Education

‘Een mooiere rouwadvertentie kan ik niet wensen’

Docent filosofie en bouwesthetiek Sierksma, ook wel bekend als de klokkenluider van Bouwkunde, nam vorige week afscheid van de TU. “Aan deze faculteit overheersen nog altijd hetzelfde geleuter, dezelfde opgeblazenheid en dezelfde non-entiteiten”, zei de scherpslijper tijdens zijn afscheidslezing ‘Sierksma’s Afgang’.

Hij had zijn hypotheek nog niet afgelost. Anders was hij er al jaren eerder vandoor gegaan, zegt hij. Zo hevig was Sierksma geschrokken van de reactie van het college van bestuur na zijn aanval op ‘het gesjoemel met de academische waarden’.

Sierksma weigerde in 2000 als eerste gecommitteerde zijn handtekening te zetten op een afstudeerformulier omdat het afstudeerwerk volgens hem ‘zo rot als een mispel’ was. Het leverde hem een aantal klachten op. Sierksma werd door een commissie in het gelijk gesteld, maar kreeg naar eigen zeggen nog een brief van het cvb ‘waar de honden geen brood van lusten’.

Het debacle was voor u destijds aanleiding voor een fake afscheidsrede. U trok zich terug in ‘het reservaat van uw eigen bovenkamer’, zei u toen. Heeft u zich de afgelopen jaren echt kunnen terugtrekken?

“Ik ben verder gegaan met lesgeven. En ik heb zeker vijf jaar niets meer aan commissiewerk gedaan. Jongens, jullie zoeken het maar uit, dacht ik.”

Heel wat mensen zullen er niet rouwig om zijn dat u nu echt vertrekt. Prof.dr. Arie Graafland schrijft in B-Nieuws 7 dat u nooit een PhD heeft begeleid en opvallend weinig heeft gepubliceerd. En een anonieme student zet u neer als een cynicus en een zuurpruim. “I am tired of your shit and all your bitchin’ology from Gagaville”, begint de brief.

“Die anonieme student, Susi Q, ik heb geen flauw idee wie daar achter zit. Ik heb twee keer op een dubbelpagina een analyse van de faculteit gemaakt. Ik stel daarin een aantal teksten aan de orde die door mensen van Bouwkunde geschreven zijn. Daarin geef ik alleen maar aan dat ik bepaalde passages niet begrijp. En als reactie krijg ik alleen maar bagger. Maar ik heb al een repliek geschreven waarin ik zeg dat ik het ontzettend leuk vind om een brief ad hominem te krijgen van de oude rockband, Susi Q, waar ik fan van ben. Wat Arie Graafland zegt, dat is fantastisch, zo leugenachtig. Hij zet uitgevers op een rijtje bij wie ik niet gepubliceerd heb en vermeldt niet degenen bij wie ik wel heb gepubliceerd. Een mooiere rouwadvertentie kan ik bij mijn afscheid niet wensen.”

In die analyses en ook in uw afscheidsrede heeft u het over cocooning, oftewel ‘het ontstaan van kleine godsdienstjes’ van de ‘visies’, de ‘opvattingen’ en de ‘fascinaties’ van architecten bij Bouwkunde. Wat bedoelt u hiermee?

“Elke Bouwkundedecaan heeft al jaren hetzelfde gelazer. Zodra hij het hoofdgebouw inkomt en in collegiaal verband zit, krijgt hij te horen: ‘Jullie zijn de grootste faculteit en leveren een hoop geld op, maar wat heeft Bouwkunde hier aan de TU nu eigenlijk te zoeken?’ Het antwoord is: niks. Ik zou niet weten wat er wetenschappelijk is aan architectuur. Bouwkunde is volgens mij een goede HBO-opleiding. Dat mag je niet zeggen. Maar de druk wordt groter en dus zegt men oké, dan gaan we Bouwkunde verwetenschappelijken. Dat woord valt al 35 jaar.

