Het bedrijfsleven zit om je te springen, lees je. Het voelt goed om nodig te zijn. Maar na een paar jaar werken vind je het helemaal niet zo belangwekkend wat je doet.
Je wilt iets tastbaars neerzetten. Mensen helpen. Het is niet eenvoudig door de selectie van internationale hulporganisaties te komen. En dat is niet voor niets.
“Nog even m’n Spaans oppoetsen en dan vertrek ik naar mijn standplaats in het noorden, tegen de grens met Venezuela”, meldt Michiel van Tongeren (30) vanuit de Colombiaanse hoofdstad Bogota’. Hij is er net gearriveerd voor zijn tweede uitzending voor Artsen zonder Grenzen. De telefoonverbinding is uitstekend. “Door de jarenlange burgeroorlog zijn twee miljoen mensen op de vlucht geslagen”, vertelt een goed voorbereide Van Tongeren. “De ideologische oorlog is voorbij, maar de chaos nog lang niet. Het land wordt geteisterd door geweld van criminele bendes, guerrilla’s en het regeringsleger.”
Grote groepen ontheemden zijn ver verwijderd van de reguliere gezondheidszorg en afhankelijk van de noodhulp van Artsen zonder Grenzen. Aan Van Tongeren de taak om de missie logistiek te ondersteunen. “De artsen en verpleegkundigen die daar aan de slag gaan hebben huisvesting nodig, telefoonverbindingen, auto’s, stromend water, medische apparatuur.” Dat hij bij maritieme techniek afstudeerde op een theoretisch onderwerp en zelf geen begenadigde monteur is, is geen probleem. Artsen zonder Grenzen werkt altijd met lokale monteurs.
Eerder zat hij een jaar in Angola. “Na mijn afstuderen ging ik aan de slag als strategy consultant bij Bain & Company. Bedrijven meer waard maken, best leuk werk hoor, maar ik wilde meer voeling hebben met het resultaat”, aldus Van Tongeren. “Ik wilde iets doen wat er echt toe deed.” Toch is Van Tongeren geen idealist. “Het avontuurlijke aspect is zeker een factor. Je maakt veel mee. Het is heel intens af en toe. Maar het is zeker prettig om te zien dat je de situatie van mensen echt kunt verbeteren.”
Hoewel hij zichzelf als nuchtere Delfterik erg geschikt vond voor het werk van Artsen zonder Grenzen, dacht zijn huidige werkgever daar aanvankelijk heel anders over. “Het viel niet mee ze te overtuigen. Afgestudeerden van de TU zijn geen doelgroep van de personeelsafdeling. Ik heb ze vaak moeten bellen voor ze me uitnodigden voor een test en een gesprek. Ze hebben liever mensen met veel levenservaring en mensenkennis, een schipper die al jaren met groepen over het IJsselmeer zeilt, bijvoorbeeld.”
Pas toen Van Tongeren zijn collega’s ontmoette, ontdekte hij dat achter die hoge drempel een goed geoliede machine draaide. “Ik verwachtte zweverige, geitenwollensokkentypes, maar die zag ik niet. Het is allemaal strak georganiseerd. Er lopen topmanagers rond en met de artsen en verpleegkundigen die ze in dienst hebben is het prettig samenwerken.”
In tegenstelling tot zijn moeder, die Colombia geen goed idee vond, maakt Van Tongeren zich zelf geen zorgen over het oplopen van tropische ziekten of het risico slachtoffer te worden van geweld of ontvoering. “De medische zorg is bij Artsen zonder Grenzen natuurlijk uitstekend en ik heb me nog nooit onveilig gevoeld.” Het feit dat collega Arjan Erkel bijna twee jaar zoek was in de Russische deelrepubliek Dagestan en er een miljoen euro is betaald aan zijn ontvoerders, maakt hem niet zenuwachtig. Maar dat lijkt toch een lucratieve onderneming voor Colombiaanse guerrilla’s die toch al dol zijn op ontvoeringen? “Het komt zelden voor dat internationale hulpverleners het slachtoffer worden van dit soort acties en er worden voldoende veiligheidsmaatregelen genomen.”
