Education

Speurtocht naar wrakke opleidingen

Onder de maat, luidde onlangs het oordeel over vier InHolland-opleidingen. Is het bij de universiteiten ook mogelijk dat opleidingen hun academische status niet waard zijn?

Vraag studenten om voorbeelden van al te gemakkelijk behaalde studiepunten en ze komen geheid ergens mee, uit eigen ervaring of die van collega’s. De inmiddels afgestudeerde Jeroen Postma (international business, Maastricht): “In 2009, bij een moeilijk vak waar zelfs na de herkansing driekwart voor zakte, ging ik met mijn vijf komma zoveel naar de inzage en daar werd me gewoon gevraagd: ‘Hoeveel punten heb je nodig voor een zes?’ Die heb ik toen gekregen. Ik werd wel gesommeerd om er mijn bek over te houden. Anderen zijn gaan rellen, want er waren ook tweeën en drieën. Daarop kwam er een nieuw herexamen wat veel makkelijker was, met allemaal achten en negens als resultaat.”

Andere incidenten? Er werden vele oogjes toegeknepen toen enige jaren geleden grote aantallen studenten ‘oude stijl’ ingehaald werden door de bama-structuur en de opleidingen nog wel graag de doctorandusbonus wilden incasseren. “Ook bij schakelprogramma’s voor hbo’ers die aan een wo-master wilden beginnen hoorde je die geluiden”, zegt hoofdredacteur Frank Steenkamp van de Keuzegids Universiteiten.

Grote problemen zouden niet eens mogelijk moeten zijn, gezien het systeem van kwaliteitsbewaking. Maar zelfs de gewraakte InHolland-opleidingen hadden van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) een keurig kwaliteitsstempel ontvangen. 

Ex-InHollandbaas Geert Dales zei onlangs nog tegen NRC Handelsblad dat hij daarop ‘moest kunnen varen’. NVAO-voorzitter Karl Dittrich: “Zo werkt het niet. We geven eens in de zes jaar ons oordeel en dan gaat het per definitie over het verleden – over het gerealiseerde niveau. En tja, het is net als bij de banken, resultaten uit het verleden, enzovoorts.”

Belangrijk is ook dat de wettelijke regels enige soepelheid bij visitatiecommissies in de hand werkten. Dittrich: “Bij een negatief oordeel kon de tent meteen sluiten want dan geef je als NVAO vervolgens geen accreditatie meer. Dat wordt nu anders, er komt een herstelperiode van een of twee jaar. Ik heb in het verleden wel rapporten gezien met de uitkomst: niet goed genoeg. Dan kreeg die opleiding de ruimte om in een paar maanden verbeteringen aan te brengen. Vervolgens was het nog steeds onvoldoende maar als de commissie goede intenties zag, gaf men het voordeel van de twijfel.” Dan verdween zo’n opleiding weer voor zes jaar van de radar.

Een hulpmiddel om wrakke universitaire studies op te sporen is mogelijk het oordeel van studenten over het onderwijsniveau. De Nationale Studentenenquête vraagt daar periodiek naar. Als er een grote opleiding is die laag scoort, zoals de bachelor bouwkunde in Delft met een mager zeventje van de eigen studenten, dan is men er daar niet bepaald van onder de indruk. 

Directeur onderwijs bij Bouwkunde Christian van Ees neemt dat ‘met een korreltje zout’. “Onze afgestudeerden worden zeer gewaardeerd. Een aantal van onze mastertracks geeft rechtstreeks toegang tot het register van architecten, dat is een nationale en ook Europese benchmark. De werkstukken in de bachelor- en de masterfase worden altijd door een tweede beoordelaar bekeken. Wel gaan we wat meer aan het wetenschappelijk niveau doen, maar ja, de studenten willen gewoon architect worden en dat is nu eenmaal niet zo’n wetenschappelijk vak.”

Een andere indicatie voor onvoldoende niveau zou de studietijd per week kunnen zijn. Die zegt iets over het gemak waarmee men door de studie rolt. Als studenten naar eigen zeggen nog geen twintig uur per week nodig hebben, is duidelijk dat je daar geen Einstein hoeft te heten. Volgens de meest recente gegevens was dat bij de Rotterdamse bachelor rechten het geval. Een landelijk dieptepunt, maar een rechtstreeks verband met de kwaliteit van het diploma – dat is toch iets te kort door de bocht. 