Daarom heeft men bedacht dat er ‘concepten’ bij het ontwerp moesten komen. Het is dan meestal zo dat een boek wordt gelezen van een filosoof. Daar haalt men dan een bepaald idee uit. Soms levert dat een leuk verhaal op, maar als je dan vraagt naar de argumentatieve link met het ontwerp van de student, dan blijkt vaak dat het gezwets is. Dit heeft een tik gekregen met het steeds zelfstandiger worden van de verschillende afdelingen. Er zijn koninkrijkjes ontstaan en die koninkrijkjes hebben allemaal afstudeerlaboratoria opgezet met esoterische namen als ‘Space Lab’. Clubjes met sterke sektarische kwaliteiten die eigen jargonnetjes hanteren. Studenten moeten zich voor zulke laboratoria inschrijven om hun master te halen. En daar moeten ze blijven. Ze kunnen het zich niet permitteren om na twee maanden te zeggen: sorry, maar het zint me niet.”

U ziet humor als redmiddel. Maar tegelijkertijd beschouwt u zichzelf als een misantroop. Dat klinkt tegenstrijdig.

“Ironisch kunnen zijn en met zelfspot naar jezelf kunnen kijken, lijkt mij cruciaal. Maar het is natuurlijk een vrij paradox geheel. Ik roep mijn collega’s en studenten vol enthousiasme op om er iets van te maken. Maar ik ben in de loop van de afgelopen twintig jaar steeds somberder geworden over wat er zich voordoet. Er sluipen elementen de universiteit in die er niet thuishoren. De voorzitter van het cvb zei tijdens de opening van het academische jaar dat we mee moesten doen in de grote kennisconcurrentie. Van dat woord word ik zenuwachtig. Kennis als louter economisch motief. Iemand zoals ik is in deze regio van kennis niet veel waard. De kans dat aan de universiteit nog intellectuelen worden geproduceerd, mensen die hun talen kennen, gedichten lezen en geïnteresseerd zijn in natuurwetenschappen en politiek, is klein.”

Tijd voor u om te vertrekken.

“Ja. Kort geleden noemde een secretaresse mij antiek omdat ik krijtjes kwam bestellen voor een nieuw college. Ze zei: ‘Maar meneer Sierksma, weet u dan niet dat alle borden zijn afgeschaft en dat we alleen nog maar flap-overs hebben met pennen?’ Toen dacht ik: jongen het is tijd om te vertrekken.”

“Ik kan een scherpe pen hebben. En een scherpe tong, ja. Koketteren, nee. Ik ben nu eenmaal zwartgallig. Ik ben een typische melancholicus. Het enige wat je kunt zeggen is dat ik probeer het mooi op te schrijven. Ik heb mijn hele leven geprobeerd om mooie taal te maken. Je moet iets zeggen en je moet het mooi zeggen.”

U schrijft in uw columns regelmatig over uw vader, die hoogleraar theologie was in Groningen. Zo schreef u: ‘Van hem leerde ik ook dat een universiteit geen voetbalveld mag zijn. Op sportvelden word je vaak unfair behandeld door tegenstanders, door medespelers, door de scheidsrechter’. Trok uw vader ook zo fel van leer tegen de scheidsrechters . ‘die nieuwe kaste van universitaire beroepsbestuurders’ . die natrappen, andermans achillespezen scheuren en erop los liegen?”

“In een ander opzicht wel. Samen met Vestdijk en Hermans heeft hij een literair tijdschrift opgericht. Daarin ging het er fiks aan toe. Ik heb dezelfde aard als hij. Helaas hebben we de laatste zeven jaar van zijn leven geen contact meer gehad. We waren two of a kind vrees ik . Maar dat heeft aan mijn bewondering voor hem niets afgedaan.”

Jullie kregen ruzie, terwijl jullie beiden puur op basis van argumenten discussieerden?

“Ja, dat was het vreemde. Mijn vader zat tijdens de oorlog in het verzet en wat doe ik? Ik weigerde om in dienst te gaan. Dat ging hij mij verwijten. Dat was voor mij schokkend. Tot mijn achttiende had hij me opgevoed met een felle anti-oorloghouding. Mijn hele studententijd heb ik thuis gewoond. Dat zijn rampzalige jaren geweest. Toen mijn zoon achttien werd en van het gymnasium kwam heb ik gezegd, kamer zoeken. Dat heeft hij gelukkig gedaan. En daarmee heb ik voorkomen dat mij overkwam wat mijn vader overkwam. Wij zien elkaar gelukkig onder aangename omstandigheden.”

