De Utrechtse filosoof Jan Vorstenbosch nam vaatwasser, stofzuiger en andere huishoudelijke apparaten als uitgangspunt van lichtvoetige bespiegelingen.
/strong>
Anders dan de titel misschien doet vermoeden, gaat het in het boekje ‘Twaalf huishoudelijke apparaten’ van Jan Vorstenbosch niet in de eerste plaats over de vraag wat gebruikers met apparaten kunnen doen, maar om het omgekeerde. De benadering van de Utrechtse filosoof Vorstenbosch, die hij apparatologie noemt, komt erop neer dat hij telkens een apparaat als uitgangspunt neemt en beschrijft wat het met ons privéleven doet. De stukjes houden het midden tussen columns en korte essays en zijn grotendeels ontleend aan eerdere stukjes in ‘Filosofie Magazine’. Ze laten zich gemakkelijk lezen, mede door een luchtige verteltrant, scherpe observaties en verrassende wendingen. Ze vormen boeiende dichtbijgezichten, ontleend aan de zo bekende voorwerpen uit ons alledaagse huishouden.
Onder apparatologie verstaat Vorstenbosch het verwerven van een redelijk inzicht in wat apparaten eigenlijk doen, vooral met ons. Deze optiek is verrassend omdat we doorgaans alleen geïnteresseerd zijn hoe huishoudelijke apparaten uitvoeren wat wij willen. En als het ons vak is, dan tellen alleen vragen als: hoe ze gebruiksvriendelijk en energiezuinig gemaakt kunnen worden en welk uiterlijk ze moeten krijgen.
Vorstenbosch kijkt andersom. Neem de automatische vaatwasser. Evenals naar veel andere apparaten kijkt de gemiddelde consument, zegt hij, met een te roze bril. Bij de aanschaf vraagt geen mens, laat staan een consument of bond, zich ooit in alle rust en in den brede af of dat wat een vaatwasser toevoegt aan het reilen en zeilen van het huishouden en wel opweegt tegen wat hij aanricht in de diepere, impliciete en voor het leven waardevollere dimensies van de menselijke beleving van het huishouden en zichzelf.
Volgens Vorstenbosch biedt met de hand afwassen een eenvoudige gelegenheid om de meest gewichtige onderwerpen te doordenken. De handelingen op zichzelf zijn namelijk heel simpel, en hoe vaker men afdroogt of afwast des te routinematiger die zich voltrekken. Daardoor bieden ze ruimte voor filosoferen en mediteren en houden ze ook een stuk sociaal leven in stand. De functionele context van deze gezamenlijke klus is ideaal voor dialogen tussen partners, ouders en kinderen, gastheren en gasten; voor tussen neus en lippen aan elkaar wezenlijke vragen voorleggen, die anders onuitgesproken zouden blijven. Het samen afwassen verleent ons ook een mooie gelegenheid om elkaar ongedwongen, maar van heel dichtbij observeren en beter te leren kennen. Met eigen ogen kan dan de afwasser dan zien of de afdroger een niet helemaal schoon kopje durft terug te geven of niet.
Ook de stofzuiger neemt Vorstenbosch onder de loep. In de moderne samenleving is dit, zo beweert hij, een van de weinig apparaten die we graag als metafoor gebruiken. Op het voetbalveld bijvoorbeeld en in allerlei soorten organisaties duiden we een bepaald type mens als zodanig aan. Filosofisch gesproken kan de stofzuiger gelden als symbool voor onze moderne maatschappij. Die is evenals de stofzuiger gericht op ordelijkheid, maar brengt zelf allerlei troep, stof en chaos voort. Hij staat – onbedoeld , maar daarom is het niet onwaar – symbool voor het hedendaagse vooruitgangsoptimisme. De blik te veel gericht naar voren en te weinig naar achteren.
Historisch gezien was stof in huis nooit eerder zo zichtbaar als nu dankzij allerlei gladde kunststoffen. Stof biedt trouwens een schuilplaats aan de huismijt die er vergroot uitziet als een vervaarlijk monster, waarvan de stofzuiger ons moet redden. Zijn mensachtige vorm kreeg de stofzuiger al snel. Hij heeft een mond, een hals en een buik en zijn wieltjes lijken op korte pootjes. In de jaren dertig flopte een veel ingewikkelder ontwerp van de Amerikaan Kirby, dat ‘alles’ kon en tweeënvijftig hulpstukken had. Volgens de apparatoloog is het kennelijk ook de vorm die iets met ons doet. Die bevalt en vertedert ons door zijn schijnbare afhankelijkheid. Als een hondje waggelt hij achter ons aan. Of, zoals Heidegger eens opmerkte, een handig apparaat valt pas op als het een zekere onhandigheid ten toon spreidt.