Zijn er dan echt geen ‘InHollandjes’ in het wetenschappelijk onderwijs? “Het kan bijna niet anders, met de grote druk op rendementen en de financiën”, denkt voorzitter Sander Breur van de Landelijke Studenten Vakbond. “Niet waarschijnlijk”, zegt Dittrich, “ook al omdat de cultuur in het wo anders is: er is een hardere houding tegenover elkaar. Door de concurrentie tussen de onderzoekers zijn ze daar meer gewend elkaar de maat te nemen.”

De Inspectie van het onderwijs heeft alle hoger-onderwijsinstellingen gevraagd naar onregelmatigheden zoals speciale afstudeertrajecten van InHolland. “Uit de universiteiten kwamen nauwelijks signalen; niets wat een nader onderzoek op locatie rechtvaardigde”, zegt woordvoerder Jan-Willem Swane. “Verder werkt men in het wo met een visitatiecommissie per sector en niet per individuele opleiding. Dat maakt de kans kleiner dat een opleiding die onder het niveau belandt, onopgemerkt blijft.” 

De instantie die de visitaties bij de universiteiten voor haar rekening neemt is de Qanu: Quality Assurance Netherlands Universities. Sietze Looijenga is coördinator van de onderwijsvisitaties en is ook redelijk positief gestemd. “We zijn sinds 1990 met de vierde ronde visitaties bezig. Als er serieuze problemen waren, was dat wel opgemerkt.” Weliswaar vinden commissies soms dat een scriptie een te hoog cijfer kreeg, “maar het gaat erom of het nog voldoende is. Bij InHolland was met veertig procent van de scripties iets aan de hand, dat heb ik in het wo nog nooit meegemaakt.” 

Echte onvoldoendes hebben de visitatiecommissies niet uitgedeeld. “Maar een paar jaar geleden zag je wel dat universiteiten na een matig commissieoordeel afzagen van hun plan om een doctoraalspecialisatie om te bouwen tot een master”, zegt Looijenga. 

NVAO-voorzitter Dittrich: “Bij een accreditatie kijken wij of de visitatie volgens de regels heeft plaatsgevonden, of het panel goed is samengesteld, of er voldoende scripties zijn bekeken. Dan is er geen reden om argwaan te koesteren. Het stelsel is gebaseerd op vertrouwen. Ik verwacht een bepaald ethos van de beoordelaars, de docenten. Zij gaan tenslotte over de cijfers. Belangrijk is een kwaliteitscultuur binnen de instelling, waarin docenten zich veilig voelen om hun werk te doen en een onvoldoende kunnen geven als het moet. Een dergelijke veiligheid ontbrak bij die opleidingen van InHolland.”

,Spreekuur voor kwaliteitstoets TU

Een commissie van de NVAO bezoekt de TU donderdag 30 juni en vrijdag 1 juli voor een instellingstoets kwaliteitszorg. Wie de commissie wil spreken kan naar een spreekuur.

Voorheen moest iedere opleiding voor een opleidingsaccreditatie elke zes jaar niet alleen informatie geven over de inhoud van de opleiding, maar ook over onder meer personeelsbeleid, studiebegeleiding, faciliteiten en rendementsbevordering. De TU heeft daar echter één beleid voor dat geldt voor de gehele instelling.

Sinds 1 januari is het accreditatiestelsel veranderd en kunnen onderwijsinstellingen ook gaan voor een instellingstoets kwaliteitszorg met een beperkte opleidingsbeoordeling. Daarmee kunnen opleidingen zich voortaan beperken tot informatie over doelen die zij hebben met de opleiding, over hoe ze hun programma inrichten en over de prestaties van de opleiding. Het beleid voor de andere zaken bekijkt de NVAO dan op instellingsniveau.