U staat er om bekend dat u nogal excentrieke colleges gaf.

“Op gezette tijden zorgde ik samen met een collega voor grote projecten voor studenten. Speciale collegereeksen, waar de studenten geen punten voor konden krijgen. Vorig jaar heb ik een universitaire striptease gehouden. Ik hield een collegereeks met drie films over excentrics, borderliners en marginal men. Ik begon met de inleiding door mij als oude man te ontkleden voor een stellage met boksbal. Ik heb naakt touwtje staan springen. In mijn boek, dat ik tijdens mijn afscheid presenteerde, staan daar twee heel grappige foto’s van.”

Waarom doet u dat?

“De docent presenteert zich als een complete borderliner. Een gek die over gekken praat, dat is belangrijk. Mijn boek heet ook niet voor niets ‘Sierksma’s afgang’.”

Het is dus zelfspot?

“Ja hier zit zelfspot in: als oude man met een buikje een striptease doen terwijl het normaal gesproken jonge snelle dames of mannen zijn die uit het pak gaan. Er zijn mensen die dat nogal komisch vonden. Niet iedereen moet excentriek zijn, maar een wereld zonder, dat wordt een pijnlijke geoliede machine.”

Waarom doet u geheimzinnig over uw voornaam?

“Ik doe er niet geheimzinnig over. Er zijn heel veel mensen die gebruik maken van een synoniem. Ik schrijf onder mijn achternaam. En als ik dan op de faculteit Sierksma genoemd wordt, dan denk ik: ah, ze hebben mijn naam gekoppeld aan mijn stukjes.”

Noemen uw vrienden u wel bij uw voornaam?

“Uiteraard. Maar veel vrienden heb ik niet. Ik heb een beste vriend, mijn schaakmaat. Met hem ga ik ook een boek schrijven. Verder zijn er mensen met wie ik goed kan opschieten. Maar die vormen een klein cirkeltje. De meeste mensen heb ik wel eens een keertje zodanig voor hun ballen getrapt, c.q wat daar voor doorgaat bij het andere geslacht, dat de verstandhouding na verloop van tijd niet meer werkt. En dat doe ik niet voor de lol. Meestal is daar een aanleiding voor.”

Gaat u nog verder schrijven voor B-nieuws?

“Ja, maar ik bemoei me nooit meer met de faculteit. Ik heb argwaan tegen mensen die vanaf een afstand op een orgaan schieten waar ze vroeger lid van waren. Dat lijkt me onverstandig.”
Wie is Sierksma?

Sierksma, zijn voornaam gebruikt hij liever niet, werd geboren in 1946 in Leeuwarden. Na een studie sociale wetenschappen en filosofie in Leiden kon hij als wetenschappelijk medewerker aan de de slag aan de Universiteit van Amsterdam. In 1973 werd hij uitgenodigd voor een lectoraat voor kennistheorie, politieke filosofie en esthetica bij de faculteit Bouwkunde. Daar zat hij de laatste jaren weggestopt in een veel te kleine kamer, vindt hij. Na wat hij noemt de ‘inquisitie’ tegen hem, heeft hij bijna geen goed woord meer over voor de faculteit. Als eerste gecommitteerde weigerde hij in 2000 zijn handtekening te zetten op een afstudeerformulier van een student die volgens hem werk had afgeleverd dat ver onder de maat was. Het leverde hem bepaald geen vrienden op. Een commissie wijze mannen moest het debacle dat ontstond tussen zijn collega’s en hem oplossen.

Sierksma staat aan de TU ook bekend om zijn scherpe columns in B-nieuws. Daarin laat hij zich kritisch uit over de TU die volgens hem ‘studenten niet meer tot intellectuelen opvoedt’.

