Campus

Speuren naar stijgende luchtstromen

Ze zitten zo vaak in een zweefvliegtuig dat gewoon rechtdoor vliegen ze soms verveelt. De leden van de Delftsche Studenten Aeroclub wijzen Delta-verslaggever Dennis Rijnvis de weg in het luchtruim.

Over de kick van een looping, het belang van wolken en de trucs die misselijkheid voorkomen.

Of ik wel eens gevlogen heb. Natuurlijk wel. Maar als iemand van de Delftsche Studenten Aeroclub (DSA) je die vraag stelt, doelt hij niet op vakantietripjes: vluchten waarbij je onderuitgezakt in je stoel de laatste bioscoopfilms bekijkt. Enkele tientallen leden van de studentenvereniging liggen op deze zaterdag languit op het immense grasveld van zweefvliegcentrum Terlet in Arnhem. Sommigen brengen hier het grootste deel van hun vrije tijd door: keuvelend, soms met een studieboek opengeslagen voor zich, en altijd een koelbox met frisdrank en brood binnen handbereik. De rustige picknick wordt alleen af en toe onderbroken door een opgewonden gesprek. Dan zijn er weer enkele DSA’ers teruggekeerd uit het luchtruim en maakt een nieuw groepje zich op voor een tochtje per zweefvliegtuig.

Zweefvliegen is nauwelijks te vergelijken met een vlucht in een motorvliegtuig. Het heeft iets laagdrempeligs: je stapt in een krappe tweepersoonscabine, snoert jezelf vast in je stoel, wacht totdat het vliegtuigje de lucht in wordt getrokken, en vervolgens bestuur je het toestel met een kleine stuurknuppel tussen je knieën. ,,Maar daar hoef jij niet aan te komen”, zegt Duco Kaasjager, de piloot op mijn eerste zweefvlucht. ,,Die bestuur ik wel.”

Snel legt de student werktuigbouwkunde uit wat de wijzertjes en tellertjes aangeven, die op het dashboard voor mijn neus zitten. ,,Maar eigenlijk kun je beter niet op die gegevens letten”, zegt hij daarna. ,,Kijk maar gewoon naar buiten, dat is veel leuker.”

Hij neemt plaats op de stoel voor me. De klep van de cabine gaat dicht. Door het glas zie ik een kluwen kabel op het grasveld liggen, die steeds verder wordt afgewikkeld. ,,Die kabel zit vast aan een lier, die ons zodadelijk met tweehonderd kilometer per uur vooruit trekt”, zegt Duco. ,,Door die snelheid stijgt het vliegtuigje vanzelf op.”

Legertruck

De lier waar Duco het over heeft, staat ongeveer een kilometer verderop in het grasveld. Dertig jaar geleden hebben TU-studenten de machine zelf in elkaar gezet, met onderdelen van een oude legertruck en een driehonderd pk motor. Ze bouwden uiteindelijk de krachtigste lier van Nederland. Die titel is het apparaat inmiddels kwijt, maar de tachtig leden van DSA maken nog dankbaar gebruik van zijn trekvermogen.

,,Het mooie van zweefvliegen is dat je zo vaak kunt opstijgen als je maar wilt”, zegt Ilja Achterberg, secretaris van de zweefvliegvereniging. ,,Er zit geen motor in een toestel, dus je hebt ook geen last van oplopende benzinekosten. Je kunt leren vliegen zonder dat je duizenden guldens kwijt bent.”

De start van mijn eerste zweefvlucht is voorbij voordat ik het weet. ,,Kijk, nu komen we los”, zegt Duco, terwijl het toestel over het grasveld dendert. ,,Binnen dertig seconden zitten we op een hoogte van zo’n vierhonderd meter.”

En dan begint het echte werk pas voor de piloot. Terwijl ik geniet van de strak blauwe hemeldie een eindeloos uitzicht biedt op de omgeving van Arnhem, zoekt Duco naar wolken. ,,Een wolk is eigenlijk een stijgende luchtstroom die aan het condenseren is”, legt hij uit. ,,Als wij in die stroom gaan vliegen, winnen we hoogte.”

Speuren naar stijgende, of thermische lucht: dat is het geheim van zweefvliegen. Vindt Duco een geschikte wolk, dan blijft hij er enkele minuten onder cirkelen, om zoveel mogelijk van de luchtstroom te profiteren. Hoe meer hoogte hij wint, des te langer kunnen we doorvliegen. Een vlucht kan op deze manier zelfs zo’n acht uur gerekt worden, totdat de zon onder gaat en de thermische lucht schaarser wordt.

