“De universiteiten delen kwistig genadezesjes uit”, schreef de Volkskrant. Staatssecretaris Zijlstra is er niet van onder de indruk.
In antwoord op vragen van de PVV schrijft de staatssecretaris dat hij het artikel in de Volkskrant van 28 februari kent, “maar het onderliggende onderzoek niet”. De vier VU-studenten journalistiek, die zich samen ‘het topje van de ijsberg’ noemen en die het onderzoek voor het artikel uitvoerden, zijn volgens Zijlstra vooralsnog niet bereid gevonden om dit openbaar te maken.
Uit het genoemde krantenartikel kan hij niet opmaken dat de universitaire diploma’s zomaar worden weggegeven. Van de tweeduizend docenten die door de studenten zijn aangeschreven hebben er 180 gereageerd, schrijft Zijlstra. Daarvan zegt een derde druk te ervaren om genadezesjes te geven.
De vragenlijst kreeg Zijlstra wel in handen en die bestond uit negen vragen, waarvan drie over contactgegevens. “Bij de overige zes vragen is bij vijf alleen een antwoord ‘ja’ of ‘nee’ mogelijk. Daarmee biedt het onderzoek mijns inziens geen basis voor uitspraken over niveaubewaking in het wetenschappelijk onderwijs.”
“Volgens de studenten ging het om een steekproef met als oogmerk het bereiken van de media”, aldus Zijlstra. “Ik constateer dat ze daarin geslaagd zijn.”
In gesprek met het Hoger Onderwijs Persbureau erkenden de studenten dat de steekproef klein was. “We vonden de resultaten belangrijk genoeg om naar buiten te brengen. Als je goed genoeg leest, zie je wel dat we maar weinig docenten hebben bereikt.”
De begeleidende docent vindt dat de vier studenten goed onderzoek hebben verricht, maar “zou het nooit opgeschreven hebben zoals het nu in de Volkskrant staat”.
In het Volkskrantbericht kwam ook Timo de Rijk, universitair hoofddocent aan de TU Delft, aan het woord. Op de Delta-website bevestigde hij dat genadezesjes wel degelijk bestaan en dat iedereen die dat ontkent boter op het hoofd heeft.
Als kind vroeg ik me af waarom mensen in hemelsnaam op een breuklijn leefden. Natuurlijk kon je aardbevingsbestendige gebouwen maken, maar waarom ging iedereen niet veilig een paar honderd kilometer verderop wonen? Na de tsunami in 2004 zei ik dat het niet echt verstandig was van al die mensen om hun huizen zo vlakbij de kust te bouwen. Een Amerikaanse vriend vroeg me toen fijntjes hoeveel meter onder de zeespiegel ik ook alweer zelf woonde.
Mensen doen veel dingen die niet zo slim zijn en pas als er iets misgaat, ziet iedereen de risico’s. Kerncentrales in een aardbevingsgevoelig gebied bouwen is achteraf gezien niet echt een goed idee. Op het moment dat ik dit schrijf, lijkt de situatie in de Japanse Fukushima-reactor enigszins onder controle, maar de schrik zit er goed in, ook in Europa. In Duitsland besloot Angela Merkel om zeven oude kerncentrales stil te leggen. Journaal-reporter Gerri Eickhof stond in lichte paniek bij de kerncentrale van Borssele en Maxime Verhagen zei dat bij de bouw van nieuwe Nederlandse kerncentrales de gebeurtenissen in Japan zullen worden meegenomen.
Zijn deze schrikreacties niet wat overdreven? Zelfs bij een meltdown in Fukushima zou het aantal slachtoffers van die kernramp zeer waarschijnlijk maar een fractie zijn van het aantal doden en gewonden door de aardbeving en tsunami. Ik ontdekte deze week dat bij de kernramp in Tsjernobyl (in mijn herinnering een van de grootste rampen ooit) niet meer dan 57 directe doden vielen. Het is moeilijk om te schatten hoeveel mensen door de straling kanker kregen, maar de Verenigde Naties houden het op ongeveer vierduizend slachtoffers (en een deel daarvan is inmiddels genezen). Gek eigenlijk dat de Tsjernobyl-ramp uit 1986 zo is blijven hangen, terwijl de vulkaanuitbarsting uit 1985 die in Colombia 23 duizend doden kostte al lang is vergeten.
Na Fukushima heeft kernenergie weer een boel nieuwe tegenstanders. Ineens zijn de risico’s weer duidelijk en wordt gekeken naar de veiligheid van kerncentrales. Verdronken kalf, gedempte put, enzovoorts.
Gelukkig wordt er af en toe wél goed vooruitgedacht. Finland heeft besloten dat al het Finse kernafval voortaan veilig in eigen land moet worden opgeslagen. Er wordt nu gebouwd aan de opslag Onkalo. Het plan is om de opslag te vullen en in 2120 te verzegelen. Daarna moet het kernafval honderdduizend jaar (!) veilig blijven opgeborgen, zonder dat er onderhoud of iets nodig is.
De documentaire ‘Into eternity’ (winnaar van de Green Screen Award op het IDFA 2010) laat zien welke problemen opgelost moeten worden bij de bouw. Interessanter dan de technische hoogstandjes is de vraag hoe de bouwers kunnen voorkomen dat over tienduizenden jaren een eventueel nieuwe beschaving het kernafval weer gaat opgraven. Heeft het zin om de opslag te markeren met waarschuwingsbordjes? Of werkt dat juist averechts? Een bij de bouw betrokken wetenschapper dacht dat een beschaving die geavanceerd genoeg was om het kernafval te kunnen opgraven, ook ontwikkeld genoeg was om te beseffen dat ze dat beter niet kon doen. Als de toekomstige beschaving op de mensheid lijkt, zou ik daar maar niet op rekenen.
Ionica Smeets is TU alumnus (wiskunde), wetenschapsjournalist en onderzoeker bij Publiek Begrip van Wetenschap in Leiden.
Comments are closed.