In zijn vrije tijd leest Sierksma veel poëzie en gaat hij naar het Concertgebouw. “Zonder muziek zou ik niet kunnen leven. Zonder muziek zou elk leven een treurmars zijn.”

Vorige week nam Sierksma afscheid van de TU, met zijn rede ‘Sierksma’s afgang’.

Hij had zijn hypotheek nog niet afgelost. Anders was hij er al jaren eerder vandoor gegaan, zegt hij. Zo hevig was Sierksma geschrokken van de reactie van het college van bestuur na zijn aanval op ‘het gesjoemel met de academische waarden’.

Sierksma weigerde in 2000 als eerste gecommitteerde zijn handtekening te zetten op een afstudeerformulier omdat het afstudeerwerk volgens hem ‘zo rot als een mispel’ was. Het leverde hem een aantal klachten op. Sierksma werd door een commissie in het gelijk gesteld, maar kreeg naar eigen zeggen nog een brief van het cvb ‘waar de honden geen brood van lusten’.

Het debacle was voor u destijds aanleiding voor een fake afscheidsrede. U trok zich terug in ‘het reservaat van uw eigen bovenkamer’, zei u toen. Heeft u zich de afgelopen jaren echt kunnen terugtrekken?

“Ik ben verder gegaan met lesgeven. En ik heb zeker vijf jaar niets meer aan commissiewerk gedaan. Jongens, jullie zoeken het maar uit, dacht ik.”

Heel wat mensen zullen er niet rouwig om zijn dat u nu echt vertrekt. Prof.dr. Arie Graafland schrijft in B-Nieuws 7 dat u nooit een PhD heeft begeleid en opvallend weinig heeft gepubliceerd. En een anonieme student zet u neer als een cynicus en een zuurpruim. “I am tired of your shit and all your bitchin’ology from Gagaville”, begint de brief.

“Die anonieme student, Susi Q, ik heb geen flauw idee wie daar achter zit. Ik heb twee keer op een dubbelpagina een analyse van de faculteit gemaakt. Ik stel daarin een aantal teksten aan de orde die door mensen van Bouwkunde geschreven zijn. Daarin geef ik alleen maar aan dat ik bepaalde passages niet begrijp. En als reactie krijg ik alleen maar bagger. Maar ik heb al een repliek geschreven waarin ik zeg dat ik het ontzettend leuk vind om een brief ad hominem te krijgen van de oude rockband, Susi Q, waar ik fan van ben. Wat Arie Graafland zegt, dat is fantastisch, zo leugenachtig. Hij zet uitgevers op een rijtje bij wie ik niet gepubliceerd heb en vermeldt niet degenen bij wie ik wel heb gepubliceerd. Een mooiere rouwadvertentie kan ik bij mijn afscheid niet wensen.”

In die analyses en ook in uw afscheidsrede heeft u het over cocooning, oftewel ‘het ontstaan van kleine godsdienstjes’ van de ‘visies’, de ‘opvattingen’ en de ‘fascinaties’ van architecten bij Bouwkunde. Wat bedoelt u hiermee?

“Elke Bouwkundedecaan heeft al jaren hetzelfde gelazer. Zodra hij het hoofdgebouw inkomt en in collegiaal verband zit, krijgt hij te horen: ‘Jullie zijn de grootste faculteit en leveren een hoop geld op, maar wat heeft Bouwkunde hier aan de TU nu eigenlijk te zoeken?’ Het antwoord is: niks. Ik zou niet weten wat er wetenschappelijk is aan architectuur. Bouwkunde is volgens mij een goede HBO-opleiding. Dat mag je niet zeggen. Maar de druk wordt groter en dus zegt men oké, dan gaan we Bouwkunde verwetenschappelijken. Dat woord valt al 35 jaar.

