AAG blijft bij haar besluit niet mee te doen aan de studentenraadsverkiezingen in mei. Dit ondanks een laatste poging van het college van bestuur afgelopen dinsdag de partij van gedachten te doen veranderen.
Collegelid Paul Rullmann sprak vorige week in de studentenraadsvergadering nog zijn spijt uit over het besluit van AAG. “Heel jammer, omdat ik de invloed van AAG en ook van Het Principe zeker niet als gering beschouw. Met twee zetels fungeer je als hefboom. Ik heb de indruk dat AAG haar rol goed spelt. Het is jammer als we naar een eenpartijstelsel gaan. In landen die dat hebben, ga ik liever niet op vakantie. Ik ga graag met jullie in overleg.”
Dat laatste is dus dinsdag gebeurd, maar de insteek van AAG was een heel andere dan die van Rullmann. AAG-voorzitter Mark Bosschaart: “Onze beslissing is definitief. We hebben alleen nog gepraat over de toekomst van de studentenraadsverkiezingen.”
Het is niet voor het eerst dat AAG niet meedoet aan de verkiezingen omdat ze over te weinig mensen beschikt. Ook in 2008 was dit het geval. Andere studenten sprongen toen onder de naam Het Principe in het opengevallen gat.
Het college van bestuur hoopt dat er ook nu andere studenten zullen opstaan, omdat het vindt dat er voor een goede inspraak meer partijen nodig zijn. Collegesecretaris Hans Krul wijst er met klem op dat iedere student tot 1 april een lijst kan indienen.
Volgens Krul is er nu ook een scenario denkbaar waarin er geen verkiezingen zijn in mei: als alleen Oras een lijst indient, met tien of minder kandidaten. Aangezien er tien zetels zijn in de studentenraad hebben studenten dan immers niets te kiezen.
Overigens verwacht AAG niet dat ze volgend jaar weer wel meedoet aan de verkiezingen.
Dat blijkt uit analyse van studentenoordelen over opleidingen door het onderzoekscentrum CHOI. Het ministerie van OCW had om het onderzoek gevraagd. De politiek wilde graag weten of studentenoordelen werkelijk iets te zeggen hadden over de kwaliteit van opleidingen.
OCW was benieuwd of studenten in het westen scherper zouden oordelen dan hun collega’s in het oosten. En of meisjes milder zijn dan jongens. Ook wilde het ministerie weten of allochtonen anders tegen hun opleiding aankijken dan kaaskoppen.
Op het eerste gezicht lijkt dit het geval, constateert CHOI, maar schijn bedriegt. Zoals de onderzoekers schrijven: “De pabo is erg studeerbaar, de pabo heeft een hoog percentage meiden, dus een (schijn-)verband tussen vrouwen en studeerbaarheid is al gauw gevonden.”
Maar ook mannen blijken de pabo ‘studeerbaar’ te vinden. “En de vrouwen die wiskunde studeren, geven dezelfde oordelen als hun vele mannelijke lotgenoten.”
Andere ‘persoonskenmerken’ spelen wel een rol, maar die is bescheiden. Zo blijken vlijtige hbo-studenten iets positiever te oordelen. Bij universitaire studenten werkt dat niet helemaal hetzelfde: als ze meer dan veertig uur in de week studeren, dan vinden ze hun opleiding te zwaar en applaudisseren ze minder hard.
Ook motivatie tilt de toegekende score een fractie omhoog. Studenten met een bijbaan geven hun opleiding juist één of twee tiende lager op het rapport.
Waar komen de verschillende oordelen over opleidingen dan vandaan, als ze slechts “in zeer beperkte mate” op persoonskenmerken van de studentenpopulatie zijn terug te voeren? De oordelen zijn volgens de onderzoekers “een afspiegeling van de ‘echte’ verschillen tussen de aanbieders van de opleidingen”. De belangrijkste verklaringen zijn onderwijsintensiteit (oftewel contacturen) en kleinschaligheid.
Dit onderzoek kende een lange aanloop. Aan de Nationale Studenten Enquête, de basis voor de Keuzegids Hoger Onderwijs en Studiekeuze123.nl, werden in 2006 extra vragen toegevoegd over bijvoorbeeld examencijfers en het opleidingsniveau van de ouders. De enquête werd destijds gehouden door CHOICE, een samenwerkingsverband van de stichting HOP en Research voor Beleid. Daar is CHOI uit voortgekomen. Sinds vorig jaar voeren TNS NIPO en ResearchNed de enquête uit.
Comments are closed.