Hij bestrijdt het beeld dat je het werk voor een organisatie als Artsen zonder Grenzen een paar jaar doet, om vervolgens alsnog gewoon het bedrijfsleven in te gaan. “Het werk is internationaal en uitdagend. Je krijgt veel verantwoordelijkheid en alle vrijheid om je te ontwikkelen. Je hebt grandioze kansen om promotie te maken.” Van Tongeren is vrijgezel, maar ook een partner ziet hij niet als belemmering om in de toekomst bij Artsen zonder Grenzen te blijven werken. “De eerste jaren is het moeilijk te regelen dat je vriendin meegaat, maar ervaren medewerkers wordt die mogelijkheid wel geboden.”
Nigeria
Bij Michiel Niens (31) was zijn vriendin juist de motor achter zijn overstap naar een NGO (niet-gouvernementele organisatie). “Maaike is verpleegkundige en wilde van jongs af aan al in Afrika werken”, zegt Niens in zijn net met (inmiddels) vrouw en zes maanden oude dochter betrokken huis in Utrecht. Hij studeerde civiele techniek en werkte vier jaar bij ingenieursbureau Haskoning voor hij de sprong waagde. “Best leuk werk hoor, maar soms zat ik achter dat bureau en dacht ik: en dit dan nog veertig jaar. We wilden allebei nog iets anders doen voor we zouden settelen.”
Ze kwamen uit bij VSO (Voluntary Service Overseas). “Het is de enige organisatie die multidisciplinaire projecten heeft met zowel gezondheidszorg als infrastructuur”, aldus Niens. Ze werden uitgezonden naar een afgelegen vissersgemeenschap in het zuiden van Nigeria. Ze werkten er twee jaar ononderbroken. “Het is tachtig kilometer varen naar de dichtstbijzijnde stad.” Niens laat foto’s zien van Akassa, een dorp met naar schatting veertigduizend inwoners in eenvoudige hutten van palmbladeren en roestige golfplaten. Er wordt snel doorgebladerd naar de achtergelaten wapenfeiten; een brug, oeverbeschermingen, schoolgebouwen, latrines, kantoortjes.
“De overheid bemoeit zich niet met deze gebieden. VSO helpt de gemeenschap zelf een aantal zaken te regelen op het gebied van infrastructuur, gezondheidszorg, onderwijs, ondernemerschap en fondsenwerving. VSO zat er al vijf jaar voor wij er kwamen. Al het voorbereidende werk was verricht. We konden vrijwel meteen beginnen met bouwen.” Ook hier werd het werk uitgevoerd door lokale arbeiders. Niens was slechts de bewaker van het bouwproces en de schakel tussen lokale ondernemers en internationale en nationale donoren. “We hebben lokale mensen geleerd hoe je een projectbudget opstelt, bij elkaar krijgt en bewaakt zodat ze het na ons vertrek de ontwikkeling van de gemeenschap zelf kunnen voortzetten. Dat is gelukt.”
Ook Niens handelde niet uit idealisme. “Je maakt iets bijzonders mee en doet ook nog iets zinnigs. Dat je mensen helpt is een mooie bijzaak.”
Af en toe hadden ze het best moeilijk. “Je loopt op tegen bureaucratische regeltjes en soms mis je terugkoppeling van collega’s. De lokale medewerkers hebben bedroevend slecht onderwijs genoten. Sociaal is dat ook moeilijk. Ze hebben een heel beperkt wereldbeeld.” Een paar keer per jaar hebben Michiel en Maaike nog per post contact met een lokale medewerker. Ze zouden graag een keer teruggaan, maar de reis is lastig en duur. Toch hopen ze dat het er een keer van komt.
Rwanda
Auke Bosscher (37, werktuigbouwkunde) zag wel al kans terug te gaan naar de mensen met wie hij tien jaar geleden samenwerkte in Rwanda. In 1995, een jaar na de genocide waarin meer dan achthonderdduizend mensen de dood vonden, werkte Bosscher er voor Artsen zonder Grenzen. “Die periode heeft veel indruk op me gemaakt. Mijn vriendin heeft alles destijds op afstand meebeleefd, maar ik wilde haar het land en de mensen ook een keer echt laten zien.”