Eind 2008 jaar hebben de TU Delft en de Radboud Universiteit als eerste twee universiteiten meegedaan aan een proef voor zo’n instellingstoets en een beperkte opleidingsbeoordeling. “De opleiding werktuigbouwkunde heeft ervaren dat het ongeveer 25 procent scheelt aan werk”, zegt beleidsmedewerker Jenny Brakels. “Een ander voordeel is dat je op instellingsniveau in kaart brengt en kunt aantonen wat er gebeurt aan onderwijskwaliteit en welke keuzes je daarin maakt. Wij hebben er vertrouwen in dat we goed zicht hebben op de onderwijskwaliteit.”

Volgende week beoordeelt de commissie de TU. Daarvoor spreekt zij met het college van bestuur en een delegatie van medewerkers en studenten. Anderen die er iets over kwijt willen, kunnen op donderdag 30 juni van 15.00 uur tot 16.00 uur naar een open spreekuur aan de Jaffalaan 9a, zaal A1.050. Wel vooraf aanmelden via de secretaris van de commissie: mevrouw Ann van Neygen (a.vanneygen@nvao.net).

In totaal kwam er op de universiteit in 2009 bijna 539 miljoen euro binnen. De totale lasten bedroegen bijna 558 miljoen. De TU wordt in de jaarrekening uitgesplitst door een driedeling te maken tussen ‘faculteiten en instituten, diensten en concern’. Die eerste groep leed een verlies van 17,6 miljoen euro, waar min 10,5 miljoen was begroot. Bijna alle faculteiten blijken bijgedragen te hebben aan dat slechte resultaat. Dit jaar zal niet beter worden. De faculteiten en instituten hebben voor 2010 een totaal begroting ingediend van min 19 miljoen.

De diensten hadden in 2009 op een nulbegroting uit moeten komen, het werd min 9,2 miljoen. Dat kwam onder meer omdat er 4,6 miljoen euro nodig was voor asbestverwijdering. Ook niet begroot was een afboeking van 7 miljoen voor de ontwikkel- en ontwerpkosten van diverse vastgoedprojecten. De universiteitsdienst hoopt in 2010 wel dicht bij de nul te eindigen.
Het concern – alles wat niet onder bedrijfsonderdelen als diensten en faculteiten valt – kwam op een positief resultaat van 1,9 miljoen euro uit, waar een negatief resultaat van 3,5 miljoen was begroot. Het verschil zit in een hogere rijksbijdrage. Dit jaar denkt het concern op plus 16 miljoen uit te komen.

Voor 2010 is een totaal negatief resultaat begroot van 13 miljoen euro. Om iedereen daaraan te houden, houdt het college van bestuur de geldstromen door middel van maandrapportages in de gaten.

Op dit moment zitten Bouwkunde en Technische Natuurwetenschappen 1 tot 1,5 miljoen boven hun begroting, meldt collegevoorzitter Dirk Jan van den Berg. Volgens hem is de financiële realisatie in het eerste half jaar verder goed verlopen, zo goed dat de staat van baten en lasten in evenwicht is. “Op dit moment gaat iedereen heel voorzichtig met geld om”, is zijn verklaring. Maar, waarschuwt hij, het tweede half jaar moet nog komen.
Het college van bestuur spreekt vrijdag 3 september met de ondernemingsraad over de jaarrekening 2009.

Vraag studenten om voorbeelden van al te gemakkelijk behaalde studiepunten en ze komen geheid ergens mee, uit eigen ervaring of die van collega’s. De inmiddels afgestudeerde Jeroen Postma (international business, Maastricht): “In 2009, bij een moeilijk vak waar zelfs na de herkansing driekwart voor zakte, ging ik met mijn vijf komma zoveel naar de inzage en daar werd me gewoon gevraagd: ‘Hoeveel punten heb je nodig voor een zes?’ Die heb ik toen gekregen. Ik werd wel gesommeerd om er mijn bek over te houden. Anderen zijn gaan rellen, want er waren ook tweeën en drieën. Daarop kwam er een nieuw herexamen wat veel makkelijker was, met allemaal achten en negens als resultaat.”