De stofzuiger heeft zelfs iets aandoenlijks door zijn onvolmaaktheid. Op gladde vloeren zijn antistatische stofdoeken effectiever, drempels passeert hij niet gemakkelijk, hij maakt te veel geluid en van achteren blaast hij nog stof uit bovendien.
De meeste apparaten die Vorstenbosch bespreekt, produceren enig lawaai. De wasmachine, het koffiezetapparaat en de keukenradio. Alleen het strijkijzer en de inductiekookplaat zijn geluidloos. Maar bij niet één apparaat heeft de herrie een zo verstorende uitwerking als bij de afzuigkap. Zoals marsmuziek in oorlogstijd de gevoelens en het geweten onderdrukt, zo tast ook lawaai ons zelfbesef aan en de werking van de eigen zintuigen, zoals de reuk. Dat zintuig staat bij ons in zeer laag aanzien en daardoor hebben we misschien niet eens in de gaten hoezeer de afzuigkap ons in wezen ernstig bij de neus neemt.
Zoals elk apparaat anders op ons uitwerkt, zo zijn de twaalf hoofdstukken ook allemaal verschillend. De aparte manier van kijken is echter wel gemeenschappelijk, evenals de verrassende wendingen en de onopgesmukte frisse stijl en inhoud.
‘Twaalf huishoudelijke apparaten’ is een uitnodigend boekje van klein formaat. Het is voorzien van een harde kaft en het heeft leuke afbeeldingen op de omslag staan. Om gemakkelijk in de hand te nemen, en om je door te laten pakken.
Jan Vorstenbosch: Twaalf huishoudelijke apparaten – Filosofische bespiegelingen. Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam 2000, ISBN 90 5712 097 6. 109 p., euro 11,90.
Drs. F.M. Boon is godsdienstsocioloog en humanistisch geestelijk verzorger in de zorgsector.
De Utrechtse filosoof Jan Vorstenbosch nam vaatwasser, stofzuiger en andere huishoudelijke apparaten als uitgangspunt van lichtvoetige bespiegelingen.
Anders dan de titel misschien doet vermoeden, gaat het in het boekje ‘Twaalf huishoudelijke apparaten’ van Jan Vorstenbosch niet in de eerste plaats over de vraag wat gebruikers met apparaten kunnen doen, maar om het omgekeerde. De benadering van de Utrechtse filosoof Vorstenbosch, die hij apparatologie noemt, komt erop neer dat hij telkens een apparaat als uitgangspunt neemt en beschrijft wat het met ons privéleven doet. De stukjes houden het midden tussen columns en korte essays en zijn grotendeels ontleend aan eerdere stukjes in ‘Filosofie Magazine’. Ze laten zich gemakkelijk lezen, mede door een luchtige verteltrant, scherpe observaties en verrassende wendingen. Ze vormen boeiende dichtbijgezichten, ontleend aan de zo bekende voorwerpen uit ons alledaagse huishouden.
Onder apparatologie verstaat Vorstenbosch het verwerven van een redelijk inzicht in wat apparaten eigenlijk doen, vooral met ons. Deze optiek is verrassend omdat we doorgaans alleen geïnteresseerd zijn hoe huishoudelijke apparaten uitvoeren wat wij willen. En als het ons vak is, dan tellen alleen vragen als: hoe ze gebruiksvriendelijk en energiezuinig gemaakt kunnen worden en welk uiterlijk ze moeten krijgen.
Vorstenbosch kijkt andersom. Neem de automatische vaatwasser. Evenals naar veel andere apparaten kijkt de gemiddelde consument, zegt hij, met een te roze bril. Bij de aanschaf vraagt geen mens, laat staan een consument of bond, zich ooit in alle rust en in den brede af of dat wat een vaatwasser toevoegt aan het reilen en zeilen van het huishouden en wel opweegt tegen wat hij aanricht in de diepere, impliciete en voor het leven waardevollere dimensies van de menselijke beleving van het huishouden en zichzelf.