De zogenoemde variometer die in het toestel zit, gaat regelmatiger piepen naarmate het vliegtuig sneller stijgt. Duco is eraan gewend, hij maakt vandaag zijn 398ste zweefvlucht. ,,Een vrolijk geluidje hè, dat gepiep. Volgens mij hebben ze die variometer expres zo gemaakt: hoe hoger je komt, hoe vrolijker je wordt.”

Misselijk

Tijdens echte zweefvliegwedstrijden zoeken de bestuurders van de toestellen echter heel wat minder ontspannen naar een stijgende luchtbellen. DSA-lid Roelant van der Bos nam dit jaar voor het eerst deel aan zo’n krachtmeting met ander piloten. ,,De tijd die je besteedt aan het winnen van hoogte, is eigenlijk verloren tijd in zo’n wedstrijd”, vertelt hij. ,,Je moet nu eenmaal een bepaalde afstand afleggen. Het gaat er dus vooral om dat je snel stijgt. Je moet daarom goed letten op de gebieden waar je overheen vliegt. In een stad wordt het bijvoorbeeld snel warm en omdat warme lucht nu eenmaal omhoog wil, vind je boven een stedelijk gebied sterkere thermische stromen dan boven een koel loofbos dat ernaast ligt.”

Halverwege mijn eigen vlucht begrijp ik waarom Duco heeft gezegd dat ik vooral naar buiten moet blijven kijken. Nadat we al cirkelend van 700 naar 1400 meter hoogte zijn geklommen, begint mijn maag op te spelen. ,,Het is net als in een auto”, zegt Duco. ,,Je moet kijken waar je naartoe gaat, dan is er weinig aan de hand.”

Als we de 1600 meter hebben bereikt, vindt Duco het genoeg. Vanaf deze hoogte vliegen we op volle kracht door naar Apeldoorn. ,,Ik heb een goede vriend die in Apeldoorn woont”, zegt de piloot. ,,Een grappig idee dat ik al tientallen keren boven zijn huis heb gevlogen.” Ik probeer een plotselinge golf van misselijkheid te onderdrukken en tegelijkertijd ‘ja’ te zeggen. Maar Duco vuurt alweer een nieuwe vraag af. ,,We hebben nu een hele tijd gewoon rechtdoor gevlogen. Zullen we nog even wat rare toeren uithalen met het toestel?”

Capriolen

Kunstvliegen is een aparte discipline binnen het zweefvliegen. Wie aan wedstrijden wil deelnemen moet iedere dag trainen op vreemde capriolen in de lucht, zoals de looping en de vrije val. De leden van DSA beoefenen die kunstvormen dan ook vooral voor de kick.

,,Als je een vliegtuig een looping ziet maken is dat iets fantastisch”, vertelt Roelant me, vlak voordat ik mijn eerste vlucht maak. ,,Als je weet dat je zelf een looping maakt, is dat nog veel mooier.”

,,Je maag op z’n kop zetten, dat is toch hartstikke leuk”, zegt zijn verenigingsgenote Claire Boonstra. ,,Je maakt loopings, kurkentrekkers. Het is net als in de achtbaan, alleen bepaal je zelf hoe deze achtbaan loopt.”

Op de grond lijkt die uitleg heel overtuigend, maar eenmaal in het luchtruim klinkt het vooruitzicht van vrije vallen en loopings me niet zo aanlokkelijk meer in de oren. ,,Als je misselijk wordt, kunnen we dat stuntwerk beter overslaan en teruggaan naar het vliegveld”, zegtpiloot Duco. Ik volg zijn advies gretig op.

Verstandig, zo blijkt na de landing. Op het grasveld van Terlet kom ik Roelant weer tegen. Hij is ook net terug van zijn vlucht, en poetst de binnenkant van een vliegtuig met een natte doek. ,,Ik had ook een passagier aan boord die haar eerste vlucht maakte, maar het werd haar iets te veel”, vertelt hij. ,,Vlak voor de landing moest ze overgeven. Dat gebeurt vaker bij mensen die nog nooit in een zweefvliegtuig hebben gezeten. Als piloot concentreer je je puur op het besturen van het toestel. Zelf vliegen is zo’n bijzondere ervaring: je hebt gewoon geen tijd om misselijk te worden.”

Zweefvliegen is geen extreem dure sport. Een volledig startabonnement kost weliswaar 370 euro, maar voor dat bedrag kun je een onbeperkt aantal vluchten maken. Studenten die zich aanmelden bij de Delftsche Studenten Aeroclub kunnen in het eerste jaar ook aanspraak maken op een beurs van de koninklijke luchtmacht. In dat geval komen de totale kosten neer op ongeveer 150 euro. Geïnteresseerden kunnen contact opnemen met DSA: 015-2150036.

