Education

Faculteiten moeten schrappen in te dure verlanglijstjes

Na de vorig jaar aangezwengelde discussie over de kwaliteit van het onderwijs aan de TU Delft moest vroeg of laat wel een rapport over de kosten volgen. Opvallend: binnen vergelijkbare budgetten maken opleidingen zeer verschillende keuzes.

Hoeveel geld geeft de TU Delft jaarlijks uit aan onderwijs? Waar gaat het precies aan op? Hoeveel geld mag onderwijskwaliteit kosten? Om antwoord op zulke vragen te krijgen, riep het college van bestuur de werkgroep Benchmark Kosten Onderwijs in het leven. Maar uit het rapport van de werkgroep blijkt dat het niet altijd makkelijk is om bevredigende antwoorden te vinden.

De werkgroep heeft in kaart kunnen brengen welke normen faculteiten hanteren om het beschikbare geld voor onderwijs te verdelen. Een voorbeeld van zo’n norm is de onderwijsvorm die is gekozen. (Een aantal faculteiten verdeelt het geld overigens op basis van de output.)

Maar als het om de feitelijke besteding van dat onderwijsgeld gaat, wordt het een lastiger verhaal. “Zulke gegevens worden op de TU Delft maar mondjesmaat bijgehouden”, zegt Joost Groot Kormelink, secretaris van de werkgroep. “Op de faculteiten bestaat er ook niet zo’n behoefte aan.” Voor registratie is tijdschrijven noodzakelijk, maar de betrouwbaarheid en de waarde hiervan blijken in de praktijk discutabel.

Dit jaar heeft de TU Delft 110 miljoen euro toegekend aan het onderwijs. Dit bedrag is – niet toevallig – vrijwel gelijk aan de inkomsten die de TU Delft via de bijdrage van OCW en de collegelden binnenkrijgt. Als het aan de werkgroep ligt, blijft die koppeling van allocatie en inkomsten bestaan.

Uit het rapport blijkt dat de faculteiten hun onderwijsbudget op uiteenlopende wijze benutten. Waar TBM en Bouwkunde bijvoorbeeld zwaar investeren in intensieve onderwijsvormen, besteedt Citg liever geld aan een brede waaier van eigen keuzevakken. En L&R steekt weer veel geld in de ontwerpopdracht in de bachelorfase, dat als visitekaartje voor de opleiding geldt.

Maar hoe verschillend de invulling ook is, geen enkele faculteit blijkt moeite te hebben met het opmaken van het toegewezen onderwijsgeld. Het budget bepaalt dus hoeveel geld een faculteit aan onderwijs geeft. ‘Onderwijs kost wat het mag kosten.’

De verleiding is groot om te concluderen dat een faculteit dus net zo goed tien procent minder zou kunnen ontvangen. Dat is maar de vraag, zegt Groot Kormelink. “Een tekort aan geld kan ingrijpende gevolgen hebben. De opleiding werktuigbouwkunde groeit de laatste jaren stevig, maar pas op het moment dat die groei zich vertaalt in diploma’s wordt dat met extra geld gehonoreerd. In de tussentijd moet werktuigbouwkunde de eigen groei ‘voorfinancieren’, en daarvoor ontbreekt het geld. Resultaat is dat werktuigbouwkunde nu noodgedwongen bezig is het projectonderwijs af te bouwen.”

De grote variatie in de manier waarop faculteiten het onderwijsbudget benutten is geen reden voor zorg, menen de opleidingsdirecteuren. De faculteiten weten zelf het beste hoe ze het geld moeten verdelen.