Bosscher was in de Rwandese hoofdstad Kigali – net als Van Tongeren in Angola en Colombia – verantwoordelijk voor een depot en een garage. “In de stad moest je goed zoeken om sporen te zien van wat er gebeurd was. Ook in de gezichten van de overlevenden. Iedereen daar is natuurlijk getraumatiseerd, maar ze leken de blik strak vooruit te hebben gericht”, aldus Bosscher. De gezondheidszorg van Kigali was prima in orde voor de genocide losbarstte en de ziekenhuizen in de hoofdstad werkten alweer naar behoren. Veel Rwandezen waren nog niet teruggekeerd naar hun huizen en leefden in vluchtelingenkampen verspreid door het land. Om die mensen te bereiken had Artsen zonder Grenzen verschillende veldhospitalen opgezet die vanuit Kigali werden bevoorraad en ondersteund. “Mijn werk was niet zo spannend hoor. Wat administratie en af en toe repareerde ik een dakgoot of een generator.”
Maar ook in Rwanda werd duidelijk waarom Artsen zonder Grenzen zo streng selecteert op persoonlijke weerbaarheid voordat de organisatie mensen uitzendt. Bosscher: “Ik werd gebeld dat ze extra handen nodig hadden in Gikongoro.” Het regeringsleger, bestaande uit voormalige Tutsi-rebellen die het jaar daarvoor Rwanda hadden bevrijd van de slachtende Hutu-milities, was begonnen met het ontruimen van vluchtelingenkampen. Ruim 220 duizend Hutu’s waren na de beëindiging van de genocide naar het zuiden gevlucht uit angst voor represailles van hun Tutsi-buren. Op een heuvel in Kibeho hadden de soldaten tachtigduizend vluchtelingen, onder wie vrouwen en kinderen, bijeengedreven. Verschillende internationale hulporganisaties, waaronder Oxfam, Artsen zonder Grenzen en het Rode Kruis, en een contingent VN-blauwhelmen probeerden de ergste nood te ledigen. “Veel kinderen liepen brandwonden op omdat mensen in het gedrang toch probeerden te koken”, zegt Bosscher. “Ik kon niet veel doen in het ziekenhuis, maar Oxfam kon een Delfterik gebruiken om de waterpompen aan de gang te houden.”
Toen Bosscher de volgende dag in het ziekenhuis was ingezet om lijken weg te dragen, begon het regeringsleger in het wilde weg te schieten op de bijeengedreven vluchtelingen. “We lagen op de grond tot VN-blauwhelmen ons kwam halen”, zegt Bosscher. “Overal om ons heen werd geschoten, maar we wisten het VN-kantoortje veilig te bereiken.” Na een schietsessie van twee uur, gingen de artsen en verpleegkundigen naar buiten om eerste hulp te verlenen. “Ik hoorde later dat ze over meters hoge stapels lijken moesten klimmen.” Na een tweede schietsessie waren naar schatting meer dan zesduizend mensen gedood.
“Vluchtelingen probeerden in doodsangst de VN-compound te bereiken maar werden er door de blauwhelmen letterlijk uitgeslagen. Ik zal nooit vergeten dat ik zag dat een zwaargewonde man erin was geslaagd het VN-terrein te bereiken en door VN-militairen weer buiten de poort werd gelegd”, aldus Bosscher. Hij zal nooit begrijpen waarom de gewapende VN-militairen niet ingrepen toen het vuur werd geopend op weerloze mensen. Ook is moeilijk te verkroppen dat de VN, waarschijnlijk onder druk van de Rwandese regering, de eerste schatting van de eigen militairen van achtduizend slachtoffers officieel bijstelde naar driehonderd. Alle aanwezige hulporganisaties spraken dat lage cijfer tegen en uiteindelijk hield de VN het op tweeduizend.
Bosscher keerde terug naar Kigali, maar ook daar werd hij tussen gewone werkdagen door, plots weer geconfronteerd met de nasleep van de genocide. Een medewerkster vroeg om een dag vrij, een bouwlamp, handschoenen en een bodybag. “Ze had eindelijk haar broer gevonden, in een gedempte put.”
Ook Bosscher noemt zichzelf geen idealist. “Het is een combinatie. Je doet het voor jezelf en voor de ander. Maar je moet niet de illusie hebben dat je de wereld kunt veranderen.” Of zoals Michiel Niens het omschrijft: “Corruptie, geweld, armoede. Het zijn geen gemakkelijke klussen, maar het is goed om te weten hoe de wereld in elkaar steekt.”