Ze zitten zo vaak in een zweefvliegtuig dat gewoon rechtdoor vliegen ze soms verveelt. De leden van de Delftsche Studenten Aeroclub wijzen Delta-verslaggever Dennis Rijnvis de weg in het luchtruim. Over de kick van een looping, het belang van wolken en de trucs die misselijkheid voorkomen.

Of ik wel eens gevlogen heb. Natuurlijk wel. Maar als iemand van de Delftsche Studenten Aeroclub (DSA) je die vraag stelt, doelt hij niet op vakantietripjes: vluchten waarbij je onderuitgezakt in je stoel de laatste bioscoopfilms bekijkt. Enkele tientallen leden van de studentenvereniging liggen op deze zaterdag languit op het immense grasveld van zweefvliegcentrum Terlet in Arnhem. Sommigen brengen hier het grootste deel van hun vrije tijd door: keuvelend, soms met een studieboek opengeslagen voor zich, en altijd een koelbox met frisdrank en brood binnen handbereik. De rustige picknick wordt alleen af en toe onderbroken door een opgewonden gesprek. Dan zijn er weer enkele DSA’ers teruggekeerd uit het luchtruim en maakt een nieuw groepje zich op voor een tochtje per zweefvliegtuig.

Zweefvliegen is nauwelijks te vergelijken met een vlucht in een motorvliegtuig. Het heeft iets laagdrempeligs: je stapt in een krappe tweepersoonscabine, snoert jezelf vast in je stoel, wacht totdat het vliegtuigje de lucht in wordt getrokken, en vervolgens bestuur je het toestel met een kleine stuurknuppel tussen je knieën. ,,Maar daar hoef jij niet aan te komen”, zegt Duco Kaasjager, de piloot op mijn eerste zweefvlucht. ,,Die bestuur ik wel.”

Snel legt de student werktuigbouwkunde uit wat de wijzertjes en tellertjes aangeven, die op het dashboard voor mijn neus zitten. ,,Maar eigenlijk kun je beter niet op die gegevens letten”, zegt hij daarna. ,,Kijk maar gewoon naar buiten, dat is veel leuker.”

Hij neemt plaats op de stoel voor me. De klep van de cabine gaat dicht. Door het glas zie ik een kluwen kabel op het grasveld liggen, die steeds verder wordt afgewikkeld. ,,Die kabel zit vast aan een lier, die ons zodadelijk met tweehonderd kilometer per uur vooruit trekt”, zegt Duco. ,,Door die snelheid stijgt het vliegtuigje vanzelf op.”

Legertruck

De lier waar Duco het over heeft, staat ongeveer een kilometer verderop in het grasveld. Dertig jaar geleden hebben TU-studenten de machine zelf in elkaar gezet, met onderdelen van een oude legertruck en een driehonderd pk motor. Ze bouwden uiteindelijk de krachtigste lier van Nederland. Die titel is het apparaat inmiddels kwijt, maar de tachtig leden van DSA maken nog dankbaar gebruik van zijn trekvermogen.

,,Het mooie van zweefvliegen is dat je zo vaak kunt opstijgen als je maar wilt”, zegt Ilja Achterberg, secretaris van de zweefvliegvereniging. ,,Er zit geen motor in een toestel, dus je hebt ook geen last van oplopende benzinekosten. Je kunt leren vliegen zonder dat je duizenden guldens kwijt bent.”

De start van mijn eerste zweefvlucht is voorbij voordat ik het weet. ,,Kijk, nu komen we los”, zegt Duco, terwijl het toestel over het grasveld dendert. ,,Binnen dertig seconden zitten we op een hoogte van zo’n vierhonderd meter.”

En dan begint het echte werk pas voor de piloot. Terwijl ik geniet van de strak blauwe hemeldie een eindeloos uitzicht biedt op de omgeving van Arnhem, zoekt Duco naar wolken. ,,Een wolk is eigenlijk een stijgende luchtstroom die aan het condenseren is”, legt hij uit. ,,Als wij in die stroom gaan vliegen, winnen we hoogte.”

Speuren naar stijgende, of thermische lucht: dat is het geheim van zweefvliegen. Vindt Duco een geschikte wolk, dan blijft hij er enkele minuten onder cirkelen, om zoveel mogelijk van de luchtstroom te profiteren. Hoe meer hoogte hij wint, des te langer kunnen we doorvliegen. Een vlucht kan op deze manier zelfs zo’n acht uur gerekt worden, totdat de zon onder gaat en de thermische lucht schaarser wordt.