Toch kunnen faculteiten bij het versleutelen van het onderwijsbudget de komende jaren nog voor lastige keuzes komen te staan. Dat heeft alles te maken met de onderwijsvernieuwing zoals die vorig jaar in de nota ‘Focus op Onderwijs’ is bepleit. De nadruk op aantrekkelijk onderwijs heeft zijn prijs. Want én intensieve onderwijsvormen aanbieden én veel eigen keuzevakken verzorgen én topdocenten inhuren wordt bij elkaar opgeteld een erg duur verlanglijstje. Om de ambities van ‘Focus op Onderwijs’ te realiseren zonder het onderwijsbudget te overschrijden, zal in het curriculum moeten worden geschrapt. Uit het rapport blijkt ook dat faculteiten nauwelijks budget hebben voor onderwijsvernieuwing. Ook dit vraagt om keuzes. Hoeveel geld gaan faculteiten voor onderwijsvernieuwing reserveren, en hoe gaan ze dit bedrag verdelen?

De werkgroep kan niet zeggen welke faculteit de beste onderwijskwaliteit tegen de gunstigste prijs levert. Onderwijskwaliteit blijkt een subjectief begrip. Waar een ambtenaar van OCW veel waarde zal hechten aan het tijdig laten afstuderen van het overgrote deel van de studenten (rendement), zal een docent de academische verdieping vaak belangrijker vinden. Dat maakt het lastig een eenduidig verband tussen kosten en kwaliteit te leggen.

Verrassend is dat de werkgroep concludeert dat een langere studieduur financieel gezien niet zo veel hoeft uit te maken. Mits de student keurig zijn collegegeld betaalt, een goede planning maakt, en aan het einde van de rit netjes zijn diploma haalt.

Decanen moeten nog commentaar leveren op het rapport. Daarbij komen ook mogelijke vervolgstappen ter sprake, bijvoorbeeld. Het in kaart brengen hoeveel het opzetten van een nieuwe opleiding (bijvoorbeeld een master) nu precies kost. Ook het rendement van e-learning wil de werkgroep nader onderzoeken. “Ook al is dat zeer lastig te meten.”

Groot Kormelink ziet niets in een ‘Wehkamp-catalogus’: een dik boek met bij elk vak dat op de universiteit gegeven wordt een prijskaartje. “Zoiets suggereert een nauwkeurigheid die je niet kunt verschaffen.” Wel voelt hij iets voor een financieel sanctiebeleid voor studenten die zich inschrijven voor allerlei vakken en examens en vervolgens niet komen opdagen. “Een grote ergernis bij veel opleidingen en een verspilling van geld.”

Hoeveel geld geeft de TU Delft jaarlijks uit aan onderwijs? Waar gaat het precies aan op? Hoeveel geld mag onderwijskwaliteit kosten? Om antwoord op zulke vragen te krijgen, riep het college van bestuur de werkgroep Benchmark Kosten Onderwijs in het leven. Maar uit het rapport van de werkgroep blijkt dat het niet altijd makkelijk is om bevredigende antwoorden te vinden.

De werkgroep heeft in kaart kunnen brengen welke normen faculteiten hanteren om het beschikbare geld voor onderwijs te verdelen. Een voorbeeld van zo’n norm is de onderwijsvorm die is gekozen. (Een aantal faculteiten verdeelt het geld overigens op basis van de output.)

Maar als het om de feitelijke besteding van dat onderwijsgeld gaat, wordt het een lastiger verhaal. “Zulke gegevens worden op de TU Delft maar mondjesmaat bijgehouden”, zegt Joost Groot Kormelink, secretaris van de werkgroep. “Op de faculteiten bestaat er ook niet zo’n behoefte aan.” Voor registratie is tijdschrijven noodzakelijk, maar de betrouwbaarheid en de waarde hiervan blijken in de praktijk discutabel.

Dit jaar heeft de TU Delft 110 miljoen euro toegekend aan het onderwijs. Dit bedrag is – niet toevallig – vrijwel gelijk aan de inkomsten die de TU Delft via de bijdrage van OCW en de collegelden binnenkrijgt. Als het aan de werkgroep ligt, blijft die koppeling van allocatie en inkomsten bestaan.

Uit het rapport blijkt dat de faculteiten hun onderwijsbudget op uiteenlopende wijze benutten. Waar TBM en Bouwkunde bijvoorbeeld zwaar investeren in intensieve onderwijsvormen, besteedt Citg liever geld aan een brede waaier van eigen keuzevakken. En L&R steekt weer veel geld in de ontwerpopdracht in de bachelorfase, dat als visitekaartje voor de opleiding geldt.