Andere incidenten? Er werden vele oogjes toegeknepen toen enige jaren geleden grote aantallen studenten ‘oude stijl’ ingehaald werden door de bama-structuur en de opleidingen nog wel graag de doctorandusbonus wilden incasseren. “Ook bij schakelprogramma’s voor hbo’ers die aan een wo-master wilden beginnen hoorde je die geluiden”, zegt hoofdredacteur Frank Steenkamp van de Keuzegids Universiteiten.

Grote problemen zouden niet eens mogelijk moeten zijn, gezien het systeem van kwaliteitsbewaking. Maar zelfs de gewraakte InHolland-opleidingen hadden van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) een keurig kwaliteitsstempel ontvangen. 

Ex-InHollandbaas Geert Dales zei onlangs nog tegen NRC Handelsblad dat hij daarop ‘moest kunnen varen’. NVAO-voorzitter Karl Dittrich: “Zo werkt het niet. We geven eens in de zes jaar ons oordeel en dan gaat het per definitie over het verleden – over het gerealiseerde niveau. En tja, het is net als bij de banken, resultaten uit het verleden, enzovoorts.”

Belangrijk is ook dat de wettelijke regels enige soepelheid bij visitatiecommissies in de hand werkten. Dittrich: “Bij een negatief oordeel kon de tent meteen sluiten want dan geef je als NVAO vervolgens geen accreditatie meer. Dat wordt nu anders, er komt een herstelperiode van een of twee jaar. Ik heb in het verleden wel rapporten gezien met de uitkomst: niet goed genoeg. Dan kreeg die opleiding de ruimte om in een paar maanden verbeteringen aan te brengen. Vervolgens was het nog steeds onvoldoende maar als de commissie goede intenties zag, gaf men het voordeel van de twijfel.” Dan verdween zo’n opleiding weer voor zes jaar van de radar.

Een hulpmiddel om wrakke universitaire studies op te sporen is mogelijk het oordeel van studenten over het onderwijsniveau. De Nationale Studentenenquête vraagt daar periodiek naar. Als er een grote opleiding is die laag scoort, zoals de bachelor bouwkunde in Delft met een mager zeventje van de eigen studenten, dan is men er daar niet bepaald van onder de indruk. 

Directeur onderwijs bij Bouwkunde Christian van Ees neemt dat ‘met een korreltje zout’. “Onze afgestudeerden worden zeer gewaardeerd. Een aantal van onze mastertracks geeft rechtstreeks toegang tot het register van architecten, dat is een nationale en ook Europese benchmark. De werkstukken in de bachelor- en de masterfase worden altijd door een tweede beoordelaar bekeken. Wel gaan we wat meer aan het wetenschappelijk niveau doen, maar ja, de studenten willen gewoon architect worden en dat is nu eenmaal niet zo’n wetenschappelijk vak.”

Een andere indicatie voor onvoldoende niveau zou de studietijd per week kunnen zijn. Die zegt iets over het gemak waarmee men door de studie rolt. Als studenten naar eigen zeggen nog geen twintig uur per week nodig hebben, is duidelijk dat je daar geen Einstein hoeft te heten. Volgens de meest recente gegevens was dat bij de Rotterdamse bachelor rechten het geval. Een landelijk dieptepunt, maar een rechtstreeks verband met de kwaliteit van het diploma – dat is toch iets te kort door de bocht. 

Zijn er dan echt geen ‘InHollandjes’ in het wetenschappelijk onderwijs? “Het kan bijna niet anders, met de grote druk op rendementen en de financiën”, denkt voorzitter Sander Breur van de Landelijke Studenten Vakbond. “Niet waarschijnlijk”, zegt Dittrich, “ook al omdat de cultuur in het wo anders is: er is een hardere houding tegenover elkaar. Door de concurrentie tussen de onderzoekers zijn ze daar meer gewend elkaar de maat te nemen.”

De Inspectie van het onderwijs heeft alle hoger-onderwijsinstellingen gevraagd naar onregelmatigheden zoals speciale afstudeertrajecten van InHolland. “Uit de universiteiten kwamen nauwelijks signalen; niets wat een nader onderzoek op locatie rechtvaardigde”, zegt woordvoerder Jan-Willem Swane. “Verder werkt men in het wo met een visitatiecommissie per sector en niet per individuele opleiding. Dat maakt de kans kleiner dat een opleiding die onder het niveau belandt, onopgemerkt blijft.” 