Door de jarenlange burgeroorlog in Colombia zijn twee miljoen mensen op de vlucht geslagen. Het land wordt geteisterd door geweld van criminele bendes, guerrilla’s en het regeringsleger.
“Nog even m’n Spaans oppoetsen en dan vertrek ik naar mijn standplaats in het noorden, tegen de grens met Venezuela”, meldt Michiel van Tongeren (30) vanuit de Colombiaanse hoofdstad Bogota’. Hij is er net gearriveerd voor zijn tweede uitzending voor Artsen zonder Grenzen. De telefoonverbinding is uitstekend. “Door de jarenlange burgeroorlog zijn twee miljoen mensen op de vlucht geslagen”, vertelt een goed voorbereide Van Tongeren. “De ideologische oorlog is voorbij, maar de chaos nog lang niet. Het land wordt geteisterd door geweld van criminele bendes, guerrilla’s en het regeringsleger.”
Grote groepen ontheemden zijn ver verwijderd van de reguliere gezondheidszorg en afhankelijk van de noodhulp van Artsen zonder Grenzen. Aan Van Tongeren de taak om de missie logistiek te ondersteunen. “De artsen en verpleegkundigen die daar aan de slag gaan hebben huisvesting nodig, telefoonverbindingen, auto’s, stromend water, medische apparatuur.” Dat hij bij maritieme techniek afstudeerde op een theoretisch onderwerp en zelf geen begenadigde monteur is, is geen probleem. Artsen zonder Grenzen werkt altijd met lokale monteurs.
Eerder zat hij een jaar in Angola. “Na mijn afstuderen ging ik aan de slag als strategy consultant bij Bain & Company. Bedrijven meer waard maken, best leuk werk hoor, maar ik wilde meer voeling hebben met het resultaat”, aldus Van Tongeren. “Ik wilde iets doen wat er echt toe deed.” Toch is Van Tongeren geen idealist. “Het avontuurlijke aspect is zeker een factor. Je maakt veel mee. Het is heel intens af en toe. Maar het is zeker prettig om te zien dat je de situatie van mensen echt kunt verbeteren.”
Hoewel hij zichzelf als nuchtere Delfterik erg geschikt vond voor het werk van Artsen zonder Grenzen, dacht zijn huidige werkgever daar aanvankelijk heel anders over. “Het viel niet mee ze te overtuigen. Afgestudeerden van de TU zijn geen doelgroep van de personeelsafdeling. Ik heb ze vaak moeten bellen voor ze me uitnodigden voor een test en een gesprek. Ze hebben liever mensen met veel levenservaring en mensenkennis, een schipper die al jaren met groepen over het IJsselmeer zeilt, bijvoorbeeld.”
Pas toen Van Tongeren zijn collega’s ontmoette, ontdekte hij dat achter die hoge drempel een goed geoliede machine draaide. “Ik verwachtte zweverige, geitenwollensokkentypes, maar die zag ik niet. Het is allemaal strak georganiseerd. Er lopen topmanagers rond en met de artsen en verpleegkundigen die ze in dienst hebben is het prettig samenwerken.”
In tegenstelling tot zijn moeder, die Colombia geen goed idee vond, maakt Van Tongeren zich zelf geen zorgen over het oplopen van tropische ziekten of het risico slachtoffer te worden van geweld of ontvoering. “De medische zorg is bij Artsen zonder Grenzen natuurlijk uitstekend en ik heb me nog nooit onveilig gevoeld.” Het feit dat collega Arjan Erkel bijna twee jaar zoek was in de Russische deelrepubliek Dagestan en er een miljoen euro is betaald aan zijn ontvoerders, maakt hem niet zenuwachtig. Maar dat lijkt toch een lucratieve onderneming voor Colombiaanse guerrilla’s die toch al dol zijn op ontvoeringen? “Het komt zelden voor dat internationale hulpverleners het slachtoffer worden van dit soort acties en er worden voldoende veiligheidsmaatregelen genomen.”
Hij bestrijdt het beeld dat je het werk voor een organisatie als Artsen zonder Grenzen een paar jaar doet, om vervolgens alsnog gewoon het bedrijfsleven in te gaan. “Het werk is internationaal en uitdagend. Je krijgt veel verantwoordelijkheid en alle vrijheid om je te ontwikkelen. Je hebt grandioze kansen om promotie te maken.” Van Tongeren is vrijgezel, maar ook een partner ziet hij niet als belemmering om in de toekomst bij Artsen zonder Grenzen te blijven werken. “De eerste jaren is het moeilijk te regelen dat je vriendin meegaat, maar ervaren medewerkers wordt die mogelijkheid wel geboden.”