Daarom heeft men bedacht dat er ‘concepten’ bij het ontwerp moesten komen. Het is dan meestal zo dat een boek wordt gelezen van een filosoof. Daar haalt men dan een bepaald idee uit. Soms levert dat een leuk verhaal op, maar als je dan vraagt naar de argumentatieve link met het ontwerp van de student, dan blijkt vaak dat het gezwets is. Dit heeft een tik gekregen met het steeds zelfstandiger worden van de verschillende afdelingen. Er zijn koninkrijkjes ontstaan en die koninkrijkjes hebben allemaal afstudeerlaboratoria opgezet met esoterische namen als ‘Space Lab’. Clubjes met sterke sektarische kwaliteiten die eigen jargonnetjes hanteren. Studenten moeten zich voor zulke laboratoria inschrijven om hun master te halen. En daar moeten ze blijven. Ze kunnen het zich niet permitteren om na twee maanden te zeggen: sorry, maar het zint me niet.”

U ziet humor als redmiddel. Maar tegelijkertijd beschouwt u zichzelf als een misantroop. Dat klinkt tegenstrijdig.

“Ironisch kunnen zijn en met zelfspot naar jezelf kunnen kijken, lijkt mij cruciaal. Maar het is natuurlijk een vrij paradox geheel. Ik roep mijn collega’s en studenten vol enthousiasme op om er iets van te maken. Maar ik ben in de loop van de afgelopen twintig jaar steeds somberder geworden over wat er zich voordoet. Er sluipen elementen de universiteit in die er niet thuishoren. De voorzitter van het cvb zei tijdens de opening van het academische jaar dat we mee moesten doen in de grote kennisconcurrentie. Van dat woord word ik zenuwachtig. Kennis als louter economisch motief. Iemand zoals ik is in deze regio van kennis niet veel waard. De kans dat aan de universiteit nog intellectuelen worden geproduceerd, mensen die hun talen kennen, gedichten lezen en geïnteresseerd zijn in natuurwetenschappen en politiek, is klein.”

Tijd voor u om te vertrekken.

“Ja. Kort geleden noemde een secretaresse mij antiek omdat ik krijtjes kwam bestellen voor een nieuw college. Ze zei: ‘Maar meneer Sierksma, weet u dan niet dat alle borden zijn afgeschaft en dat we alleen nog maar flap-overs hebben met pennen?’ Toen dacht ik: jongen het is tijd om te vertrekken.”

“Ik kan een scherpe pen hebben. En een scherpe tong, ja. Koketteren, nee. Ik ben nu eenmaal zwartgallig. Ik ben een typische melancholicus. Het enige wat je kunt zeggen is dat ik probeer het mooi op te schrijven. Ik heb mijn hele leven geprobeerd om mooie taal te maken. Je moet iets zeggen en je moet het mooi zeggen.”

U schrijft in uw columns regelmatig over uw vader, die hoogleraar theologie was in Groningen. Zo schreef u: ‘Van hem leerde ik ook dat een universiteit geen voetbalveld mag zijn. Op sportvelden word je vaak unfair behandeld door tegenstanders, door medespelers, door de scheidsrechter’. Trok uw vader ook zo fel van leer tegen de scheidsrechters . ‘die nieuwe kaste van universitaire beroepsbestuurders’ . die natrappen, andermans achillespezen scheuren en erop los liegen?”

“In een ander opzicht wel. Samen met Vestdijk en Hermans heeft hij een literair tijdschrift opgericht. Daarin ging het er fiks aan toe. Ik heb dezelfde aard als hij. Helaas hebben we de laatste zeven jaar van zijn leven geen contact meer gehad. We waren two of a kind vrees ik . Maar dat heeft aan mijn bewondering voor hem niets afgedaan.”

Jullie kregen ruzie, terwijl jullie beiden puur op basis van argumenten discussieerden?

“Ja, dat was het vreemde. Mijn vader zat tijdens de oorlog in het verzet en wat doe ik? Ik weigerde om in dienst te gaan. Dat ging hij mij verwijten. Dat was voor mij schokkend. Tot mijn achttiende had hij me opgevoed met een felle anti-oorloghouding. Mijn hele studententijd heb ik thuis gewoond. Dat zijn rampzalige jaren geweest. Toen mijn zoon achttien werd en van het gymnasium kwam heb ik gezegd, kamer zoeken. Dat heeft hij gelukkig gedaan. En daarmee heb ik voorkomen dat mij overkwam wat mijn vader overkwam. Wij zien elkaar gelukkig onder aangename omstandigheden.”