Volgens Vorstenbosch biedt met de hand afwassen een eenvoudige gelegenheid om de meest gewichtige onderwerpen te doordenken. De handelingen op zichzelf zijn namelijk heel simpel, en hoe vaker men afdroogt of afwast des te routinematiger die zich voltrekken. Daardoor bieden ze ruimte voor filosoferen en mediteren en houden ze ook een stuk sociaal leven in stand. De functionele context van deze gezamenlijke klus is ideaal voor dialogen tussen partners, ouders en kinderen, gastheren en gasten; voor tussen neus en lippen aan elkaar wezenlijke vragen voorleggen, die anders onuitgesproken zouden blijven. Het samen afwassen verleent ons ook een mooie gelegenheid om elkaar ongedwongen, maar van heel dichtbij observeren en beter te leren kennen. Met eigen ogen kan dan de afwasser dan zien of de afdroger een niet helemaal schoon kopje durft terug te geven of niet.
Ook de stofzuiger neemt Vorstenbosch onder de loep. In de moderne samenleving is dit, zo beweert hij, een van de weinig apparaten die we graag als metafoor gebruiken. Op het voetbalveld bijvoorbeeld en in allerlei soorten organisaties duiden we een bepaald type mens als zodanig aan. Filosofisch gesproken kan de stofzuiger gelden als symbool voor onze moderne maatschappij. Die is evenals de stofzuiger gericht op ordelijkheid, maar brengt zelf allerlei troep, stof en chaos voort. Hij staat – onbedoeld , maar daarom is het niet onwaar – symbool voor het hedendaagse vooruitgangsoptimisme. De blik te veel gericht naar voren en te weinig naar achteren.
Historisch gezien was stof in huis nooit eerder zo zichtbaar als nu dankzij allerlei gladde kunststoffen. Stof biedt trouwens een schuilplaats aan de huismijt die er vergroot uitziet als een vervaarlijk monster, waarvan de stofzuiger ons moet redden. Zijn mensachtige vorm kreeg de stofzuiger al snel. Hij heeft een mond, een hals en een buik en zijn wieltjes lijken op korte pootjes. In de jaren dertig flopte een veel ingewikkelder ontwerp van de Amerikaan Kirby, dat ‘alles’ kon en tweeënvijftig hulpstukken had. Volgens de apparatoloog is het kennelijk ook de vorm die iets met ons doet. Die bevalt en vertedert ons door zijn schijnbare afhankelijkheid. Als een hondje waggelt hij achter ons aan. Of, zoals Heidegger eens opmerkte, een handig apparaat valt pas op als het een zekere onhandigheid ten toon spreidt.
De stofzuiger heeft zelfs iets aandoenlijks door zijn onvolmaaktheid. Op gladde vloeren zijn antistatische stofdoeken effectiever, drempels passeert hij niet gemakkelijk, hij maakt te veel geluid en van achteren blaast hij nog stof uit bovendien.
De meeste apparaten die Vorstenbosch bespreekt, produceren enig lawaai. De wasmachine, het koffiezetapparaat en de keukenradio. Alleen het strijkijzer en de inductiekookplaat zijn geluidloos. Maar bij niet één apparaat heeft de herrie een zo verstorende uitwerking als bij de afzuigkap. Zoals marsmuziek in oorlogstijd de gevoelens en het geweten onderdrukt, zo tast ook lawaai ons zelfbesef aan en de werking van de eigen zintuigen, zoals de reuk. Dat zintuig staat bij ons in zeer laag aanzien en daardoor hebben we misschien niet eens in de gaten hoezeer de afzuigkap ons in wezen ernstig bij de neus neemt.
Zoals elk apparaat anders op ons uitwerkt, zo zijn de twaalf hoofdstukken ook allemaal verschillend. De aparte manier van kijken is echter wel gemeenschappelijk, evenals de verrassende wendingen en de onopgesmukte frisse stijl en inhoud.
‘Twaalf huishoudelijke apparaten’ is een uitnodigend boekje van klein formaat. Het is voorzien van een harde kaft en het heeft leuke afbeeldingen op de omslag staan. Om gemakkelijk in de hand te nemen, en om je door te laten pakken.
Jan Vorstenbosch: Twaalf huishoudelijke apparaten – Filosofische bespiegelingen. Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam 2000, ISBN 90 5712 097 6. 109 p., euro 11,90.
Drs. F.M. Boon is godsdienstsocioloog en humanistisch geestelijk verzorger in de zorgsector.
Comments are closed.