Nigeria
Bij Michiel Niens (31) was zijn vriendin juist de motor achter zijn overstap naar een NGO (niet-gouvernementele organisatie). “Maaike is verpleegkundige en wilde van jongs af aan al in Afrika werken”, zegt Niens in zijn net met (inmiddels) vrouw en zes maanden oude dochter betrokken huis in Utrecht. Hij studeerde civiele techniek en werkte vier jaar bij ingenieursbureau Haskoning voor hij de sprong waagde. “Best leuk werk hoor, maar soms zat ik achter dat bureau en dacht ik: en dit dan nog veertig jaar. We wilden allebei nog iets anders doen voor we zouden settelen.”
Ze kwamen uit bij VSO (Voluntary Service Overseas). “Het is de enige organisatie die multidisciplinaire projecten heeft met zowel gezondheidszorg als infrastructuur”, aldus Niens. Ze werden uitgezonden naar een afgelegen vissersgemeenschap in het zuiden van Nigeria. Ze werkten er twee jaar ononderbroken. “Het is tachtig kilometer varen naar de dichtstbijzijnde stad.” Niens laat foto’s zien van Akassa, een dorp met naar schatting veertigduizend inwoners in eenvoudige hutten van palmbladeren en roestige golfplaten. Er wordt snel doorgebladerd naar de achtergelaten wapenfeiten; een brug, oeverbeschermingen, schoolgebouwen, latrines, kantoortjes.
“De overheid bemoeit zich niet met deze gebieden. VSO helpt de gemeenschap zelf een aantal zaken te regelen op het gebied van infrastructuur, gezondheidszorg, onderwijs, ondernemerschap en fondsenwerving. VSO zat er al vijf jaar voor wij er kwamen. Al het voorbereidende werk was verricht. We konden vrijwel meteen beginnen met bouwen.” Ook hier werd het werk uitgevoerd door lokale arbeiders. Niens was slechts de bewaker van het bouwproces en de schakel tussen lokale ondernemers en internationale en nationale donoren. “We hebben lokale mensen geleerd hoe je een projectbudget opstelt, bij elkaar krijgt en bewaakt zodat ze het na ons vertrek de ontwikkeling van de gemeenschap zelf kunnen voortzetten. Dat is gelukt.”
Ook Niens handelde niet uit idealisme. “Je maakt iets bijzonders mee en doet ook nog iets zinnigs. Dat je mensen helpt is een mooie bijzaak.”
Af en toe hadden ze het best moeilijk. “Je loopt op tegen bureaucratische regeltjes en soms mis je terugkoppeling van collega’s. De lokale medewerkers hebben bedroevend slecht onderwijs genoten. Sociaal is dat ook moeilijk. Ze hebben een heel beperkt wereldbeeld.” Een paar keer per jaar hebben Michiel en Maaike nog per post contact met een lokale medewerker. Ze zouden graag een keer teruggaan, maar de reis is lastig en duur. Toch hopen ze dat het er een keer van komt.
Rwanda
Auke Bosscher (37, werktuigbouwkunde) zag wel al kans terug te gaan naar de mensen met wie hij tien jaar geleden samenwerkte in Rwanda. In 1995, een jaar na de genocide waarin meer dan achthonderdduizend mensen de dood vonden, werkte Bosscher er voor Artsen zonder Grenzen. “Die periode heeft veel indruk op me gemaakt. Mijn vriendin heeft alles destijds op afstand meebeleefd, maar ik wilde haar het land en de mensen ook een keer echt laten zien.”