U staat er om bekend dat u nogal excentrieke colleges gaf.

“Op gezette tijden zorgde ik samen met een collega voor grote projecten voor studenten. Speciale collegereeksen, waar de studenten geen punten voor konden krijgen. Vorig jaar heb ik een universitaire striptease gehouden. Ik hield een collegereeks met drie films over excentrics, borderliners en marginal men. Ik begon met de inleiding door mij als oude man te ontkleden voor een stellage met boksbal. Ik heb naakt touwtje staan springen. In mijn boek, dat ik tijdens mijn afscheid presenteerde, staan daar twee heel grappige foto’s van.”

Waarom doet u dat?

“De docent presenteert zich als een complete borderliner. Een gek die over gekken praat, dat is belangrijk. Mijn boek heet ook niet voor niets ‘Sierksma’s afgang’.”

Het is dus zelfspot?

“Ja hier zit zelfspot in: als oude man met een buikje een striptease doen terwijl het normaal gesproken jonge snelle dames of mannen zijn die uit het pak gaan. Er zijn mensen die dat nogal komisch vonden. Niet iedereen moet excentriek zijn, maar een wereld zonder, dat wordt een pijnlijke geoliede machine.”

Waarom doet u geheimzinnig over uw voornaam?

“Ik doe er niet geheimzinnig over. Er zijn heel veel mensen die gebruik maken van een synoniem. Ik schrijf onder mijn achternaam. En als ik dan op de faculteit Sierksma genoemd wordt, dan denk ik: ah, ze hebben mijn naam gekoppeld aan mijn stukjes.”

Noemen uw vrienden u wel bij uw voornaam?

“Uiteraard. Maar veel vrienden heb ik niet. Ik heb een beste vriend, mijn schaakmaat. Met hem ga ik ook een boek schrijven. Verder zijn er mensen met wie ik goed kan opschieten. Maar die vormen een klein cirkeltje. De meeste mensen heb ik wel eens een keertje zodanig voor hun ballen getrapt, c.q wat daar voor doorgaat bij het andere geslacht, dat de verstandhouding na verloop van tijd niet meer werkt. En dat doe ik niet voor de lol. Meestal is daar een aanleiding voor.”

Gaat u nog verder schrijven voor B-nieuws?

“Ja, maar ik bemoei me nooit meer met de faculteit. Ik heb argwaan tegen mensen die vanaf een afstand op een orgaan schieten waar ze vroeger lid van waren. Dat lijkt me onverstandig.”
Wie is Sierksma?

Sierksma, zijn voornaam gebruikt hij liever niet, werd geboren in 1946 in Leeuwarden. Na een studie sociale wetenschappen en filosofie in Leiden kon hij als wetenschappelijk medewerker aan de de slag aan de Universiteit van Amsterdam. In 1973 werd hij uitgenodigd voor een lectoraat voor kennistheorie, politieke filosofie en esthetica bij de faculteit Bouwkunde. Daar zat hij de laatste jaren weggestopt in een veel te kleine kamer, vindt hij. Na wat hij noemt de ‘inquisitie’ tegen hem, heeft hij bijna geen goed woord meer over voor de faculteit. Als eerste gecommitteerde weigerde hij in 2000 zijn handtekening te zetten op een afstudeerformulier van een student die volgens hem werk had afgeleverd dat ver onder de maat was. Het leverde hem bepaald geen vrienden op. Een commissie wijze mannen moest het debacle dat ontstond tussen zijn collega’s en hem oplossen.

Sierksma staat aan de TU ook bekend om zijn scherpe columns in B-nieuws. Daarin laat hij zich kritisch uit over de TU die volgens hem ‘studenten niet meer tot intellectuelen opvoedt’.

In zijn vrije tijd leest Sierksma veel poëzie en gaat hij naar het Concertgebouw. “Zonder muziek zou ik niet kunnen leven. Zonder muziek zou elk leven een treurmars zijn.”

Vorige week nam Sierksma afscheid van de TU, met zijn rede ‘Sierksma’s afgang’.

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.