De instantie die de visitaties bij de universiteiten voor haar rekening neemt is de Qanu: Quality Assurance Netherlands Universities. Sietze Looijenga is coördinator van de onderwijsvisitaties en is ook redelijk positief gestemd. “We zijn sinds 1990 met de vierde ronde visitaties bezig. Als er serieuze problemen waren, was dat wel opgemerkt.” Weliswaar vinden commissies soms dat een scriptie een te hoog cijfer kreeg, “maar het gaat erom of het nog voldoende is. Bij InHolland was met veertig procent van de scripties iets aan de hand, dat heb ik in het wo nog nooit meegemaakt.” 

Echte onvoldoendes hebben de visitatiecommissies niet uitgedeeld. “Maar een paar jaar geleden zag je wel dat universiteiten na een matig commissieoordeel afzagen van hun plan om een doctoraalspecialisatie om te bouwen tot een master”, zegt Looijenga. 

NVAO-voorzitter Dittrich: “Bij een accreditatie kijken wij of de visitatie volgens de regels heeft plaatsgevonden, of het panel goed is samengesteld, of er voldoende scripties zijn bekeken. Dan is er geen reden om argwaan te koesteren. Het stelsel is gebaseerd op vertrouwen. Ik verwacht een bepaald ethos van de beoordelaars, de docenten. Zij gaan tenslotte over de cijfers. Belangrijk is een kwaliteitscultuur binnen de instelling, waarin docenten zich veilig voelen om hun werk te doen en een onvoldoende kunnen geven als het moet. Een dergelijke veiligheid ontbrak bij die opleidingen van InHolland.”

Spreekuur voor kwaliteitstoets TU

Een commissie van de NVAO bezoekt de TU donderdag 30 juni en vrijdag 1 juli voor een instellingstoets kwaliteitszorg. Wie de commissie wil spreken kan naar een spreekuur.

Voorheen moest iedere opleiding voor een opleidingsaccreditatie elke zes jaar niet alleen informatie geven over de inhoud van de opleiding, maar ook over onder meer personeelsbeleid, studiebegeleiding, faciliteiten en rendementsbevordering. De TU heeft daar echter één beleid voor dat geldt voor de gehele instelling.

Sinds 1 januari is het accreditatiestelsel veranderd en kunnen onderwijsinstellingen ook gaan voor een instellingstoets kwaliteitszorg met een beperkte opleidingsbeoordeling. Daarmee kunnen opleidingen zich voortaan beperken tot informatie over doelen die zij hebben met de opleiding, over hoe ze hun programma inrichten en over de prestaties van de opleiding. Het beleid voor de andere zaken bekijkt de NVAO dan op instellingsniveau.

Eind 2008 jaar hebben de TU Delft en de Radboud Universiteit als eerste twee universiteiten meegedaan aan een proef voor zo’n instellingstoets en een beperkte opleidingsbeoordeling. “De opleiding werktuigbouwkunde heeft ervaren dat het ongeveer 25 procent scheelt aan werk”, zegt beleidsmedewerker Jenny Brakels. “Een ander voordeel is dat je op instellingsniveau in kaart brengt en kunt aantonen wat er gebeurt aan onderwijskwaliteit en welke keuzes je daarin maakt. Wij hebben er vertrouwen in dat we goed zicht hebben op de onderwijskwaliteit.”

Volgende week beoordeelt de commissie de TU. Daarvoor spreekt zij met het college van bestuur en een delegatie van medewerkers en studenten. Anderen die er iets over kwijt willen, kunnen op donderdag 30 juni van 15.00 uur tot 16.00 uur naar een open spreekuur aan de Jaffalaan 9a, zaal A1.050. Wel vooraf aanmelden via de secretaris van de commissie: mevrouw Ann van Neygen (a.vanneygen@nvao.net).

Editor Redactie

Do you have a question or comment about this article?

delta@tudelft.nl

Comments are closed.