De zogenoemde variometer die in het toestel zit, gaat regelmatiger piepen naarmate het vliegtuig sneller stijgt. Duco is eraan gewend, hij maakt vandaag zijn 398ste zweefvlucht. ,,Een vrolijk geluidje hè, dat gepiep. Volgens mij hebben ze die variometer expres zo gemaakt: hoe hoger je komt, hoe vrolijker je wordt.”

Misselijk

Tijdens echte zweefvliegwedstrijden zoeken de bestuurders van de toestellen echter heel wat minder ontspannen naar een stijgende luchtbellen. DSA-lid Roelant van der Bos nam dit jaar voor het eerst deel aan zo’n krachtmeting met ander piloten. ,,De tijd die je besteedt aan het winnen van hoogte, is eigenlijk verloren tijd in zo’n wedstrijd”, vertelt hij. ,,Je moet nu eenmaal een bepaalde afstand afleggen. Het gaat er dus vooral om dat je snel stijgt. Je moet daarom goed letten op de gebieden waar je overheen vliegt. In een stad wordt het bijvoorbeeld snel warm en omdat warme lucht nu eenmaal omhoog wil, vind je boven een stedelijk gebied sterkere thermische stromen dan boven een koel loofbos dat ernaast ligt.”

Halverwege mijn eigen vlucht begrijp ik waarom Duco heeft gezegd dat ik vooral naar buiten moet blijven kijken. Nadat we al cirkelend van 700 naar 1400 meter hoogte zijn geklommen, begint mijn maag op te spelen. ,,Het is net als in een auto”, zegt Duco. ,,Je moet kijken waar je naartoe gaat, dan is er weinig aan de hand.”

Als we de 1600 meter hebben bereikt, vindt Duco het genoeg. Vanaf deze hoogte vliegen we op volle kracht door naar Apeldoorn. ,,Ik heb een goede vriend die in Apeldoorn woont”, zegt de piloot. ,,Een grappig idee dat ik al tientallen keren boven zijn huis heb gevlogen.” Ik probeer een plotselinge golf van misselijkheid te onderdrukken en tegelijkertijd ‘ja’ te zeggen. Maar Duco vuurt alweer een nieuwe vraag af. ,,We hebben nu een hele tijd gewoon rechtdoor gevlogen. Zullen we nog even wat rare toeren uithalen met het toestel?”

Capriolen

Kunstvliegen is een aparte discipline binnen het zweefvliegen. Wie aan wedstrijden wil deelnemen moet iedere dag trainen op vreemde capriolen in de lucht, zoals de looping en de vrije val. De leden van DSA beoefenen die kunstvormen dan ook vooral voor de kick.

,,Als je een vliegtuig een looping ziet maken is dat iets fantastisch”, vertelt Roelant me, vlak voordat ik mijn eerste vlucht maak. ,,Als je weet dat je zelf een looping maakt, is dat nog veel mooier.”

,,Je maag op z’n kop zetten, dat is toch hartstikke leuk”, zegt zijn verenigingsgenote Claire Boonstra. ,,Je maakt loopings, kurkentrekkers. Het is net als in de achtbaan, alleen bepaal je zelf hoe deze achtbaan loopt.”

Op de grond lijkt die uitleg heel overtuigend, maar eenmaal in het luchtruim klinkt het vooruitzicht van vrije vallen en loopings me niet zo aanlokkelijk meer in de oren. ,,Als je misselijk wordt, kunnen we dat stuntwerk beter overslaan en teruggaan naar het vliegveld”, zegtpiloot Duco. Ik volg zijn advies gretig op.

Verstandig, zo blijkt na de landing. Op het grasveld van Terlet kom ik Roelant weer tegen. Hij is ook net terug van zijn vlucht, en poetst de binnenkant van een vliegtuig met een natte doek. ,,Ik had ook een passagier aan boord die haar eerste vlucht maakte, maar het werd haar iets te veel”, vertelt hij. ,,Vlak voor de landing moest ze overgeven. Dat gebeurt vaker bij mensen die nog nooit in een zweefvliegtuig hebben gezeten. Als piloot concentreer je je puur op het besturen van het toestel. Zelf vliegen is zo’n bijzondere ervaring: je hebt gewoon geen tijd om misselijk te worden.”

Zweefvliegen is geen extreem dure sport. Een volledig startabonnement kost weliswaar 370 euro, maar voor dat bedrag kun je een onbeperkt aantal vluchten maken. Studenten die zich aanmelden bij de Delftsche Studenten Aeroclub kunnen in het eerste jaar ook aanspraak maken op een beurs van de koninklijke luchtmacht. In dat geval komen de totale kosten neer op ongeveer 150 euro. Geïnteresseerden kunnen contact opnemen met DSA: 015-2150036.

Redacteur Redactie

Heb je een vraag of opmerking over dit artikel?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.