Maar hoe verschillend de invulling ook is, geen enkele faculteit blijkt moeite te hebben met het opmaken van het toegewezen onderwijsgeld. Het budget bepaalt dus hoeveel geld een faculteit aan onderwijs geeft. ‘Onderwijs kost wat het mag kosten.’

De verleiding is groot om te concluderen dat een faculteit dus net zo goed tien procent minder zou kunnen ontvangen. Dat is maar de vraag, zegt Groot Kormelink. “Een tekort aan geld kan ingrijpende gevolgen hebben. De opleiding werktuigbouwkunde groeit de laatste jaren stevig, maar pas op het moment dat die groei zich vertaalt in diploma’s wordt dat met extra geld gehonoreerd. In de tussentijd moet werktuigbouwkunde de eigen groei ‘voorfinancieren’, en daarvoor ontbreekt het geld. Resultaat is dat werktuigbouwkunde nu noodgedwongen bezig is het projectonderwijs af te bouwen.”

De grote variatie in de manier waarop faculteiten het onderwijsbudget benutten is geen reden voor zorg, menen de opleidingsdirecteuren. De faculteiten weten zelf het beste hoe ze het geld moeten verdelen.

Toch kunnen faculteiten bij het versleutelen van het onderwijsbudget de komende jaren nog voor lastige keuzes komen te staan. Dat heeft alles te maken met de onderwijsvernieuwing zoals die vorig jaar in de nota ‘Focus op Onderwijs’ is bepleit. De nadruk op aantrekkelijk onderwijs heeft zijn prijs. Want én intensieve onderwijsvormen aanbieden én veel eigen keuzevakken verzorgen én topdocenten inhuren wordt bij elkaar opgeteld een erg duur verlanglijstje. Om de ambities van ‘Focus op Onderwijs’ te realiseren zonder het onderwijsbudget te overschrijden, zal in het curriculum moeten worden geschrapt. Uit het rapport blijkt ook dat faculteiten nauwelijks budget hebben voor onderwijsvernieuwing. Ook dit vraagt om keuzes. Hoeveel geld gaan faculteiten voor onderwijsvernieuwing reserveren, en hoe gaan ze dit bedrag verdelen?

De werkgroep kan niet zeggen welke faculteit de beste onderwijskwaliteit tegen de gunstigste prijs levert. Onderwijskwaliteit blijkt een subjectief begrip. Waar een ambtenaar van OCW veel waarde zal hechten aan het tijdig laten afstuderen van het overgrote deel van de studenten (rendement), zal een docent de academische verdieping vaak belangrijker vinden. Dat maakt het lastig een eenduidig verband tussen kosten en kwaliteit te leggen.

Verrassend is dat de werkgroep concludeert dat een langere studieduur financieel gezien niet zo veel hoeft uit te maken. Mits de student keurig zijn collegegeld betaalt, een goede planning maakt, en aan het einde van de rit netjes zijn diploma haalt.

Decanen moeten nog commentaar leveren op het rapport. Daarbij komen ook mogelijke vervolgstappen ter sprake, bijvoorbeeld. Het in kaart brengen hoeveel het opzetten van een nieuwe opleiding (bijvoorbeeld een master) nu precies kost. Ook het rendement van e-learning wil de werkgroep nader onderzoeken. “Ook al is dat zeer lastig te meten.”

Groot Kormelink ziet niets in een ‘Wehkamp-catalogus’: een dik boek met bij elk vak dat op de universiteit gegeven wordt een prijskaartje. “Zoiets suggereert een nauwkeurigheid die je niet kunt verschaffen.” Wel voelt hij iets voor een financieel sanctiebeleid voor studenten die zich inschrijven voor allerlei vakken en examens en vervolgens niet komen opdagen. “Een grote ergernis bij veel opleidingen en een verspilling van geld.”

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.