim en deodorant. Ik zie mijzelf tussen mijn nieuwe lotgenoten in de reflectie van het raam. Ze bladeren % net als ik – slaperig in Spits of Metro. Angst grijpt me naar de keel: ik lijk op hen, verdomme ik lijk op hen. Mijn hele studententijd leek de kloof tussen ‘wij de studenten’ en ‘zij de burgers’ onoverbrugbaar. Ben ik na drie weken forenzen ongemerkt getransformeerd? Is het nu opeens ‘wij de burgers’?

We klagen als de trein stilstaat vanwege een seinstoring, we gaan onze overstap missen. Op het werk zitten we achter onze computers en klikken en tikken. Tijdens de lunch zitten we aan onze vaste tafel (die precies hetzelfde is als alle andere) en praten over promoties, files en tuinieren. We adviseren elkaar waar we de beste hypotheek kunnen krijgen. Om half zes nemen we de trein terug. Weer geen zitplaats. We ruiken naar koffie en kantoorzweet. Pas als ik thuis mijn huisgenoten op het dakterras zie niksen in de avondzon voel ik mij weer een beetje mezelf, een beetje student. Wat nou ‘wij de burgers’? Het is ‘wij de studenten’! We trekken flesjes Grolsch uit het plastic zwembadje dat we op de vrijmarkt voor tien eurocent gekocht hebben. We praten over de liefde, over angst, over verwachtingen. We lachen. Veel en hardop. Vallen slechts even stil als er een huisgenote in bikini langsloopt. We vinden dat het leven niet mooier dan hier en nu kan zijn.

Maar als de klok op de markt twaalf uur slaat, forceert mijn rolconflict me in de zoveelste pijnlijke spagaat. Onder luid boegeroep laat ik de zalige oase van ‘wij de studenten’ achter me, want ‘wij de burgers’ moeten morgen vroeg weer op.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.