Bosscher was in de Rwandese hoofdstad Kigali – net als Van Tongeren in Angola en Colombia – verantwoordelijk voor een depot en een garage. “In de stad moest je goed zoeken om sporen te zien van wat er gebeurd was. Ook in de gezichten van de overlevenden. Iedereen daar is natuurlijk getraumatiseerd, maar ze leken de blik strak vooruit te hebben gericht”, aldus Bosscher. De gezondheidszorg van Kigali was prima in orde voor de genocide losbarstte en de ziekenhuizen in de hoofdstad werkten alweer naar behoren. Veel Rwandezen waren nog niet teruggekeerd naar hun huizen en leefden in vluchtelingenkampen verspreid door het land. Om die mensen te bereiken had Artsen zonder Grenzen verschillende veldhospitalen opgezet die vanuit Kigali werden bevoorraad en ondersteund. “Mijn werk was niet zo spannend hoor. Wat administratie en af en toe repareerde ik een dakgoot of een generator.”
Maar ook in Rwanda werd duidelijk waarom Artsen zonder Grenzen zo streng selecteert op persoonlijke weerbaarheid voordat de organisatie mensen uitzendt. Bosscher: “Ik werd gebeld dat ze extra handen nodig hadden in Gikongoro.” Het regeringsleger, bestaande uit voormalige Tutsi-rebellen die het jaar daarvoor Rwanda hadden bevrijd van de slachtende Hutu-milities, was begonnen met het ontruimen van vluchtelingenkampen. Ruim 220 duizend Hutu’s waren na de beëindiging van de genocide naar het zuiden gevlucht uit angst voor represailles van hun Tutsi-buren. Op een heuvel in Kibeho hadden de soldaten tachtigduizend vluchtelingen, onder wie vrouwen en kinderen, bijeengedreven. Verschillende internationale hulporganisaties, waaronder Oxfam, Artsen zonder Grenzen en het Rode Kruis, en een contingent VN-blauwhelmen probeerden de ergste nood te ledigen. “Veel kinderen liepen brandwonden op omdat mensen in het gedrang toch probeerden te koken”, zegt Bosscher. “Ik kon niet veel doen in het ziekenhuis, maar Oxfam kon een Delfterik gebruiken om de waterpompen aan de gang te houden.”
Toen Bosscher de volgende dag in het ziekenhuis was ingezet om lijken weg te dragen, begon het regeringsleger in het wilde weg te schieten op de bijeengedreven vluchtelingen. “We lagen op de grond tot VN-blauwhelmen ons kwam halen”, zegt Bosscher. “Overal om ons heen werd geschoten, maar we wisten het VN-kantoortje veilig te bereiken.” Na een schietsessie van twee uur, gingen de artsen en verpleegkundigen naar buiten om eerste hulp te verlenen. “Ik hoorde later dat ze over meters hoge stapels lijken moesten klimmen.” Na een tweede schietsessie waren naar schatting meer dan zesduizend mensen gedood.
“Vluchtelingen probeerden in doodsangst de VN-compound te bereiken maar werden er door de blauwhelmen letterlijk uitgeslagen. Ik zal nooit vergeten dat ik zag dat een zwaargewonde man erin was geslaagd het VN-terrein te bereiken en door VN-militairen weer buiten de poort werd gelegd”, aldus Bosscher. Hij zal nooit begrijpen waarom de gewapende VN-militairen niet ingrepen toen het vuur werd geopend op weerloze mensen. Ook is moeilijk te verkroppen dat de VN, waarschijnlijk onder druk van de Rwandese regering, de eerste schatting van de eigen militairen van achtduizend slachtoffers officieel bijstelde naar driehonderd. Alle aanwezige hulporganisaties spraken dat lage cijfer tegen en uiteindelijk hield de VN het op tweeduizend.
Bosscher keerde terug naar Kigali, maar ook daar werd hij tussen gewone werkdagen door, plots weer geconfronteerd met de nasleep van de genocide. Een medewerkster vroeg om een dag vrij, een bouwlamp, handschoenen en een bodybag. “Ze had eindelijk haar broer gevonden, in een gedempte put.”
Ook Bosscher noemt zichzelf geen idealist. “Het is een combinatie. Je doet het voor jezelf en voor de ander. Maar je moet niet de illusie hebben dat je de wereld kunt veranderen.” Of zoals Michiel Niens het omschrijft: “Corruptie, geweld, armoede. Het zijn geen gemakkelijke klussen, maar het is goed om te weten hoe de wereld in elkaar steekt.”
Door de jarenlange burgeroorlog in Colombia zijn twee miljoen mensen op de vlucht geslagen. Het land wordt geteisterd door geweld van criminele bendes, guerrilla’s en het regeringsleger.
Comments are closed.